ECLI:NL:RBMNE:2026:5055

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/612040 / KG ZA 26-301
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk geworden dat Oskam Bunnik heeft voldaan aan veroordeling van gerechtshof, zodat de vordering tot oplegging van dwangsom aan veroordeling wordt toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/612040 / KG ZA 26-301

Vonnis in kort geding van 21 juli 2026

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],

wonend in [woonplaats] ,3. [eiser sub 3],

wonend in [woonplaats] ,4. [eiser sub 4],

wonend in Odijk,5. [eiser sub 5],

wonend in [woonplaats] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,

advocaat: mr. A.A.M. Broos,

tegen

[gedaagde] .,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. B.F.M. Evers.

1 De procedure

1.1

De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 5;

- de akte met aanvullende producties 14 tot en met 18 van [eisers c.s]

1.2

Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar de heren [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 5] zijn verschenen met hun advocaat. Namens [gedaagde] was aanwezig de heer [A] (bestuurder/eigenaar van [gedaagde] ) en de heer [B] (controller bij [gedaagde] ). Ook zij zijn bijgestaan door de advocaat. Als belangstellende was ook de heer [C] aanwezig. Door of namens beide partijen zijn de standpunten toegelicht, waarbij de advocaten gebruik hebben gemaakt van

spreekaantekeningen. Ook hebben zij de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord en

hebben zij op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is

besproken.

1.3

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat er vandaag een vonnis zal komen.

2 De kern van de zaak

[eisers c.s] zijn in dienst geweest van [gedaagde] en zijn inmiddels met pensioen. [gedaagde] heeft in strijd met de pensioenovereenkomsten met [eisers c.s] gehandeld door de indexeringsregeling die daarvan deel uitmaakte stop te zetten. Deze indexeringsregeling was via een zogenoemde CBSI-overeenkomst ondergebracht bij Bpf Bouw.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 10 februari 2026 veroordeeld tot (af)financiering van de overeengekomen indexeringsregeling voor de periode tot 1 januari 2026. Aan de veroordeling is geen dwangsom verbonden. In het arrest (randnummer 3.21) staat daarover dat het gerechtshof geen aanleiding ziet aan te nemen dat [gedaagde] niet zal nakomen en daarom in dit stadium de dwangsom afwijst.

Volgens [eisers c.s] heeft [gedaagde] tot op heden niet voldaan aan het arrest. [eisers c.s] vordert daarom in deze procedure alsnog een dwangsom te verbinden aan de veroordeling als pressiemiddel om na te komen. [gedaagde] voert als verweer dat zij aan een deel van de veroordeling heeft voldaan, maar dat voldoening aan het andere deel niet mogelijk is omdat zij hiervoor geen pensioenuitvoerder kan vinden. Volgens [gedaagde] is dus sprake van overmacht en is de vordering van [eisers c.s] daarom niet in lijn met het doel van de dwangsom.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de veroordeling van het gerechtshof. Het is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] niet aan de veroordeling kan voldoen. Het beroep op overmacht wordt dus verworpen. De vordering tot het opleggen van dwangsommen wordt toegewezen zoals hierna zal worden vermeld. De vorderingen in reconventie worden afgewezen.

3 De achtergrond van het geschil

3.1

[eisers c.s] heeft in het verleden bij [gedaagde] gewerkt. Hij is inmiddels met pensioen.

3.2

De activiteiten van [gedaagde] vallen onder de werkingssfeeromschrijving van de verplichtstellingsbeschikking van Bpf Bouw. Vanaf 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 was [gedaagde] gedispenseerd van deelname aan de pensioenregeling van Bpf Bouw. De werknemers van [gedaagde] , onder wie ook [eisers c.s] , hebben gedurende die periode pensioen opgebouwd in een pensioenregeling van [gedaagde] bij Nationale Nederlanden (verder: NN). Vanaf 1 januari 2007 is de dispensatie geëindigd en bouwden de werknemers van [gedaagde] pensioen op bij Bpf Bouw. De bij NN opgebouwde pensioenaanspraken zijn achtergebleven bij NN. De indexering van deze pensioenaanspraken heeft [gedaagde] vanaf 1 januari 2007 ondergebracht bij Bpf Bouw door middel van een uitvoeringsovereenkomst met de naam “CBSI-overeenkomst”.

3.3

De bij NN opgebouwde pensioenaanspraken van de pensioengerechtigden zijn tot 1 januari 2022 jaarlijks geïndexeerd met de percentages waarmee Bpf Bouw de bij haar opgebouwde pensioenen heeft geïndexeerd. [gedaagde] heeft de CBSI-overeenkomst met Bpf Bouw opgezegd per 1 januari 2022. [gedaagde] heeft de pensioengerechtigden dit meegedeeld per brief van 12 september 2022 en daarin meegedeeld dat er vanaf 1 januari 2022 geen verhoging van de pensioenuitkeringen meer zal plaatsvinden. Daarmee heeft [gedaagde] de indexeringsregeling die onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling beëindigd.

3.4

FNV heeft namens [eisers c.s] bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de indexatieregeling door [gedaagde] .

3.5

Bpf Bouw heeft de pensioenen van pensioengerechtigden en slapers per 1 januari 2022 verhoogd met 1,76%, per 1 juli 2022 met 0,79%, per 1 januari 2023 met 14,52% en per 1 januari 2025 met 0,75%.

3.6

[eisers c.s] zijn een procedure tegen [gedaagde] gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. In deze procedure heeft [eisers c.s] aanspraak gemaakt op onderbrenging en financiering van indexatie op hun bij NN ondergebrachte pensioenaanspraken per 1 januari 2022 van 1,76% per 1 juli 2022 van 0,79%, per 1 januari 2023 van 14,52% en per 1 januari 2025 van 0,75% . Bij vonnis van 24 april 2024 heeft de kantonrechter [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van deze indexeringsregeling. De kantonrechter heeft het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat niet kon worden uitgesloten dat [gedaagde] na het vonnis in eerste aanleg een voorstel tot gedeeltelijke wijziging van de indexeringsregeling zou doen dat door het gerechtshof redelijk zou worden gevonden.

3.7

Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is opnieuw geoordeeld over de beëindiging van de indexeringsregeling. [gedaagde] heeft geen ander voorstel gedaan tot wijziging van de overeengekomen regeling. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 februari 2026 geoordeeld dat [gedaagde] niet gerechtigd was om de indexatieregeling jegens [eisers c.s] eenzijdig te beëindigen. In dat kader is een verklaring voor recht afgegeven dat [gedaagde] de bij NN opgebouwde pensioenaanspraken van [eisers c.s] moet indexeren volgens de indexaties die Bpf Bouw aan haar gepensioneerden en slapers heeft toegekend. De veroordeling is overeenkomstig de gewijzigde eis beperkt tot de periode tot 1 januari 2026 omdat Bpf Bouw per die datum is overgegaan op een nieuwe pensioenregeling die voldoet aan de WTP. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld en de termijn hiervoor is ook verstreken. De veroordeling heeft daarom inmiddels kracht en gezag van gewijsde.

4 De beoordeling

4.1

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Het spoedeisend belang

4.2

Gelet op de aard van de vordering heeft [eisers c.s] een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een vordering tot indexatie van een bestaande pensioenaanspraak. De indexatie betreft een verhoging van de pensioenaanspraak en de spoedeisendheid ligt in een dergelijke vordering besloten.

[gedaagde] heeft niet voldaan aan de veroordeling

4.3

Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt dat [gedaagde] is veroordeeld om bij Bpf Bouw, NN dan wel een andere pensioenuitvoerder een opgave op te vragen van de koopsommen die verschuldigd zijn om de door Bpf Bouw per 1 januari 2022 (1,76%), 1 juli 2022 (0,79%), 1 januari 2023 (14,52%) en 1 januari 2025 (0,75%) toegekende indexaties voor [eisers c.s] in te kopen en deze koopsommen binnen één maand na ontvangst van die opgave te voldoen.

4.4

[eisers c.s] stelt dat al sinds eind 2022 wordt geprobeerd om [gedaagde] te bewegen om de indexeringsverplichting te voldoen. Tot op heden heeft [gedaagde] geen enkel schriftelijk bewijs van uitvoering aan de veroordeling van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verstrekt en is [gedaagde] duidelijk onwillig om de indexeringsverplichting jegens [eisers c.s] na te komen.

[eisers c.s] stelt verder dat met het onderbrengen en (af)financieren van de betreffende indexaties logischerwijs enige tijd gemoeid is. Het hof is hierbij uitgegaan van een termijn van drie maanden. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken, zodat [eisers c.s] niet anders kan dan opnieuw een procedure aanhangig maken.

4.5

Namens [gedaagde] is aangevoerd dat [gedaagde] precies dat heeft gedaan waartoe zij veroordeeld is. Zij heeft zich namelijk op grond van de veroordeling van het gerechtshof gewend tot Bpf Bouw, Nationale Nederlanden en Aegon/a.s.r. met het verzoek een opgave te verstrekken voor de inkoop van de onder 4.4. genoemde indexaties. Geen van de pensioenuitvoerders heeft hierop echter aan [gedaagde] een opgave verstrekt. Omdat [gedaagde] deze opgave niet heeft ontvangen, kan zij aan het tweede deel van de veroordeling, namelijk het betalen van de koopsom, niet voldoen. Van onwilligheid is volgens haar geen sprake.

4.6

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] niet aan het eerste deel van de veroordeling door het gerechtshof heeft voldaan. Het eerste deel van de veroordeling luidt als volgt:

“…

- primair Bpf Bouw, subsidiair Nationale Nederlanden, uiterst subsidiair een andere pensioenuitvoerder naar keuze van [gedaagde] schriftelijk dient te verzoeken, met gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit verzoek aan de pensioengerechtigden, een opgave te doen van de koopsommen die nodig zijn om aan de pensioengerechtigden per 1 januari 2022 een indexatie van 1,76%, per 1 juli 2022 een indexatie van 0,79%, per 1 januari 2023 een indexatie van 14,52% en per 1 januari 2025 een indexatie van 0,75% toe te kennen op hun bij Nationale Nederlanden ondergebrachte pensioenaanspraken…”

4.7

Bij het verzoeken om opgaves van te betalen koopsommen, was het een voorwaarde (zo blijkt uit het dictum) dat [gedaagde] afschriften van deze verzoeken zou verstrekken aan [eisers c.s] Het is niet gebleken dat [gedaagde] aan deze voorwaarde heeft voldaan. [eisers c.s] heeft niet eerder dan bij conclusie van antwoord kennisgenomen van deze aanvragen1. Op dit punt is dus niet voldaan aan de veroordeling bij arrest.

4.8

Verder is het zo dat uit de opgave van NN niet blijkt dat het onmogelijk is om de (af)financiering van de indexatie daar onder te brengen. NN schrijft namelijk:

“Bij het verlenen van de toeslagen mogen we geen onderscheid maken in de verschillende groepen. Dit betekent dat alle deelnemers die onder de toeslagregeling vallen worden meegenomen met de indexatie als de uitvoering bij NN wordt ondergebracht.”

De voorzieningenrechter begrijpt het bericht van NN in het licht van het volgende. Op het moment van het beëindigen van de CBSI-overeenkomst per 1 januari 2022 waren daarin, volgens opgave van [gedaagde] , 62 (voormalig) werknemers en gepensioneerden opgenomen. Een aantal van 56 hiervan hebben niet geprotesteerd tegen de beëindiging van de CBSI-overeenkomst, [eisers c.s] wel. Uit het bericht van NN volgt dat zij geen onderscheid mag maken in het deelnemersbestand en dat als de uitvoering van de indexatie van [eisers c.s] wordt ondergebracht bij NN dit eveneens zou moeten gelden voor de overige (oud) werknemers van [gedaagde] . Dit standpunt van NN lijkt de voorzieningenrechter ook logisch, gelet op artikel 58 Pensioenwet waarin het beginsel van gelijke behandeling bij het verlenen van toeslagen van gepensioneerden en slapers is opgenomen.

