ECLI:NL:RBMNE:2026:6970

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/596890 / HA ZA 25-370
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Licentieovereenkomst. Vorderingen in conventie afgewezen. Gestelde tekortkoming bij de overdracht van broncodes onvoldoende onderbouwd. Tegenvorderingen toegewezen: licentiovk is beëindigd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/596890 / HA ZA 25-370

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam]

woont in [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. P. Michorius-Jannink,

tegen

1 [gedaagde sub 1] B.V.,

2. [gedaagde sub 2] B.V.,

beiden gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

afzonderlijk aangeduid als: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,

tezamen aangeduid als: [gedaagden] ,

advocaten: mrs. H.K. Schrama en E.E.E. van de Ridder.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

­ de dagvaarding met producties 1 t/m 27;

­ de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties 1 t/m 3;

­ de conclusie van antwoord in reconventie en eiswijziging in conventie met producties 28 t/m 31;

­ de akte van [eiser] met producties 32;

­ de akte van [gedaagde sub 1] met uitlating over de eiswijziging in conventie en eiswijziging in reconventie met producties 4 t/m 9;

­ de mondelinge behandeling van 27 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

­ de akte van [eiser] na de mondelinge behandeling met uitlating over de eiswijziging in reconventie met producties 33 t/m 35;

­ de antwoordakte van [gedaagden] na de mondelinge behandeling

­ de online bespreking van 10 september 2026 via Teams tussen de rechtbank en advocaten van partijen over processuele aspecten van de procedure;

­ het B-formulier van [gedaagden] met de mededeling dat [gedaagde sub 2] vrijwillig is verschenen en zich gevoegd heeft als procespartij in de procedure;

­ het B-formulier van [eiser] met mededeling dat [eiser] geen bezwaar heeft tegen de vrijwillige verschijning en voeging van [gedaagde sub 2] als procespartij.

1.2

Daarna is bepaald dat er een vonnis uitgesproken zal worden.

2 De kern van het geschil

2.1

[gedaagde sub 2] is eigenaar van het softwarepakket [de software] (hierna: de software). Eind 2020 zijn [eiser] en [gedaagde sub 2] een licentieovereenkomst en een exploitatieovereenkomst overeengekomen met de afspraken dat [gedaagde sub 2] een exclusieve licentie van de software aan [eiser] verleent en dat de software eigendom wordt van [eiser] na betaling van de licentievergoeding van € 115.000,00 in termijnen over de periode 2021 tot en met 2024. [eiser] mag de software doorontwikkelen en exploiteren. Ook wordt afgesproken dat [gedaagde sub 2] de software met documentatie overdraagt aan [eiser] . Dat gebeurde begin 2021. Het contact en de facturatie verliep daarna via [gedaagde sub 1] , de 100% dochtervennootschap van [gedaagde sub 2] . In 2024 liet [eiser] een aantal facturen onbetaald. Daarna stelde [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagden] wanpresteert doordat zij niet alle broncodes horend bij de software heeft geleverd en geen escrow-overeenkomst heeft afgesloten. Hij vroeg [gedaagden] dit alsnog te doen. Omdat [gedaagden] niet direct over de brug kwam en vroeg om betaling van de openstaande facturen, heeft [eiser] daarna niet meer om nakoming gevraagd, maar om vervangende schadevergoeding als gevolg van de wanprestatie. Daarna heeft [gedaagde sub 2] de licentieovereenkomst met [eiser] opgezegd. In deze procedure vordert [eiser] onder andere een verklaring voor recht dat [gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en hierdoor schadeplichtig is tegenover hem. [gedaagden] vordert een verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst is opgezegd en betaling van openstaande facturen. [eiser] krijgt ongelijk. [gedaagden] krijgt grotendeels gelijk.

3 De beoordeling

In conventie en reconventie

[gedaagde sub 2] neemt vrijwillig deel aan de procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]

3.1

[gedaagde sub 2] is vrijwillig in de procedure verschenen en heeft zich gevoegd als procespartij aan de zijde van [gedaagde sub 1] . Dit heeft [gedaagden] bevestigd in het B-formulier van 17 september 2026. [eiser] heeft in het B-formulier van 21 september 2026 verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. Zowel [eiser] als [gedaagden] zijn gebaat bij deelname van [gedaagde sub 2] als procespartij in deze procedure in het kader van een doelmatige geschilbeslechting en ter voorkoming van nieuw te starten procedures en daarmee gemoeide kosten.

3.2

Deze procedure gaat namelijk grotendeels over afspraken uit de licentieovereenkomst. De contractspartijen bij de licentieovereenkomst zijn [eiser] en [gedaagde sub 2] . Maar, [eiser] heeft voor zijn vorderingen op grond van de licentieovereenkomst [gedaagde sub 1] gedagvaard in plaats van [gedaagde sub 2] . In reconventie heeft [gedaagde sub 1] tegenvorderingen ingesteld op grond van de licentieovereenkomst. Met andere woorden: [eiser] heeft in conventie de verkeerde partij gedagvaard en in reconventie heeft [gedaagde sub 1] in plaats van [gedaagde sub 2] met tegenvorderingen gereageerd. Deze procedurele onvolkomenheden worden opgelost met de deelname van [gedaagde sub 2] als procespartij en een welwillende lezing van de vorderingen en tegenvorderingen, zoals hierna wordt toegelicht in alinea 3.3.

De vorderingen zijn mede gericht tot [gedaagde sub 2] en de tegenvorderingen zijn mede ingesteld door [gedaagde sub 2]

3.3

De vorderingen van [eiser] worden zo gelezen dat deze zijn ingesteld tegen [gedaagden] [eiser] heeft namelijk bedoeld de contractspartij bij de licentieovereenkomst te dagvaarden. Voor deze lezing is ruimte, omdat deze bedoeling van [eiser] voor [gedaagden] vanaf de dagvaarding duidelijk is geweest. Dat blijkt uit de stellingen die [gedaagden] heeft ingenomen in de procedure. De tegenvorderingen van [gedaagde sub 1] worden zo gelezen dat deze mede zijn ingesteld door [gedaagde sub 2] . Voor die lezing is ruimte, omdat [gedaagde sub 2] om die reden als procespartij is verschenen in de procedure.

3.4

In de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] als contractspartijen bij de overeenkomsten geldt dat [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 2] optrad bij de uitvoering van de overeenkomsten. Uit de feitelijke gedragingen van partijen in de periode van 2021 tot en met de dagvaarding blijkt dat partijen dat zo hebben begrepen en daar ook naar hebben gehandeld. [gedaagde sub 1] was de contactpersoon van [eiser] in de samenwerking en bij de uitvoering van de overeenkomsten, de facturatie verliep via [gedaagde sub 1] , [eiser] betaalde aan [gedaagde sub 1] en [eiser] heeft [gedaagde sub 1] gesommeerd en gedagvaard.

In conventie

De wanprestatie van [gedaagden] is niet komen vast te staan

3.5

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tot het verstrekken van de broncodes op grond van de licentieovereenkomst en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor lijdt. Volgens [eiser] wanpresteert [gedaagden] ten aanzien van haar verplichtingen om (1) de overeengekomen broncodes horend bij de software te leveren, en (2) een escrow-overeenkomst af te sluiten. De rechtbank wijst deze vorderingen af, omdat het niet is komen vast te staan dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de hiervoor genoemde verplichtingen.

Geen wanprestatie bij de levering van de broncodes

3.6

Anders dan [eiser] betoogt, is voor de volgende modules niet komen vast te staan dat [gedaagden] de daarbij horende broncodes gebrekkig heeft overgedragen aan [eiser] . Alleen al omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld wat het gebrek in de overdracht is. Dit geldt voor:

  • Clustermodule

  • Webmodule

  • Webservice [naam]

  • [naam]

  • .

Het staat namelijk niet (meer) ter discussie tussen partijen dat [gedaagde sub 2] de bijhorende broncodes van deze modules heeft overgedragen aan [eiser] .1 Volgens [eiser] heeft [gedaagden] de verkeerde versies van de broncodes overgedragen. Maar, [eiser] heeft niet gesteld (laat staan onderbouwd met bewijsstukken) op grond van welke afspraken hij bepaalde versies van broncodes mocht verwachten, en hoe de wel geleverde broncodes daarvan afwijken. Dat had hij wel moeten doen. Hij wil namelijk een schadevergoeding vanwege de gestelde wanprestatie, terwijl [gedaagden] het gebrek gemotiveerd heeft betwist.

3.7

[gedaagden] heeft namelijk verwezen naar de afspraken uit de licentieovereenkomst. In artikel 1.1 is vastgelegd welke software en modules [gedaagde sub 2] overdraagt. Daarbij is geen versienummer of specificatie van de modules of van broncodes vermeld. In artikel 1.3 is vastgelegd dat de licentiegever alle documentatie van de in artikel 1 genoemde software en modules die zij in bezit heeft, overdraagt aan de licentienemer. Dat heeft [gedaagde sub 2] gedaan door de hierboven genoemde modules “as is” over te dragen.

3.8

Voor de module [module] is de klacht van [eiser] dat [gedaagden] geen bijhorende broncode aan hem heeft overgedragen. Die gestelde tekortkoming is niet komen vast te staan. [eiser] heeft voor de gestelde tekortkoming in de overdracht geen enkele onderbouwing gegeven, terwijl de tekortkoming wordt betwist door [gedaagden] Ook hier lag het op de weg van [eiser] om dit te onderbouwen, omdat hij zich beroept op een rechtsgevolg hiervan. Dit geldt zeker in deze situatie waarin [eiser] pas voor het eerst in de brief van 24 juni 2024 heeft geklaagd bij [gedaagden] over de ontbrekende broncode. Dat is circa 3,5 jaar na de ingebruikneming en start van de exploitatie van de software. [eiser] had na de software-overdracht kunnen controleren of de documentatie van de software volledig was overgedragen. Dat heeft hij destijds niet gedaan, omdat hij daarvoor geen aanleiding had, zo heeft hij op de mondelinge behandeling verklaard. Als [eiser] , na het laten verstrijken van een dergelijk lange periode, wel komt met de klacht dat de contractspartij heeft gewanpresteerd bij overdracht, dan is [eiser] aan zet om daar een stevige onderbouwing voor te geven. Die ontbreekt.

3.9

Weliswaar heeft [eiser] in de procedure gesteld dat hij eerder dan 24 juni 2024 bij [gedaagden] had geklaagd over de ontbrekende broncodes, maar dat is niet komen vast te staan. Omdat [gedaagden] heeft betwist dat [eiser] al eerder hierover bij [gedaagden] had geklaagd, lag ook dat op de weg van [eiser] om aan te tonen. Dat heeft hij niet gedaan.

[gedaagden] mocht haar escrow-verplichting opschorten

3.10

Ondanks dat [gedaagden] geen uitvoering had gegeven aan het verzoek van [eiser] een escrow-overeenkomst af te sluiten, is daarmee geen sprake van een wanprestatie door [gedaagde sub 1] . Voor een wanprestatie is nodig dat [gedaagden] in verzuim was met de nakoming van haar verplichting of dat nakoming blijvend onmogelijk was. Beide gevallen hebben zich niet voorgedaan.

3.11

[gedaagden] is niet in verzuim geraakt met de nakoming van haar verplichting van artikel 6 van de licentieovereenkomst. In de brief van 24 juni 2024 (en nadien) heeft [eiser] gevraagd aan [gedaagden] een escrow-overeenkomst af te sluiten onder verwijzing naar artikel 6 van de licentieovereenkomst. [gedaagden] heeft de nakoming van deze verplichting bevoegdelijk opgeschort. Dat mocht zij doen, omdat [eiser] op dat moment al in verzuim was met zijn betalingsverplichting.2 Op grond van de afspraak uit artikel 2.1 van de licentieovereenkomst moest [eiser] binnen twee weken na factuurdatum de nota’s betalen aan [gedaagden] De nota van 7 juni 2024 heeft [eiser] onbetaald gelaten, waardoor hij vanaf 21 juni 2024 in verzuim was geraakt met zijn betalingsverplichting. Op 25 juni 2025 heeft [gedaagden] [eiser] gewezen op zijn betalingsachterstand in reactie op zijn brief van 24 juni 2024. [eiser] heeft zijn verzuim niet gezuiverd door alsnog te betalen.

3.12

Ook was het - toch - niet zo dat het voor [gedaagden] blijvend onmogelijk was om haar verplichting uit artikel 6 van de licentieovereenkomst na te komen. [gedaagden] had aanvankelijk in een e-mail van 24 oktober 2024 aan [eiser] meegedeeld dat zij alle broncodes had verwijderd. Later is [gedaagden] op deze mededeling teruggekomen en heeft zij aan [eiser] meegedeeld dat zij in een zoektocht op de back-ups de overgedragen broncodes van de software en modules heeft gevonden. Dit is niet weersproken door [eiser] en de rechtbank gaat hier dan ook vanuit. Dat betekent dat de nakoming niet blijvend onmogelijk was en [gedaagden] alsnog aan haar verplichting uit artikel 6 kon voldoen, als het verzoek van [eiser] was gedaan voordat hij zelf in verzuim was geraakt.

3.13

Overigens is de rechtbank van oordeel dat tot nu toe niet is gebleken dat [eiser] op juiste gronden het verzoek heeft gedaan. Artikel 6 uit de licentieovereenkomst geeft [eiser] geen recht op (nog eens) levering van de broncodes door [gedaagden] aan hem. In dat artikel is bepaald dat [gedaagde sub 2] op verzoek van [eiser] een escrow-overeenkomst afsluit met een professionele bewaarnemer. Dat houdt doorgaans in dat met een professionele bewaarnemer wordt afgesproken wat zij in bewaarneming neemt tegen welke voorwaarden. Die escrow-verplichting heeft volgens artikel 6.2 tot doel zekerheid te bieden voor de langstlopende verplichting van [gedaagde sub 2] als licentiegever. De overdracht van de broncodes van [gedaagde sub 2] aan [eiser] vond plaats direct na het sluiten van de licentieovereenkomst. Voor deze overdrachtsverplichting van [gedaagde sub 2] aan [eiser] zal de bepaling uit artikel 6 dan ook niet zijn overeengekomen.

De door [eiser] gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen

3.14

De door [eiser] gevorderde schadevergoeding van [gedaagden] nader op te maken bij staat wordt afgewezen. De grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding aan [eiser] ontbreekt, omdat de gestelde wanprestatie van [gedaagden] tegenover [eiser] niet is komen vast te staan.

De door [eiser] gevorderde betaling van € 207.675,60 wordt afgewezen

3.15

De door [eiser] gevorderde betaling van [gedaagde sub 1] van € 207.675,69,00 wordt afgewezen. Anders dan [eiser] betoogt, is er geen sprake van onverschuldigde betaling van hem aan [gedaagde sub 1] voor de licentie en exploitatie van de software. [eiser] had op grond van de licentieovereenkomst en de exploitatieovereenkomst betalingsverplichtingen aan [gedaagde sub 2] . Die verplichtingen is [eiser] in jaren 2021 tot en met 2024 nagekomen door te betalen aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] heeft in de procedure bekrachtigd dat [eiser] zijn betalingsverplichtingen mocht nakomen door te betalen aan [gedaagde sub 1] . Dit betekent dat [eiser] bevrijdend heeft betaald aan [gedaagde sub 1] . Dat betekent dan ook dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling door [eiser] aan [gedaagde sub 1] .

