ECLI:NL:RBMNE:2026:5650

Datum uitspraak
29-06-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2607364:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Dwangakkoord WSNP. Afwijzing. De Belastingdienst is veruit de grootste schuldeiser. De weigering van de Belastingdienst is niet onredelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Utrecht

Rekestnummer: NL:TZ:2607364:R-RK

Vonnis van

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,

hierna: [verzoeker] ,

tegen

De ontvanger van de Belastingdienst,

gevestigd en kantoorhoudende te Heerlen,

hierna: de Belastingdienst,

tot het bevelen van voornoemde schuldeiser(s) in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.

1 De procedure

1.1

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van maandag 22 juni 2026, waarbij aanwezig waren:

- de heer [verzoeker] ;

- mevrouw [A.] en de heer [B.] , namens Regionale Sociale Dienst [gemeente] ;

- de heer [C.] en de heer [D.] , namens de Belastingdienst.

2 De feiten

2.1

[verzoeker] heeft een schuldenlast van € 191.852,83. Er zijn negen schuldeisers.

2.2

[verzoeker] heeft een bouwbedrijf. De onderneming is onderzocht en [verzoeker] heeft een bbz-krediet gekregen om zijn problematische schulden af te lossen. Op 19 augustus 2025 bood [verzoeker] een schuldregeling aan zijn schuldeisers aan. Dit aanbod houdt in dat [verzoeker] 7,03% zal betalen op de vorderingen van zijn concurrente schuldeisers en 14,06% van de vorderingen van de preferente schuldeisers.

2.3

De onder 2.2. genoemde schuldregeling is door alle schuldeisers aanvaard behalve door de Belastingdienst.

3 Het verweer

3.1

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Fw en daarmee de Belastingdienst bevolen om in te stemmen met het in 2.2. genoemde aanbod.

3.2

De Belastingdienst bestrijdt dit verzoek.

3.3

Allereerst voert de Belastingdienst aan dat zij het verzoek heeft afgewezen, omdat het bij de Belastingdienst niet bekend was of de schuldeisers instemden met de aangeboden schuldregeling. Daarbij wist [verzoeker] , of kon hij redelijkerwijs vermoeden, dat er een belastingaanslag zou worden opgelegd. [verzoeker] heeft geen middelen gereserveerd om er voor te zorgen dat hij de belasting wel zou kunnen betalen. De schulden zijn dan ook niet te goeder trouw ontstaan, aldus de Belastingdienst. Daarnaast betwijfelt de Belastingdienst of [verzoeker] aan zijn lopende verplichtingen voldoet, omdat [verzoeker] heeft aangegeven in 2025 geen omzet te hebben gerealiseerd. Tevens benadrukt de Belastingdienst dat zij de grootste schuldeiser is en 92,79% vertegenwoordigt van de totale schuldenlast.

4 De beoordeling

4.1

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als de weigerachtige schuldeiser, in dit geval de Belastingdienst, in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de het belang dat de Belastingdienst heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) zal worden toegelaten.

4.2

De schulden zijn ontstaan doordat [verzoeker] door een blessure en ziekte zijn werkzaamheden voor zijn onderneming moest stoppen. Daardoor ontstonden financiële tekorten. Na zijn ziekte is [verzoeker] op te grote voet gaan leven. Nu werkt [verzoeker] weer en krijgt hij hulp bij het regelen van zijn financiën middels budgetbeheer.

4.3

Bij de beoordeling weegt het belang van de Belastingdienst zwaar. De Belastingdienst is veruit de grootste schuldeiser van [verzoeker] . De weigering van de Belastingdienst is ook niet onredelijk. De Belastingdienst heeft geweigerd, omdat [verzoeker] niet voldoet aan zijn lopende belastingverplichtingen. [verzoeker] heeft verklaard dat dit via zijn boekhouder of budgetbeheerder zou worden geregeld, maar ter zitting kon geen duidelijkheid worden verkregen over de betaling van de lopende verplichtingen. Ook kan de Belastingdienst niet onderzoeken of het aan haar gedane aanbod het maximaal haalbare is, doordat er geen berekening van het vrij te laten bedrag is meegestuurd. Anders dan de schuldhulpverlening heeft gesteld, moet – ook als iemand een onderneming heeft – uit de berekening van het vrij te laten bedrag blijken welk deel van de inkomsten uit de onderneming iemand mag behouden. De overige inkomsten kunnen dan voor de schuldeisers worden gespaard. De Belastingdienst heeft geconstateerd dat [verzoeker] bij de Belastingdienst in 2025 geen omzet heeft aangegeven. Het is daarom de vraag of de onderneming daadwerkelijk levensvatbaar is. Op basis van de in het dossier aanwezige stukken blijkt in 2025 weldegelijk omzet te zijn gemaakt, maar waarschijnlijk minder dan verwacht. De omzet van 2025 bedraagt € 78.000,00, terwijl het levensvatbaarheidsonderzoek uitgaat van een omzet van € 82.000,00.

4.4

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de Belastingdienst in redelijkheid haar instemming aan de schuldenregeling heeft onthouden en het verzoek moet worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst het verzoek af.

Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »