RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2604639:R-RK
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord) van
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
[schuldeiser] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders Velthoven De Koning,
hierna te noemen: [schuldeiser] .
1 De procedure
[verzoeker] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.
Het verzoek is behandeld op de zitting van dinsdag 30 juni 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- [B] , namens Stichting Stadsring;
- [C] namens [handelsnaam] t.h.o.d.n. [handelsnaam] .
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] is alleenstaand. Hij ontvangt een PW-uitkering € 1.300,61. [verzoeker] heeft negen schuldeisers die in totaal € 29.256,17 van hem te vorderen hebben.
[verzoeker] heeft op 26 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Er is namens hem 3,03%, tegen finale kwijting, aangeboden aan de concurrente schuldeisers.
De onder 2.2 bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [schuldeiser] geaccepteerd.
[schuldeiser] heeft een vordering uitstaan van € 9.557,91. Dit was ten tijde van het aanbod 32,7% van de totale schuldenlast. [schuldeiser] is niet akkoord gegaan met het aanbod van [verzoeker] . [schuldeiser] heeft in het verweer aangevoerd dat er geen onderbouwing is gekomen van de stelling dat verzoeker niet in staat is om te werken tijdens de schuldregeling. De toelichting die door schuldhulpverlening is gegeven geeft [schuldeiser] onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de beperkingen van [verzoeker] . Er zijn geen stukken overlegd waaruit blijkt welke medische, arbeidskundige of andere objectieve omstandigheden aan de conclusie, dat [verzoeker] niet kan werken, ten grondslag liggen. Daarnaast zijn er ondanks het langdurige traject alsnog schulden ontstaan. Er mist volgens [schuldeiser] ook een concrete toelichting op hoe er voorkomen gaat worden dat er in de toekomst weer schulden ontstaan.
3 De beoordeling
Het uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een volledige uitkering, staat het belang van [schuldeiser] vast.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en/of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de situatie dat op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid tot de weigering kon komen, gekeken moeten worden naar de inhoud van de schuldenregeling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord in beginsel aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat [schuldeiser] in alle redelijkheid het aanbod heeft kunnen weigeren. De rechtbank constateert dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is om te werken. Derhalve is niet vast komen te staan dat [verzoeker] aan zijn inspanningsverplichting voldoet en een maximaal aanbod heeft gedaan aan zijn schuldeisers.
In het geval van een wettelijke schuldsanering zal er een bewindvoerder worden aangesteld die er op toezien dat [verzoeker] maximaal afdraagt voor zijn schuldeisers. Ook zal de bewindvoerder toezicht houden op de (mogelijke) inspanningsverplichting van [verzoeker] .
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [verzoeker] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal worden afgewezen.
Voor het geval het verzoek zou worden afgewezen, heeft [verzoeker] verklaard het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te handhaven. Voor het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal een andere zitting worden gepland.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.1