ECLI:NL:RBMNE:2026:5462

Datum uitspraak
11-08-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
26-007804
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

douanebeslag - voertuig met verborgen ruimte

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

parketnummer : 16-262728-25

raadkamernummer : 26-007804

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Pakistan),

hierna: klager,

tevens beslagene,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 6 oktober 2025 door de politie onder klager in beslag is genomen: een personenauto Mercedes E 220 D, (Duits) kenteken [kenteken] , verder het voertuig te noemen.

Op 24 oktober 2025 is het beslag overgedragen aan de douane. Bij brief van 4 maart 2026 heeft de inspecteur van douane klager meegedeeld dat hij het voertuig in beslag genomen heeft op grond van art. 1:37 van de Algemene douanewet (douanebeslag).

Procedure

Het klaagschrift is op 16 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 9 april 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De raadkamer heeft op 26 mei 2026 het onderzoek ter zitting aangehouden om de inspecteur van douane op te roepen op grond van artikel 1:37 lid 6 van de Algemene douanewet.

De rechtbank heeft op 14 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. Y. Bouchikhi en de officier van justitie op zitting gehoord. Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inspecteur van douane is niet in raadkamer verschenen, hoewel daartoe goed opgeroepen.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het in beslag genomen voertuig.

Namens klager is aangevoerd dat het douanebeslag niet rechtmatig is omdat in het voertuig geen verborgen ruimte in zit, zoals bedoeld in atikel 1:37 van de Algemene douanewet. De raadsman heeft verzocht om teruggave van het voertuig, al dan niet na verwijdering of onklaar making van de ruimte in kwestie, zodat het verkocht kan worden en de opbrengst daarvan kan worden gebruikt voor de uitvaart van klager, die terminaal ziek is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat klagers familie niet over veel geld beschikt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het voertuig aan klager omdat uit onderzoek blijkt dat het voertuig een verborgen ruimte heeft.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De raadkamer overweegt dat aan klager op 4 maart 2026 is meegedeeld dat op het voertuig douanebeslag rust. Namens klager is op 16 maart 2026 een klaagschrift ingediend. Dat is binnen de in artikel 1:37 lid 5 van de Algemene douanewet gegeven termijn van een maand.

De raadkamer oordeelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend. Klager is ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling

Uit het dossier blijkt het volgende:

De politie heeft het voertuig, naar aanleiding van een ANPR melding in verband met ondermijning, gecontroleerd en vond daarbij achter de bestuurdersstoel een bigshopper met

meerdere gebundelde biljetten, in totaal € 86.000. Bij nader onderzoek van het voertuig trof de verbalisant meerdere indicatoren aan voor een verbogen ruimte. Op de vraag wat de werking van deze ruimte was, verklaarde klager - nadat hem de cautie was gegeven en met gebruikmaking van een tolk - dat er een knop in het middenconsole zat, maar dat de verborgen ruimte in zijn voertuig niet werkte. De verbalisant maakte vervolgens contact met een schroef in het middenconsole, hoorde een klikkend geluid alsof er een slot open ging en zag dat de (verborgen) ruimte zich opende. De ruimte was leeg. (pagina 47, 66, 67, 151 t/m 156 van het procesdossier).

Nader onderzoek door de douane heeft deze bevindingen bevestigd. In het rapport van 9 november 2025 van de douane staat onder meer het volgende:

“In de vloer van de kofferbak locatie tussen reservewiel en achterbank is er onder de

gestoffeerde kunststof vloerplaat een metalen klep constructie gemaakt. Deze metalen plaat is boven een bestaande kunststof kap gemaakt. In deze kap is een gat gemaakt wat toegang

geeft tot een bestaande ruimte die aangepast is als een verborgen bergruimte. De metalen

klep is voorzien van een elektrische slot systeem.

Aanpassingen: In de verborgen bergruimte is gecreëerd door een metalen klep constructie te maken. De klep zijnde de vloerkofferbak is beweegbare gemaakt door een scharnieren. Om de klep te openen is er een niet origineel bediening systeem gecreëerd door middel van een 12 volt constructie via een USB aansluiting.”

De raadkamer oordeelt dat uit het dossier blijkt dat in het voertuig een verborgen ruimte is aangebracht, dat klager daar bij de aanhouding van op de hoogte was en dat hij wist hoe deze werkte. Het voertuig moet daarom worden aangemerkt als een vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, als bedoeld in art. 1:37 Algemene douanewet.

Op het voertuig is dus rechtmatig beslag gelegd en het klaagschrift is in zoverre ongegrond.

Teruggave in bijzondere gevallen

De raadsman heeft subsidiair verzocht het voertuig onder voorwaarden aan klager terug te geven, bijvoorbeeld na verwijdering of onklaar making van de ruimte in kwestie.

De raadkamer overweegt dat op grond van artikel 1:37 lid 8 van de Algemene douanewet de Minister van Financiën daartoe bevoegd is, en niet de beklagrechter.

Het klaagschrift is daarom ook in zoverre ongegrond.

Omdat ongegrondverklaring van het klaagschrift (mits onherroepelijk) er op grond van artikel 1:37 lid 4 van de Algemene douanewet toe leidt dat het in beslag genomen voorwerp vervalt aan de Staat, ziet de rechter zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding is om gebruik te maken van de bevoegdheid om een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming toe te kennen. Op grond van art. 33c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht wordt een dergelijke vergoeding of geldelijke tegemoetkoming toegekend bij verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer, wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de betrokkene hierdoor onevenredig zou worden getroffen.

De raadkamer overweegt ambtshalve dat niet is gesteld en/of gebleken dat klager, onder de hiervoor weergegeven omstandigheden (hij reed in het voertuig, wist van de verborgen ruimte en kende de werking ervan), in combinatie met het ontbreken van concrete informatie over de waarde van het voertuig en/of klagers financiële omstandigheden, door het verval van het voertuig aan de Staat onevenredig wordt getroffen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »