RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Toezicht
Locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/21/72 F
Vonnis op grond van artikel 18 Fw (vernietiging opheffing faillissement) d.d. 17 juli 2026
in de zaak van
1. de heer
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap
[verzoekster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. de besloten vennootschap
[verzoekster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr W. Boeters
strekkende tot vernietiging van de opheffing van het faillissement van
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] .
1 De procedure
Op 9 maart 2021 is het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap [verweerder] B.V., daarbij is mr. C.J. Hofman benoemd als rechter-commissaris en mr. R. Meulenberg aangesteld als curator.
Bij beschikking van 9 juni 2026 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten. Op 10 juni 2026 is dit gepubliceerd in het Centraal Insolventieregister.
Op 7 juli 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen, namens de heer [verzoeker] , de besloten vennootschap [verzoekster 1] B.V. en de besloten vennootschap [verzoekster 2] B.V.
2 De beoordeling
In het verzoekschrift wordt primair een verzoek gedaan op grond van artikel 69 Faillissementswet (Fw) aan de rechter-commissaris. Subsidiair wordt gevraagd om de opheffing van het faillissement te vernietigen op grond van artikel 18 Fw.
Omdat het faillissement werd beëindigd, is de rechter-commissaris niet meer in functie, zodat ook geen verzoek tot de rechter-commissaris kan worden gericht. De rechtbank zal daarom het subsidiaire verzoek in behandeling nemen.
Op grond van artikel 9 Fw is het mogelijk hoger beroep in dienen tegen het vonnis opheffing faillissement. Hoger beroep zal echter moeten worden ingediend bij het hof. Het verzoek zoals dat is gedaan aan de rechtbank kan daarom niet worden ontvangen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. De termijn voor hoger beroep tegen de opheffing van een faillissement bedraagt 8 dagen. Deze termijn verstreek op 17 juni 2026. Het verzoekschrift is op 7 juli 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen, dit is na de uiterste datum waarop verzet bij het hof had kunnen worden ingesteld.
3 De beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.