RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12090415 \ UC EXPL 26-1059 wh 1031
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. A.M. Slootweg,
tegen
[de man] ,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. N. Schreurs.
1 De procedure
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- een brief van 7 augustus 2026 van mr Slootweg met productie 12
- een brief van 13 augustus 2026 van mr. Schreurs met productie 4.
Op 27 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben beide partijen nog een persoonlijke reflectie op de zaak gegeven.
De kantonrechter heeft vervolgens beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
Partijen zijn gehuwd geweest. Op [2025] is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. In deze procedure vordert de vrouw veroordeling van de man om te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen uit de verdeling van de gemeenschap. De man is het niet eens met de waarde van de auto waarvan de vrouw uitgaat voor de afwikkeling van de gemeenschap en met de rente die zij vordert. De kantonrechter gaat uit van de waarde zoals deze door de vrouw is berekend. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 27 januari 2026.
3 De beoordeling
In reconventie
Op de mondelinge behandeling heeft de man te kennen gegeven dat de vrouw met overlegging van de inboedellijst heeft voldaan aan zijn eis in reconventie. De vordering in reconventie is op de mondelinge behandeling met instemming van de vrouw ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
In conventie
De vrouw vordert van de man een bedrag van € 5.452,98 voor de afwikkeling van hun gemeenschap van goederen. Op basis van de inboedellijst die de vrouw heeft opgesteld heeft zij gesteld dat aan de man een bedrag van € 86,15 toekomt. De man is het eens met dit bedrag en dit bedrag moet dan ook verrekend worden met de totale vordering van de vrouw. Behalve de waarde van de auto heeft de man geen bezwaar gemaakt tegen de bedragen zoals vermeld in de berekening van vrouw in productie 4 bij de dagvaarding. De kantonrechter gaat dan ook van deze bedragen uit.
De waarde van de auto wordt vastgesteld op € 4.235
Partijen zijn het niet eens over de waarde van de auto. In de echtscheidingsbeschikking van [2025] van de rechtbank Midden-Nederland staat onder 3.10. wat partijen destijds op de mondelinge behandeling hebben afgesproken, over onder meer de auto. Zij zijn overeengekomen dat de auto wordt getaxeerd bij [onderneming] in [plaats 3] en dat de taxatiewaarde bindend is voor de verrekening van de waarde van de auto. De man moet de helft van de taxatiewaarde aan de vrouw betalen. De man stelt dat de waarde van de auto op € 1.500 is getaxeerd door [onderneming] en de vrouw stelt dat de auto door [onderneming] is getaxeerd op een bedrag van € 4.235. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw een kopie van het taxatierapport, dat is opgemaakt door [onderneming] op 16 december 2024, overgelegd. In dit taxatierapport staat dat de basiswaarde van de auto € 3.419 is. Op deze basiswaarde zijn correcties gedaan voor de “opties”, de “kilometers” en de “conditie exterieur” en vervolgens is als ‘Totale waarde’ genoemd een bedrag van € 4.235. Op dit rapport staat met de hand geschreven in het vak “Notitie” een bedrag van € 1.500. De man heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat de waarde van de auto € 1.500 is, een e-mail van 1 april 2026 overgelegd van een verkoopadviseur van [onderneming] waarin deze verklaart dat zijn collega de auto op 16 december 2024 heeft getaxeerd op een waarde van € 1.500. De kantonrechter is het eens met het standpunt van de vrouw dat dit bedrag van € 1.500 ziet op de waarde waarvoor [onderneming] de auto wilde overnemen. Dit wordt bevestigd door het feit dat de verkoopadviseur in zijn e-mail uitlegt hoe het verkoopproces van een auto verloopt en hij uitlegt dat € 1.500 de inruilwaarde is. In de laatste zin van zijn e-mail schrijft hij ook: “dit zijn slechts indicaties omdat de waardes van de aangesloten partijen voor ons gelden als inruilprijs.” De stelling van de man op de mondelinge behandeling dat de waarde van de auto nooit zo hoog kan zijn als de vrouw stelt, omdat de waarde van de auto bij verkoop aan particulieren hooguit 20% hoger ligt dan bij een professionele verkoper, heeft de man niet onderbouwd. De vrouw daarentegen heeft een koerslijst van de ANWB overgelegd waarin de waarde van de auto wordt geschat op € 5.950 bij aankoop door een particulier, wat dus nog een stuk hoger is dan het door [onderneming] getaxeerde bedrag. Gelet op al het bovenstaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat moet worden uitgegaan van de totale waarde van € 4.235 zoals op het taxatierapport van [onderneming] staat vermeld.
De man moet een bedrag van € 5.366,83 aan de vrouw betalen
Omdat wordt uitgegaan van een waarde van de auto van € 4.235 kan het overzicht van de vrouw als vermeld in productie 4 bij de dagvaarding worden gevolgd. Daarop moet alleen nog het in 3.2 genoemde bedrag van € 86,15 in mindering worden gebracht. De man moet dus nog een bedrag van € 5.366,83 (€ 5.452,98 - € 86,15) aan de vrouw betalen.
De man moet de wettelijke rente betalen vanaf 27 januari 2026
De vrouw vordert de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 januari 2026. De man betwist dat hij wettelijke rente verschuldigd is omdat de verdeling van de tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld. Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden afgesproken dat zij bij een echtscheiding zullen verrekenen alsof tussen hen een gemeenschap van goederen bestaat. Door dit afgesproken finale verrekeningsbeding is met de einde van het huwelijk de verplichting tot verrekeningen ontstaan. 1 De gevorderde wettelijke rente vanaf 27 januari 2026 wordt dan ook toegewezen. Het maakt daarbij niet uit dat de verrekeningsvordering nog niet volledig vast staat.
De proceskosten worden gecompenseerd
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad. De stelling van de man dat de kosten van deze procedure nodeloos zijn gemaakt gaat niet op. Partijen zijn het immers niet eens over de waarde van de auto en daarmee de nog te verrekenen vordering.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals de vrouw heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen – zo mogelijk – hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.366,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 27 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
verstaat dat de vordering met instemming van beide partijen is ingetrokken.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||