4.9

Gelet op de inhoud van het bericht van NN is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de inkoop van de indexaties van de pensioenaanspraken niet bij NN zou kunnen. NN lijkt hiertoe namelijk wel degelijk bereid, maar alleen als dit gebeurt voor het gehele deelnemersbestand. Dat NN dit als voorwaarde noemt, is een omstandigheid die uit de wet voortvloeit en die niet aan [eisers c.s] kan worden tegengeworpen.

4.10

Van overmacht om aan het tweede deel van de veroordeling door het hof te voldoen, is evenmin sprake. Het tweede deel van de veroordeling door het hof ziet op:

“…

- de door de betreffende pensioenuitvoerder vastgestelde koopsommen binnen 1 maand na de datering van de opgave ten behoeve van de pensioengerechtigden aan de betreffende pensioenuitvoerder dient over te maken, dit op een dusdanige wijze dat het in de rede ligt dat de betreffende pensioenuitvoerder voormelde indexaties daadwerkelijk aan de pensioengerechtigden toekent;”

4.11

Dat NN niet een koopsom heeft vastgesteld, heeft [gedaagde] aan zichzelf te wijten, nu zij bij de aanvraag specifiek heeft gevraagd om dit enkel voor [eisers c.s] vast te stellen en niet voor het gehele deelnemersbestand. Nadat NN hier afwijzend op reageerde, heeft [gedaagde] niet gevraagd om een opgave voor het gehele deelnemersbestand, inclusief dus voor [eisers c.s] . Van overmacht is daarom geen sprake.

4.12

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] wel aan de veroordeling, zoals uitgesproken door het gerechtshof, had kunnen voldoen, maar dit tot op heden niet heeft gedaan. Aannemelijk is dat [gedaagde] bij NN een verzoek kan doen voor opgave van de koopsommen die nodig zijn om aan alle pensioengerechtigden per 1 januari 2022 een indexatie van 1,76%, per 1 juli 2022 een indexatie van 0,79%, per 1 januari 2023 een indexatie van 14,52% en per 1 januari 2025 een indexatie van 0,75% toe te kennen op hun bij Nationale Nederlanden ondergebrachte pensioenaanspraken. [gedaagde] dient aan NN (of een andere pensioenuitvoerder) te verzoeken deze opgave op de kortst mogelijke termijn te verstrekken en om deze opgave gelijktijdig aan [eisers c.s] en de advocaat toe te zenden.

4.13

De alternatieve oplossing, zoals door [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure aan [eisers c.s] is voorgesteld, is niet aan de orde. Het onderbrengen van de indexaties lijkt namelijk wel mogelijk.

4.14

Namens [gedaagde] is nog aangevoerd dat haar financiële positie het niet toelaat om aan de veroordeling te voldoen. Dat dit zo zou zijn, heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbij gaat.

De gevorderde dwangsommen worden toegewezen

4.15

Uit de veroordeling door het gerechtshof volgt dat het gerechtshof welbewust heeft gekozen voor het niet opleggen van een dwangsom bij de veroordeling. Het gerechtshof overwoog hierover2:

“Het hof zal de gevorderde dwangsom afwijzen. Op zichzelf kan een dwangsom worden opgelegd omdat het, anders [gedaagde] aanvoert, gaat om een vordering tot nakoming, waarbij betaling aan een derde dient plaats te vinden. Maar omdat het hof geen aanleiding ziet aan te nemen dat [gedaagde] niet zal nakomen, wijst het hof in dit stadium de dwangsom af.”

4.16

Volgens [gedaagde] probeert [eisers c.s] met dit kort geding alsnog het oordeel van een hogere rechterlijke instantie aan te tasten. Volgens [gedaagde] heeft het gerechtshof er bewust voor gekozen geen dwangsommen aan de veroordeling te verbinden, nu zij geen aanleiding had om aan te nemen dat [gedaagde] niet zou nakomen. Deze omstandigheden zijn niet gewijzigd, waardoor er nog steeds geen reden is voor het opleggen van een dwangsom.

4.17

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] hierin niet. De omstandigheden zijn wel degelijk gewijzigd, nu gebleken is dat [gedaagde] niet aan de veroordeling door het gerechtshof heeft voldaan. [gedaagde] heeft alleen alternatieven voorgesteld aan [eisers c.s] , te weten het betalen van een schadevergoeding of het maandelijks betalen van indexaties door [gedaagde] zelf. Daarmee is zij te laat. Die alternatieven had zij in hoger beroep aan de orde kunnen stellen. Bovendien heeft [eisers c.s] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze alternatieven niet hoefde te aanvaarden. Het eerste alternatief stuit af op het afkoopverbod (artikel 65 PW) met alle nadelige fiscale consequenties van dien, het tweede is in strijd met de onderbrengingsplicht.

4.18

Aan de veroordeling in dit vonnis, zullen daarom de door [eisers c.s] gevorderde dwangsommen worden verbonden. Voor het matigen van de dwangsommen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

De veroordeling geldt ook ten aanzien van [eiser sub 4]

4.19

Namens [gedaagde] is aangevoerd dat het dienstverband van [eiser sub 4] inmiddels met een vaststellingsovereenkomst is geëindigd, in welke overeenkomst een bepaling over finale kwijting is opgenomen. [eiser sub 4] was door [gedaagde] in 2022 al geïnformeerd over de beëindiging van de CBSI-overeenkomst en de vaststellingsovereenkomst is in 2023 ondertekend. Gelet op de finale kwijting-bepaling kan [eiser sub 4] niet langer procederen tegen [gedaagde] .

4.20

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst3 die met [eiser sub 4] is gesloten volgt dat de bepaling over de finale kwijting niet ziet op de indexatie van pensioenaanspraken. Daarom kan ook [eiser sub 4] in deze procedure nakoming vorderen van hetgeen waartoe [gedaagde] jegens hem is veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Reconventie

4.21

De vordering in reconventie van [gedaagde] heeft betrekking op alternatieve afwikkeling en/of in overleg treden met de Belastingdienst over een mogelijke oplossing. Gelet op het oordeel in conventie, wordt de vordering in reconventie afgewezen.

Proceskosten

4.22

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom in conventie en in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers c.s] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 155,67

- griffierecht € 341,00

- salaris advocaat € 1.177,00 (1 punt x tarief € 1.177,00)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.862.67

4.23

De proceskosten van [eisers c.s] in reconventie worden, vanwege de samenhang met de vordering in conventie, begroot op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:

in conventie:

5.1

veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de pensioenregeling, in de zin dat [gedaagde] ten behoeve van [eisers c.s] wordt veroordeeld tot (af)financiering van de verschuldigde indexaties op grond van artikel 16 Pensioenreglement PR NN, en wel aldus dat [gedaagde] :

- primair Nationale Nederlanden, uiterst subsidiair een andere pensioenuitvoerder naar keuze van [gedaagde] schriftelijk dient te verzoeken, met gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit verzoek aan [eisers c.s] en zijn advocaat, om binnen de kortst mogelijke termijn aan [gedaagde] , en gelijktijdig aan [eisers c.s] en zijn advocaat, een opgave te doen van de koopsommen die nodig zijn om aan [eisers c.s] per 1 januari 2022 een indexatie van 1,76%, per 1 juli 2022 een indexatie van 0,79%, per 1 januari 2023 een indexatie van 14,52% en per 1 januari 2025 een indexatie van 0,75% toe te kennen op hun bij Nationale Nederlanden ondergebrachte pensioenaanspraken;

- de door de betreffende pensioenuitvoerder vastgestelde koopsommen binnen één maand na de datering van de opgave ten behoeve van [eisers c.s] aan de betreffende pensioenuitvoerder dient over te maken, dit op een dusdanige wijze dat het in de rede ligt dat de betreffende pensioenuitvoerder voormelde indexaties daadwerkelijk aan [eisers c.s] toekent;

5.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per dag per eiser met een maximum van € 100.000,00 per eiser, voor elke dag dat [gedaagde] na afloop van twee weken na betekening van dit vonnis nalaat aan de onder 5.1 genoemde veroordeling jegens enige eiser te voldoen;

5.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.862,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad4.

in reconventie:

5.5

wijst de vorderingen af;

5.6

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »