RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12139468 \ MC EXPL 26-1394
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAREN [eiser] TE [plaats],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VVE,
gemachtigde: mr. B.C.H. Kolfschoten,
tegen
CASSANDRA [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 6 maart 2026,- de conclusie van antwoord met producties, - de conclusie van repliek met een productie,- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De kern van de zaak
[gedaagde] is eigenaar van het appartement aan de [adres] in [plaats] . Daarmee is [gedaagde] van rechtswege lid van de VVE. [gedaagde] heeft € 429,27 aan VVE bijdragen onbetaald gelaten. [gedaagde] beroept zich op opschorting. [gedaagde] wil de bijdragen pas voldoen als de onderhoudswerkzaamheden correct en volledig zijn uitgevoerd. De kantonrechter stelt de VVE in het gelijk en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de achterstallige bijdrage, vermeerderd met rente en bijkomende kosten.
3 De beoordeling
[gedaagde] moet de achterstallige bijdrage betalen
De VVE stelt terecht dat [gedaagde] de betaling van de VVE bijdrage niet kan opschorten. In de splitsingsakte is de mogelijkheid om op te schorten namelijk uitgesloten. In artikel 11 onder 3 staat: “De betaling van de verschuldigde voorschotbijdrage kan niet worden verrekend of opgeschort in verband met een (vermeende) vordering op de vereniging of de gezamenlijke eigenaars”. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de achterstallige VVE bijdragen.
Dit neemt niet weg dat de VVE de onderhoudswerkzaamheden waartoe zij verplicht is bij [gedaagde] zal moeten voltooien.
De wettelijke rente
Omdat [gedaagde] met de betaling in verzuim verkeert, moet zij de wettelijke rente vergoeden. De VVE vordert € 20,43 aan vertragingsrente tot de datum van de dagvaarding. De VVE heeft niet toegelicht op welke ingangsdatum dit bedrag is gebaseerd en heeft haar berekening ook niet inzichtelijk gemaakt. Daarom acht de kantonrechter de wettelijke rente met ingang van de datum van de dagvaarding (6 maart 2026) toewijsbaar.
De buitengerechtelijke incassokosten
De VVE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De VVE heeft duidelijk gemaakt dat zij incassowerkzaamheden heeft verricht. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. De VVE heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat de VVE geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 48,40 worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,77 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
174,00 |
(2 punten × € 87,00) |
|
- nakosten |
€ |
43,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
510,27 |
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan de VVE te betalen een bedrag van € 429,27, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan de VVE te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 510,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
PM/45352