RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2615746:R-RK
Uitspraakdatum: 6 juli 2026
Uitspraak op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , Ethiopië,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
bijgestaan door: M. Raaijmakers, namens Holland Advocatenkantoor,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
Stichting Stichting Portaal,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarder Jongerius,
hierna te noemen: Stichting Portaal.
1 De procedure
De procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
- de zitting van maandag 6 juli 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- M. Raaijmakers, namens Holland Advocatenkantoor.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2 Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 10 juni 2026. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen dan wel – als dat niet lukt– toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal verzoeken.
Stichting Portaal is niet op de zitting van 6 juli 2026 verschenen. Jongerius heeft namens Stichting Portaal een verweer ingediend. Zij geven hier in aan dat de situatie al een langere tijd speelt. Er zijn al eerder ontruimingen aangezegd. Daarnaast is er al eerder schuldhulpverlening opgestart en dat [verzoeker] zijn medewerking hieraan heeft gestaakt. [verzoeker] heeft wat Stichting Portaal betreft alle kansen en gelegenheid ruimschoots gehad.
3 De beoordeling
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw strekt ertoe om een adempauze te creëren die [verzoeker] in staat stelt het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling te bereiken of af te ronden. Voor het geven van de voorziening is van belang dat er zicht is op een mogelijke schuldregeling en dat de lopende verplichtingen gedurende de adempauze kunnen worden voldaan.
De rechtbank moet beoordelen of de lopende verplichtingen gedurende de voorziening kunnen en zullen worden voldaan.
[verzoeker] is alleenstaand en werkt op dit moment niet. Er is op dit moment geen huurachterstand, enkel een achterstand in de proceskosten waartoe hij veroordeeld is. [verzoeker] betaalt de huur vaak te laat. [verzoeker] heeft sinds 3 juli 2026 een beschermingsbewindvoerder. Hierdoor zou het niet meer voor moeten komen dat de huur te laat wordt betaald. Uit het budgetplan blijkt ook dat [verzoeker] voldoende middelen heeft om de huur te betalen.
De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat er sprake is van een bedreigende situatie en het belang van [verzoeker] om gedurende een schuldhulpverleningstraject in de woning te mogen blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van Stichting Portaal om de woning vanwege de huidige huurachterstand te mogen ontruimen. De rechtbank laat hierbij zwaar meewegen dat [verzoeker] nu een beschermingsbewindvoerder heeft en de schuldenlast vrij overzichtelijk is.
Door de toewijzing van het verzoek is Stichting Portaal de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur over de aankomende zes maanden en de volgende maanden door [verzoeker] steeds tijdig wordt voldaan. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Stichting Portaal de ontruiming opnieuw aanzeggen.
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.
4 De beslissing
De rechtbank:
schorst de tenuitvoerlegging van het op 10 juni 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres, [adres] , [postcode] [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan;
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden;
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
bepaalt dat mr. Raaijmakers, die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.