RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7377
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Vrijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de plaatsing van twee fietstrommels op een parkeerplaats ter hoogte van de [adres] in [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt.
De plaatsing van de twee fietstrommels is aangekondigd in het Wijkbericht van augustus 2026, waartegen ook bezwaar is gemaakt. Verder wijst verzoeker erop dat fysieke parkeerverbodsborden zijn geplaatst waaruit blijkt dat de werkzaamheden vanaf 31 augustus 2026 uitgevoerd zullen worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening is volgens verzoeker gericht tegen het besluit zoals dat is vervat in het Wijkbericht en tegen de feitelijke uitvoeringshandelingen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het Wijkbericht niet als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.1 Het Wijkbericht voldoet weliswaar aan het schriftelijkheidsvereiste, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt het plaatsen van fietstrommels niet aan te merken als publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het plaatsen van de fietstrommels in de openbare ruimte valt geen publiekrechtelijke grondslag aan te wijzen. Het staat de gemeente als beschikkingsbevoegde van de grond vrij om ter invulling van het gemeentelijk fietsparkeerbeleid fietstrommels in de openbare ruimte te plaatsen. Het plaatsen van straatmeubilair is op grond van de Omgevingswet vergunningvrij.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevat het Wijkbericht een mededeling tot feitelijk handelen en treedt daarmee geen rechtsgevolg in. Omdat het plaatsen van de fietstrommels een feitelijke handeling is, is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar of beroep bij de bestuursrechter openstaat. Het verzoek voldoet daarom niet aan de wettelijke eis dat het moet zijn gericht tegen een besluit
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.