De gevorderde wettelijke (handels) rente wordt afgewezen

3.16

De door [eiser] gevorderde wettelijke (handels)rentes over de hoofdvorderingen worden afgewezen. Omdat de hoofdvorderingen zijn afgewezen, worden de daaraan gekoppelde rentevorderingen dat ook.

in reconventie

[eiser] moet € 40.360,33 aan [gedaagde sub 2] betalen

3.17

[gedaagden] vordert betaling van [eiser] van € 43.213,82 aan onbetaald gelaten facturen. De rechtbank wijst de gevorderde factuurbedragen van € 2.641,64 en 211,75 af en het resterende gevorderde bedrag van € 40.360,33 toe.

3.18

Dat [eiser] de factuur van 5 december 2023 van € 2.641,64 verschuldigd is aan [gedaagden] , is niet komen vast te staan. [gedaagden] heeft dat onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft betwist dat hij de gefactureerde dienst heeft afgenomen voor de betreffende klant. Dat heeft [gedaagden] niet weersproken, en staat daarmee vast. Volgens de [gedaagden] heeft [eiser] de dienst wel doorberekend aan de eindklant. Maar, ook als dat zo is, is daarmee nog geen betalingsverplichting voor [eiser] aan de [gedaagden] in het leven geroepen.

3.19

Ook voor de factuur van 18 maart 2024 van € 211,75 is de verschuldigdheid van [eiser] aan [gedaagden] niet komen vast te staan. [eiser] heeft de verschuldigdheid gemotiveerd betwist. De dienst waarvoor [gedaagde sub 1] de factuur stuurde, had [eiser] al per 23 december 2023 opgezegd. Dat volgt uit de opzegging van [eiser] in de e-mail van 12 december 2023 aan [gedaagde sub 1] .3

3.20

Voor de overige facturen wordt de vordering toegewezen. Op grond van de afspraken uit de licentieovereenkomst en exploitatieovereenkomst is [eiser] gehouden te betalen aan [gedaagden] voor de software en de geleverde diensten. Dat wordt niet betwist door [eiser] . Voor een aantal facturen voert [eiser] aan dat hij deze nog niet hoeft te betalen, omdat de omschrijving op de factuur en de adresgegevens onjuist zijn vermeld. Dat standpunt is onjuist. Ook als er sprake zou zijn van dergelijke onjuistheden op de facturen, is [eiser] nog steeds de gefactureerde dienst of licentievergoeding verschuldigd. Hij heeft niet betwist de facturen te hebben ontvangen. De afspraken over de verschuldigdheid en het moment van betalen worden niet aangetast door een dergelijke onjuistheid op de factuur. In artikel 2.1 van de licentieovereenkomst is bepaald dat de betaling moet plaatsvinden binnen 14 dagen na de factuurdatum. De vervaldatum staat ook op de facturen vermeld. Omdat de vervaldata van de facturen zijn verstreken, is de betaling opeisbaar.

3.21

Het verweer van [eiser] dat hij de betaling van de facturen rechtsgeldig heeft opgeschort, slaagt niet. Daarvoor was nodig dat [gedaagden] eerder dan [eiser] in verzuim zou zijn geraakt. Zoals in alinea 3.11 uiteen is gezet, is dat niet het geval geweest. [eiser] is degene die als eerst (en als enige) in verzuim is geraakt door niet aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

De gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen

3.22

De door [gedaagden] gevorderde wettelijke handelsrente over de toegewezen openstaande facturen wordt toegewezen. Omdat het hier gaat om een overeenkomst die partijen zijn aangegaan in de uitoefening van hun bedrijf, is [eiser] de handelsrente verschuldigd als schadevergoeding vanwege het onbetaald laten van de facturen op grond van artikel 6:119a BW. De handelsrente wordt toegewezen vanaf de dag na de uiterste overeengekomen datum voor betaling. Dat is de dag na de vervaldata genoemd op facturen.

De licentieovereenkomst is opgezegd

3.23

De rechtbank verklaart voor recht, zoals gevorderd, dat de licentieovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig is opgezegd. [gedaagde sub 2] heeft de licentieovereenkomst met [eiser] in de brief van 15 januari 2025 opgezegd. Dat mocht de zij doen, omdat [eiser] in januari 2025 in verzuim was met zijn betalingsverplichtingen. In artikel 4.2 van de licentieovereenkomst is bepaald dat, wanneer [eiser] zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, [gedaagde sub 2] per direct de licentieovereenkomst mag opzeggen. Die situatie deed zich voor in januari 2025. Hiermee was de voorwaarde voor de opzegging in vervulling getreden.

3.24

Anders dan [eiser] betoogt, verkeerde [gedaagden] niet in schuldeisersverzuim, waardoor dat niet aan de weg stond aan de opzegging. Zoals uiteengezet is in alinea’s 3.11 en 3.12 was [gedaagden] niet in verzuim met de nakoming van haar verplichting. [eiser] was sinds 21 juni 2024 in verzuim gekomen met zijn betalingsverplichting en is dat gebleven, omdat hij niet alsnog de facturen betaalde. Omdat [eiser] al in verzuim verkeerde, kon [gedaagden] niet in verzuim raken en schortte zij haar nakomingsverplichting bevoegdelijk op.

[eiser] mag geen gebruik meer maken van de software

3.25

De rechtbank verbiedt, zoals gevorderd, [eiser] gebruik te maken van de software, inclusief alle componenten. Deze vordering wordt toegewezen, omdat de licentieovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en [eiser] geen verweer tegen deze eis heeft gevoerd. Met de opzegging van de licentieovereenkomst is de licentie die [gedaagden] verleende aan [eiser] beëindigd. Dat betekent dat [eiser] sindsdien geen recht meer heeft op gebruik van de software.

Er is geen beroep gedaan op enige aanvullende werking van eisen uit de redelijkheid en billijkheid

3.26

De advocaat van [eiser] heeft geen (rechts)feiten aangevoerd waaruit volgt dat [eiser] een beroep doet op rechtsgevolgen die niet zijn overeengekomen bij de licentieovereenkomst, maar voortkomen uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in relatie tot de beëindiging van de licentie. Daar heeft dus geen partijdebat over plaatsgevonden en ligt niet ter beoordeling voor aan de rechtbank.

In conventie en reconventie

3.27

[eiser] is in het ongelijk gesteld in de conventie en de reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht

€

714,00

- salaris advocaat conventie

€

7.212,50

(2,5 punten × € 2.885,00)

- salaris advocaat reconventie

€

1.290,00

(2 punten × factor 0,5 × € 1.290,00)

- nakosten conventie en reconventie

€

296,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

3.28

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.29

[gedaagden] vordert [eiser] te veroordelen in de volledige proceskosten aan haar zijde. Dat wijst de rechtbank af. Het uitgangspunt is dat een ieder het recht heeft om zijn vorderingen ter beoordeling aan de rechtspraak voor te leggen. Van misbruik van procesrecht aan de zijde van [eiser] is niet gebleken.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.30

Op verzoek van [gedaagden] worden de veroordelingen waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat deze beslissingen moeten worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.926,50, te betalen aan [gedaagden] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in reconventie

4.3

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde sub 2] te betalen een bedrag van € 40.360,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag na de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, telkens tot de dag van volledige betaling,

4.4

verklaart voor recht dat de licentieovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd,

4.5

verbiedt [eiser] de software zoals geleverd onder de licentieovereenkomst inclusief alle componenten te gebruiken,

4.6

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.290,00 te betalen aan [gedaagden] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.7

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

4.8

veroordeelt [eiser] in de nakosten van € 296,00, te betalen aan [gedaagden] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.9

veroordeelt [eiser] in de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.10

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2, 4.4,4.6 4.7, 4.9 en 4.10 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

4.11

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

5340

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »