RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/5987 en UTR 26/5986
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres/verzoekster] , uit [plaats] , eiseres/verzoekster
(gemachtigde: mr. H.M. Mauritz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden
(gemachtigde: N. Kramer).
Waar gaat deze zaak over?
Eiseres/verzoekster (eiseres) heeft bij het college een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op medische gronden. Het college heeft deze aanvraag afgewezen met het besluit van 12 december 2025 omdat geen sprake is van een ontwrichtende situatie waardoor verhuizen op korte termijn binnen zes maanden medisch noodzakelijk is. Met het bestreden besluit van 19 mei 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Een gemachtigde van het college is, zonder bericht, niet op de zitting verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.1
Aanvraag
2. Eiseres woont in [plaats] . Zij heeft op 14 juni 2025 een aanvraag gedaan voor een urgentie op medische gronden. Eiseres heeft deze urgentie aangevraagd omdat haar huidige woonsituatie vanwege haar medische klachten door onder andere fibromyalgie en die van haar oudste zoon, [A (voornaam)] , niet langer passend is. Zij kan moeilijk traplopen door haar medische situatie. [A (voornaam)] heeft een chromosomale afwijking en motorische beperkingen, waardoor traplopen ook moeilijk en onveilig is.
Bestreden besluitvorming
3. Het college heeft [onderneming] gevraagd om over het verzoek om urgentie advies uit te brengen. [onderneming] heeft op 13 november 2025 medisch advies uitgebracht over [A (voornaam)] . In het advies is opgenomen dat het verhaal invoelbaar is, maar dat niet kan worden gesproken van een direct verband tussen de medische problematiek en de woonsituatie. Over eiseres zelf heeft [onderneming] op 17 november 2025 medisch advies uitgebracht. Daarin is ook opgenomen dat er geen sprake is van een medisch onhoudbare situatie. Eiseres heeft klachten bij traplopen, maar dat leidt niet tot onevenredige schade. Ook is de prognose van eiseres nog onduidelijk.
4. Gelet op de adviezen van [onderneming] heeft het college het verzoek om urgentie afgewezen. Er is volgens het college namelijk geen sprake van een ontwrichtende situatie waardoor verhuizen op korte termijn binnen zes maanden medisch noodzakelijk is. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor een urgentie op medische gronden. Ook is er geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. In het bestreden besluit heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Vergewisplicht
5. Eiseres voert aan dat zij wel voldoet aan de voorwaarden voor medische urgentie. Er is sprake van een onhoudbare woonsituatie, waardoor eiseres moet verhuizen vanwege medische redenen. Het college heeft volgens haar niet voldaan aan de vergewisplicht, waardoor de medische adviezen van [onderneming] niet konden worden gebruikt. Ten aanzien van het advies over eiseres zelf voert zij aan dat uit de brief van de reumatoloog van 10 juni 2025 volgt dat eiseres niet kan traplopen en dat dat te belastend is omdat het erge pijn veroorzaakt. Het algemene advies voor fibromyalgie is dat betrokkenen in beweging blijven, maar daar valt niet traplopen met het dragen van boodschappen en een kind onder. Ook staat in het advies dat er wellicht verbetering zal optreden, dat is onjuist. Fibromyalgie is niet te genezen en uit de informatie van de reumatoloog blijkt dat ook geen verbetering te verwachten valt. Ten aanzien van het advies van [A (voornaam)] wordt in het geheel voorbij gegaan aan het valgevaar. Dat is niet benoemd in het medisch advies. Dit terwijl de fysiotherapeut daar meerdere keren op wijst in haar brief van 3 april 2025. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres gericht tegen de medische adviezen ten onrechte niet betrokken.
6. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat volgens haar geen sprake is van een ernstig ontwrichtende situatie die uitsluitend kan worden opgelost door een verhuizing. Er is in de medische adviezen geen causaal verband vastgesteld tussen de woonsituatie en de medische situatie. Ook zijn er volgens het college geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid of juistheid van de medische adviezen.
Oordeel van de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de afwijzing van de urgentieaanvraag ten onrechte heeft gebaseerd op de adviezen van [onderneming] . Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een deskundige, als dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is en begrijpelijk is gemotiveerd, de zogenaamde vergewisplicht. 2 Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het medische advies van [onderneming] over eiseres zelf zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. In het medische advies staat bij beschouwing het volgende:
“Er is bij cliënt sprake van medische problematiek waarvoor ze onder behandeling is van een medisch specialist. Er is geen sprake van paramedische behandeling. Als gevolg van de medische problematiek is er sprake van een locomotore beperking met als gevolg een verminderde mobiliteit en functionaliteit. Het verhaal is reëel en invoelbaar en het is begrijpelijk dat de huidige woonsituatie op dit moment erg ongewenst is. Er kan echter niet gesproken worden van een situatie waarbij de toegankelijkheid van de woning zodanig belemmerd is dat cliënt de woning niet of nauwelijks meer kan verlaten of binnen kan gaan volgens de daarvoor opgestelde criteria. Tijdens het gesprek komt naar voren dat cliënt meerdere keren per dag de trappen op en af gaat. Het traplopen wordt ook geobserveerd tijdens het gesprek. Betrokkene heeft weliswaar klachten bij het traplopen. Het onderliggende ziektebeeld geeft geen medische contra-indicatie voor traplopen, dit zal niet
lijden tot onevenredige schade. Mobiliseren past ook in het beleid van de behandelend medisch specialist.
Daarnaast is de prognose op dit moment nog onduidelijk. Mogelijk kan er met een
aanvullend fysiotherapeutisch dan wel een revalidatietraject nog verbetering van haarklachten en mobiliteit optreden. Derhalve kan er nu niet gesproken worden van een medisch onhoudbare situatie.”
10. De voorzieningenrechter vindt niet inzichtelijk wat in het advies wordt bedoeld met dat de toegang van eiseres tot haar woning niet zodanig wordt belemmerd volgens ‘de daarvoor opgestelde criteria’. Onduidelijk is op welke criteria wordt gedoeld. Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is verteld blijkt daarnaast juist dat eiseres door haar medische situatie ernstig wordt belemmerd in de toegang tot haar woning, zij moet de trap vaak zittend af en moet geregeld een vriendin bellen die in de buurt woont om (met spullen of jongste kind) boven te komen. Daarnaast heeft de arts van [onderneming] eiseres geobserveerd met het traplopen, maar deze observatie heeft plaatsgevonden zonder dat zij een kind, spullen of boodschappen moest vasthouden. Daarnaast blijkt uit het advies niet wat de bevindingen van deze observatie zijn. Dit, terwijl de aanvraag onder andere is gedaan omdat eiseres niet met kinderen, spullen of boodschappen de trap op- en af kan lopen, althans niet zonder veel pijn. Ook is niet betrokken dat in de brief van de reumatoloog van 10 juni 2025 het volgende is opgenomen: “De klachten belemmeren het functioneren, kan niet traplopen, sporten en niet tillen.” De voorzieningenrechter vindt dit niet zorgvuldig.
11. Ten aanzien van het medisch advies van [A (voornaam)] is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarbij de situatie in verhouding tot de medische situatie van eiseres onvoldoende is betrokken. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij haar zoon onvoldoende naar buiten kan begeleiden. In het medisch advies over [A (voornaam)] staat: “Er is geen reden om aan te nemen dat cliënt ernstig wordt verstoord of geremd in de ontwikkeling als gevolg van de woonsituatie.” Deze conclusie in het medische advies kan de voorzieningenrechter niet volgen. Over [A (voornaam)] is juist in de brief van de fysiotherapeut van 3 april 2025 opgenomen dat voor zijn ontwikkeling een gevarieerde omgeving, waarbij hij naar buiten kan, helpend kan zijn voor een optimale motorische ontwikkeling. Nu wordt het buiten spelen bemoeilijkt omdat eiseres hem niet goed kan begeleiden naar buiten.
12. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de afwijzing van de urgentieaanvraag niet op de adviezen van [onderneming] mocht baseren omdat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en niet inzichtelijk en concludent zijn. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. Het beroep wordt gegrond verklaard.
13. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, worden de andere beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd niet meer besproken.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. De geconstateerde gebreken kunnen namelijk worden hersteld.
15. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college de reacties van eiseres op de adviezen van [onderneming] aan [onderneming] moet voorleggen voor een aanvullend medisch advies. Daarna moet het college een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. De voorzieningenrechter geeft het college hiervoor vier weken.
16. Omdat het beroep gegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
17. Omdat beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 mei 2026;
- draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.