RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/618214 / KG ZA 26-588
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 5 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiseres] ,
te [plaats] ,2. [eiser],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] en afzonderlijk [eiseres] en [eiser] ,
advocaat: mr. C.J. Tijman te Ede,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. M. van den Broek te Leiden.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. A.A.T. van Rens, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.J. Overbosch als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiseres]
- [eiser]
- mr. Tijman
- mevrouw [A] (adviseur veiligheid bij de bank)
- de heer [B] (medewerker bijzonder beheer bij de bank)
- mr. Van den Broek.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 28 september 2026 met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15
- de door [eisers] op 1 oktober 2026 ingediende producties 9 tot en met 12
- de door [eisers] op 2 oktober 2026 ingediende producties 13 en 14.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eisers] af,
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
2 De beoordeling
De kernvraag is of er voldoende reden is om de executieverkoop van de woning, die voor morgen gepland staat, te schorsen.
De maatstaf voor schorsing van een openbare verkoop door de hypotheekhouder
De executie is gebaseerd op een hypotheekakte. De wetgever heeft bepaald dat de hypotheekhouder (hier is dat de bank) het recht van parate executie toekomt. Dat houdt in dat als de hypotheekgever (hier [eisers] ) de hypotheekschuld niet betaalt, de bank hun woning openbaar mag laten verkopen. Die executiebevoegdheid is dus het vertrekpunt. Er is reden voor schorsing van die executieverkoop als de bank daarmee misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Dat is onder meer het geval als de bank geen redelijk te respecteren belang heeft bij die executie, mede gezien de belangen van de schuldenaar die door die executie worden geschaad. Een andere mogelijke grond om de executie te schorsen is dat daardoor een acute noodsituatie zou ontstaan.
Geen misbruik van executiebevoegdheid en ook geen acute noodsituatie
Er is hier geen misbruik van executiebevoegdheid of een acute noodsituatie door de executie. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Bij dit oordeel is onder meer relevant:
-
dat de achterstallige maandelijkse hypotheektermijnen (hierna: de hypotheektermijnen), vermeerderd met de veilingkosten inmiddels zijn opgelopen tot circa € 121.000,-;
-
dat [eisers] sinds oktober 2024 de hypotheektermijnen niet meer betaalt;
-
dat er in opdracht van de bank een geveltaxatie van de woning heeft plaatsgevonden, waarbij de marktwaarde bij onderhandse verkoop is gewaardeerd op € 1.400.000,- en de executiewaarde op € 1.190.000,-, terwijl de totale vordering van de bank bijna € 1.115.000,- is, wat vrij dicht bij de executiewaarde ligt;
-
dat er in de aanloop naar de executieverkoop onderhandse biedingen zijn binnengekomen bij de notaris, waarvan de hoogste € 1.105.000,- was, wat minder is dan de bank te vorderen heeft van [eisers] ; en
-
dat de woning ook in opdracht van [eisers] is getaxeerd, met als uitkomst dat bij onderhandse verkoop binnen zes maanden voor de woning een prijs van circa € 1.900.000,- kan worden gerealiseerd.
[eisers] heeft voorgesteld dat als de bank instemt met uitstel van de executieverkoop, zij vanaf oktober 2026 weer de hypotheektermijnen zal gaan voldoen. Dat aanbod heeft de bank afgewezen, onder meer omdat zij er geen vertrouwen meer in heeft dat [eisers] de woning daadwerkelijk gaat verkopen en ook niet dat [eisers] de maandtermijnen weer zal gaan betalen. De bank mocht dat aanbod op die manier afwijzen. Daarbij geldt dat voldoende aannemelijk is dat de bank [eisers] in de afgelopen twee jaar veel mogelijkheden heeft gegeven om deze kwestie op een andere manier af te wikkelen dan zoals het nu gaat, bijvoorbeeld door de woning zelf (veel eerder) onderhands te verkopen. Het staat ook voldoende vast dat [eisers] tijdens dat traject herhaaldelijk heeft toegezegd om achterstallige maandtermijnen alsnog te betalen, maar dat zij geen van die toezeggingen is nagekomen.
[eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling een verklaring geven waarom zij die toezeggingen niet is nagekomen en waarom zij vanaf oktober 2024 geen hypotheektermijnen meer heeft betaald. Volgens [eisers] was dat omdat zij oprecht dacht dat de vorderingen van de bank er niet meer waren. Zij meende een advocaat te hebben ingeschakeld die er via onderhandelingen en diverse procedures voor had gezorgd dat [eisers] op korte termijn een enorm bedrag aan schadevergoeding van de bank zou krijgen. Het is [eisers] naar eigen zeggen twee weken geleden pas gebleken dat zij al die tijd niet met een echte advocaat van doen heeft gehad, maar met een oplichter. Deze oplichter heeft [eisers] vervalste documenten gegeven, zoals een stuk van 22 april 2025 waarin de bank lijkt te erkennen dat [eisers] circa € 6.700.000,- van haar te vorderen heeft en een “royementsakte” van 17 juli 2025 waarin de bank lijkt te verklaren dat de hypotheekschuld volledig was afgelost, zodat er helemaal geen hypotheekrecht meer was.
Deze verklaring voldoet niet. Bij de bank was in de communicatie met [eisers] over de betalingsachterstanden grotendeels niet bekend dat [eisers] dat standpunt had en [eisers] heeft ook niet duidelijk gezegd dat zij meende dat de bank helemaal geen vordering meer op haar had. [eisers] heeft daar zelf als verklaring voor gegeven dat de oplichter haar had verteld dat de administratieve afwikkeling van die tegenvordering vanwege allerlei problemen heel lang op zich liet wachten. Dat verklaart echter onvoldoende waarom [eisers] zò lang – langer dan een jaar – is blijven denken dat de bank toch geen vorderingen meer op haar had. [eisers] kon dus niet denken dat zij geen hypotheekschuld meer had bij de bank en geen hypotheektermijnen meer verschuldigd was.
Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat [eisers] het geld dat bestemd was voor die hypotheektermijnen niet heeft gereserveerd. Zij heeft het besteed aan andere zaken, zoals kennelijk een verbouwing. Daardoor is dat geld nu niet meer beschikbaar om de hypotheekachterstand te voldoen. [eisers] zegt dat zij nog maar een kleine reserve hebben. Nu [eisers] niet mocht denken dat zij geen hypotheekschuld meer had, spreekt dat in haar nadeel.
Het aanbod dat [eisers] op deze zitting heeft gedaan, is dus niet meer is dan een mondelinge toezegging om toekomstige termijnen te gaan betalen. Dat aanbod mag de bank naast zich neerleggen, alleen al omdat [eisers] eerdere toezeggingen om te betalen niet is nagekomen en omdat de verklaring die zij heeft gegeven om geen hypotheektermijnen meer te betalen, geen stand houdt.
De bank heeft terecht aangevoerd dat als de schorsing nu wordt toegewezen, het risico groot is dat de woning over een tijd alsnog openbaar moet worden verkocht en dat de schuld die [eisers] aan de bank heeft, dan nog verder is opgelopen, mogelijk tot boven het bedrag dat de bank dan uit de executieverkoop zal ontvangen.
De slotsom is dat de gevorderde schorsing wordt afgewezen en dat de executieveiling morgen dus zal doorgaan.
[eisers] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan de bank
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van bank worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.101,00 |
De gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
|
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |