ECLI:NL:RBMNE:2026:6966

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12367129 \ UV EXPL 26-226
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

huur woonruimte, vordering tot ontruiming in kort geding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12367129 \ UV EXPL 26-226

Vonnis in kort geding van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. W. Vos,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord

- de akte met aanvullende producties van [eiser]- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2 De kern van de zaak

2.1

[gedaagde] huurt vanaf 1 september 2017 de woning aan het [adres 1] in [plaats] van [eiser] Sinds 1 januari 2024 betaalt [gedaagde] geen huur. [eiser] vordert daarom onder meer ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens hem hebben partijen namelijk afgesproken dat hij vanaf 1 januari 2024 geen huur meer hoefde te betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom worden de ontruiming plus een aantal andere vorderingen toegewezen.

3 De beoordeling

Toetsingskader

3.1

De kantonrechter moet eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Een vordering in een kort geding kan namelijk alleen worden toegewezen als de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als een directe voorziening is geboden en de afloop van een gewone procedure (bodemprocedure) niet kan worden afgewacht. Daarnaast geldt dat de kantonrechter moet beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Daarbij bekijkt de kantonrechter ook of de verhuurder de melding ‘vroegsignalering’ heeft gedaan.1 Als uitgangspunt geldt verder dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

3.2

Voor geldvorderingen in kort geding geldt bovendien dat de kantonrechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing daarvan. De kantonrechter zal niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is en of de gedaagde een spoedeisend belang heeft, maar neemt in de afweging van de belangen van partijen ook het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mee. Wanneer dit restitutierisico hoog is, kan dit bijdragen tot weigering van de voorziening.

Het spoedeisend belang

3.3

[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Als namelijk niet voldoende aannemelijk wordt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] geen huur meer hoefde te betalen, dan leidt dat tot de conclusie dat hij een huurachterstand heeft van ongeveer anderhalf jaar. Omdat [gedaagde] stelt dat hij geen huur hoeft te betalen, valt te verwachten dat die huurachterstand alleen maar verder zal oplopen. Daarom heeft [eiser] belang bij een uitspraak over de ontruiming en de huurachterstand op korte termijn. De verwante nevenvorderingen hebben hiermee ook een voldoende spoedeisend belang. De enkele omstandigheid dat [eiser] lang heeft gewacht met het starten van deze rechtszaak, is onvoldoende voor een ander oordeel. [eiser] heeft bovendien voldoende toegelicht dat dit onder meer het gevolg was van omstandigheden die in de risicosfeer van [gedaagde] liggen.

De vroegsignalering

3.4

[gedaagde] heeft er op gewezen dat de dagvaarding is betekend binnen twee maanden nadat de melding ‘vroegsignalering’ is gedaan. De kantonrechter begrijpt dat hij hiermee een beroep doet op het beleid van de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot de vroegsignalering. Dit beleid houdt in dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en/of ontruiming van het gehuurde in beginsel wordt afgewezen als zonder nadere toelichting tussen de datum van de zogenoemde vroegsignalering bij de gemeente en de datum waarop de dagvaarding is betekend, een periode van minder dan twee maanden ligt. Volgens [gedaagde] is dat hier het geval. Voor zover hij daarmee wil bereiken dat de ontruiming wordt afgewezen, gaat dit niet op.

3.5

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] hierbij namelijk voorbij aan het doel en de strekking van het beleid. De vroegsignalering heeft tot doel om de schuldhulpverlening op gang te brengen, zodat een procedure tot ontbinding en ontruiming voorkomen kan worden als met de juiste schuldhulpverlening een te grote huurachterstand kan worden voorkomen of ingelopen. Een periode van twee maanden om opvolging te kunnen geven aan de melding wordt door de kantonrechters van de rechtbank Midden-Nederland als een redelijke termijn gezien en dus wordt die termijn gehanteerd om een huurder de kans te bieden de juiste schuldhulp in de arm te nemen. Om die reden wordt een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en/of ontruiming van het gehuurde binnen die periode in beginsel afgewezen.

3.6

Maar de verplichting van de verhuurder om bij de gemeente in een vroeg stadium een huurachterstand te melden, zodat deze tijdig beperkt kan worden, ontslaat de huurder niet van zijn eigen verplichting en verantwoordelijkheid om actie te ondernemen om aan zijn financiële verplichtingen te (blijven) voldoen. In dit geval is [eiser] weliswaar binnen een periode van twee maanden na het doen van de melding ‘vroegsignalering’ overgegaan tot het dagvaarden van [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft tussen het ontstaan van de huurachterstand (vanaf januari 2024) en het moment van dagvaarden ruimschoots de tijd gehad om zelf, al dan niet in samenspraak met de gemeente en/of hulpverleners, passende voorzieningen te treffen. Uit niets blijkt dat [gedaagde] van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt of heeft willen maken. Hij heeft de ontstane huurachterstand alleen maar verder op laten lopen. Dat komt voor zijn rekening en risico.

Inhoudelijke beoordeling

Het bestaan van een nadere afspraak is niet aannemelijk geworden

3.7

De kernvraag is of partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2024 geen huur meer hoefde te betalen, zoals hij heeft gezegd. [eiser] heeft dit gemotiveerd weersproken. De stelplicht en bewijslast liggen bij [gedaagde] Hij moet in het kader van dit kort geding dus voldoende aannemelijk maken dat deze afspraak is gemaakt.

3.8

[gedaagde] heeft er op gewezen dat hij en zijn vader op meerdere manieren en ook zakelijk met elkaar zijn verbonden. Volgens [gedaagde] moet de afspraak over de huur worden gezien binnen dit grotere plaatje. De deal was dat [eiser] voor de rest van zijn leven gratis gebruik mocht maken van een nog te realiseren zomerverblijf op een perceel grond van [gedaagde] ( [adres 2] in [plaats] ). Daarvoor is een eeuwigdurend vruchtgebruik gevestigd. De kosten voor de bouw van deze accommodatie zouden voor rekening van [gedaagde] komen en hij heeft eigenhandig meegewerkt aan het leggen van de fundering. Rond juni 2024 hebben partijen mondeling afgesproken dat [gedaagde] in ruil hiervoor gratis op het [adres 1] mocht wonen. [gedaagde] heeft gewezen op appjes en mails, waaruit blijkt dat [eiser] bijvoorbeeld aan zijn verzekeringsmaatschappij heeft bericht dat hij op het adres [adres 2] ging wonen. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] gezegd dat hij een appje heeft van [eiser] waarin hij het bestaan van de afspraak erkent. Ook heeft [gedaagde] tijdens de zitting de vraag opgeworpen waarom hij zijn vader gratis van zijn perceel gebruik zou laten maken als daar niet tegenover zou staan dat hij gratis op het [adres 1] zou mogen wonen.

3.9

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zijn stellingen onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd. Hij had bijvoorbeeld een kopie van de notariële akte, waarin het eeuwigdurend vruchtgebruik is gevestigd, kunnen indienen. Hetzelfde geldt voor een screenshot van het appje waarin de afspraak over de huur zou zijn bevestigd door [eiser] De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] over deze stukken de beschikking heeft of kon hebben. Daarom mocht van [gedaagde] worden verwacht dat hij deze in de procedure had ingebracht. In kort geding is geen ruimte voor nadere bewijslevering, dus de kantonrechter zal [gedaagde] niet in de gelegenheid stellen alsnog deze of andere bewijsstukken in te dienen.

3.10

De berichten van [eiser] waarin hij richting derden aangeeft op [adres 2] te gaan wonen, zijn onvoldoende. [eiser] heeft er namelijk terecht op gewezen dat hieruit niet volgt dat [gedaagde] geen huur meer hoefde te betalen. Ook is er latere correspondentie, waaruit blijkt dat [gedaagde] het perceel mogelijk wilde verkopen of zelf wilde gebruiken om een B&B te exploiteren. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidt dit er eerder op dat [eiser] geen gebruik (meer) mocht maken van het perceel.

3.11

Met de vraag die [gedaagde] tijdens de zitting heeft opgeworpen, zegt hij in feite dat het niet logisch zou zijn om zijn vader gratis van zijn perceel gebruik te laten maken als daar niet tegenover zou staan dat hij geen huur meer hoefde te betalen. De kantonrechter begrijpt de redenering van [gedaagde] , maar ook dit is onvoldoende om aannemelijk te vinden dat partijen die afspraak over de huur hebben gemaakt. Het is de kantonrechter (ambtshalve) bekend dat mensen allerlei afspraken maken en dingen doen, waarbij de logica soms ver te zoeken is of in ieder geval niet direct te vinden. Dat iets in de ogen van [gedaagde] onlogisch of onaannemelijk is, is dus niet relevant.

[gedaagde] moet de woning ontruimen

3.12

De conclusie is dat [gedaagde] niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat hij vanaf 1 januari 2024 geen huur meer hoefde te betalen. Hij heeft dus een huurachterstand van ongeveer anderhalf jaar. Een huurachterstand van die omvang leidt naar alle waarschijnlijkheid in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat er – gelet op het spoedeisende belang van [eiser] – in principe voldoende aanleiding is om in kort geding te bepalen dat [gedaagde] de woning moet ontruimen.

3.13

De kantonrechter weegt daarbij ook mee dat [gedaagde] tijdens de zitting heeft verklaard dat hij de huur wel kán betalen, maar dat hij dit uit principe niet doet en ook niet gaat doen. Er is dus geen concreet zicht op betaling. De vraag of [eiser] had moeten volstaan met een lichter middel dan een kort geding, is daarmee ook beantwoord. Een betalingsregeling is namelijk zinloos als de wederpartij (in dit geval [gedaagde] dus) sowieso weigert te betalen. En ook voor een zekerheidstelling is medewerking van de wederpartij vereist. Aangezien [gedaagde] vindt dat hij geen huur hoefde en hoeft te betalen, lijkt het scenario van een zekerheidstelling niet realistisch. Overigens heeft [gedaagde] zijn stellingen op dit punt ook niet nader geconcretiseerd.

3.14

Verder betrekt de kantonrechter in de belangenafweging dat [gedaagde] zelf onroerend goed bezit, onder andere in Utrecht. [eiser] heeft er op gewezen dat deze panden (deels) leeg staan en dat [gedaagde] daar dus zou kunnen gaan wonen. Daarnaast beschikt [gedaagde] over voldoende financiële middelen om bijvoorbeeld zelf een andere woning te huren. [gedaagde] heeft dit niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van wat [eiser] heeft gesteld. Dit betekent dat [gedaagde] alternatieve woonruimte heeft of kan vinden. Het door [gedaagde] aangevoerde woonbelang is daarom niet doorslaggevend. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het belang van [eiser] puur financieel zou zijn.

3.15

Uit het voorgaande volgt dat de ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn stelt de kantonrechter – anders dan gevorderd – vast op een termijn van veertien dagen zoals gebruikelijk in dit soort zaken. Omdat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard (zie 3.22 en 3.23), ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om aan de ontruiming een dwangsom te verbinden.

[gedaagde] moet de huurachterstand betalen en de huur plus servicekosten tot datum ontruiming

3.16

De gevorderde betaling van de huurachterstand van € 40.798,30 berekend tot 1 november 2026 wordt ook toegewezen. Het bestaan van deze vordering is voldoende aannemelijk omdat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter vast staat dat [gedaagde] ook na 1 januari 2024 huur moest betalen en dat niet heeft gedaan. De hoogte van het bedrag is bovendien door [gedaagde] niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het bedrag aan huurachterstand wordt vermeerderd met de rente vanaf de vervaldata van de niet (volledig) betaalde huurtermijnen. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een restitutierisico, met andere woorden dat [eiser] het geld niet zou kunnen terug betalen als de bodemrechter tot een ander oordeel komt.

3.17

[gedaagde] wordt ook veroordeeld tot betaling van de tweemaandelijkse huur inclusief servicekosten van € 2.399,902, vanaf 1 november 2026 tot de datum van de ontruiming. Ook hiervoor geldt dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een restitutierisico.

[gedaagde] hoeft niet de indexering van de huur te betalen

3.18

De gevorderde achterstallige indexering van de huur wordt afgewezen. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de indexering gemotiveerd betwist en [eiser] heeft tijdens de zitting erkend dat hij niet eerder aanspraak heeft gemaakt op de indexering. De kantonrechter oordeelt dat het bestaan en de opeisbaarheid van deze vordering op dit moment onvoldoende aannemelijk zijn. De vraag of deze vordering is verjaard, hoeft daarom niet meer te worden besproken.

[gedaagde] hoeft niet de indexering van de servicekosten te betalen

3.19

Van deze vordering heeft [eiser] tijdens de zitting erkend dat hij niet klopt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. De vraag of deze vordering is verjaard, hoeft daarom niet meer te worden besproken.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.20

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

753,00

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.915,02

3.21

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.22

[eiser] vordert dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet.

3.23

Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd in 3.13 en 3.14. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van [eiser] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] Daarom wordt het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan [adres 1] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :

  1. € 40.798,30 aan achterstallige huur tot en met 31 oktober 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen vanaf 16 september 2026, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,

  2. € 3.050,85 aan wettelijke rente berekend tot 16 september 2026,

c) € 2.399,90 per twee maanden vanaf 1 november 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.915,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

!

!

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »