ECLI:NL:RBMNE:2026:4522

Datum uitspraak
09-06-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2603146:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Insolventie. Toewijzing dwangakkoord. Akkoord is gunstig voor instemmende schuldeisers, zodat weigerende schuldeiser ook wordt bevolen in te stemmen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Utrecht

Rekestnummer: NL:TZ:2603146:R-RK

Vonnis van 9 juni 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , Suriname,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

tegen

[verweerster] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster, hierna te noemen [verweerster] ,

tot het bevelen van voornoemde schuldeiser in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.

1.2.

[verzoeker] , de schuldhulpverlener en [verweerster] zijn opgeroepen voor de zitting van 8 juni 2026.

1.3.

Op deze zitting zijn gekomen [verzoeker] , de schuldhulpverlener de heer [A.] en de beschermingsbewindvoerder [B.] .

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is alleenstaand. Hij ontvangt inkomen uit een PW-uitkering en de gebruikelijke toeslagen. [verzoeker] heeft elf schuldeisers die in totaal € 50.121,83 van hem te vorderen hebben.

2.2.

[verzoeker] heeft op 5 november 2025 een schuldregeling aangeboden aan de schuldeisers. Dit aanbod houdt - samengevat - in: Een schuldregeling zonder afloscapaciteit met uitdeling van vermogen. [verzoeker] heeft op basis van zijn inkomen en vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit, maar brengt wel een vermogen van € 3.190,40 in. Met dit bedrag kan [verzoeker] 4,6% van de vorderingen van zijn concurrente schuldeisers voldoen, tegen door de schuldeisers te verlenen finale kwijting.

2.3.

De onder 2.2 bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [verweerster] aanvaard.

2.4.

[verweerster] heeft een vordering van € 19.097,51 op [verzoeker] . Dit is 39,25% van de totale schuldenlast. [verweerster] heeft een vordering op [verzoeker] ter zake een huurachterstand. [verweerster] is van mening dat het aanbod niet in verhouding staat tot de schuld. Ook is [verweerster] van mening dat [verzoeker] niet voldoet aan zijn inspanningsverplichting.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord kan alleen worden toegewezen als [verweerster] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] of van de overige schuldeisers die door de weigering zijn geschaad.

3.2.

Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag, of [verweerster] in redelijkheid tot haar weigering heeft kunnen komen, moet worden gekeken naar de inhoud van de schuldregeling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.

3.3.

Het door [verzoeker] gedane aanbod is het maximaal haalbare. Gezien de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] is het niet de verwachting dat hij binnen afzienbare tijd meer inkomen dan zijn huidige inkomen zal kunnen genereren. [verzoeker] heeft sinds april 2024 budgetbeheer en vanaf april 2025 is dit omgezet naar beschermingsbewind. De kosten hiervoor worden door de gemeente middels bijzondere bijstand vergoed. Het beschermingsbewind is derhalve niet nadelig voor de schuldeisers. Bij aanvang van het minnelijke traject is berekend welk deel van het vermogen van [verzoeker] ingebracht moest worden voor zijn schuldeisers. Het belang van [verzoeker] is dat hij buiten het wettelijk traject om zijn schulden kan regelen in een afzienbare periode, wat in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.

3.4.

De vordering van [verweerster] bedraagt met 39,25% en is weliswaar een redelijk percentage van de totale schuldenlast van [verzoeker] , maar [verweerster] staat wel alleen in haar weigering. De overige tien schuldeisers hebben wel ingestemd met het door [verzoeker] gedane aanbod. Deze schuldeisers hebben belang bij toewijzing van dit akkoord.

3.5.

De rechtbank zal het gedane aanbod vergelijken met hetgeen schuldeisers in geval van een wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen ontvangen. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat [verzoeker] zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als dit verzoek zou worden behandeld. Daarbij is voor de rechtbank vooral van belang dat het merendeel van de schulden buiten de driejaarstermijn zijn ontstaan als bedoeld in artikel 288 lid 2 sub c van de Faillissementswet. Omdat in een wettelijk schuldsaneringstraject de kosten van het salaris van de saneringsbewindvoerder ten laste van de boedel komen, is het zeer aannemelijk dat schuldeisers dan niets van hun vordering zullen ontvangen. Bij toewijzing van dit dwangakkoord zullen de schuldeisers wel een deel van hun vordering voldaan krijgen.

Bovendien hoeven schuldeisers bij toewijzing van dit dwangakkoord, anders dan bij een wettelijke regeling, geen anderhalf jaar te wachten op afronding van het traject. De aangeboden schuldregeling houdt immers in dat zo spoedig mogelijk nadat de regeling, als dan niet middels een dwangakkoord, tot stand is gekomen de schuldeisers het hen toekomende percentage betaald krijgen, waarmee zij ook hun dossiers kunnen sluiten.

3.6.

Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het belang van [verzoeker] om zijn schulden te saneren zwaarder weegt dan het belang van [verweerster] . Het verzoek zal worden toegewezen.

3.7.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beveelt [verweerster] in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling,

4.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op

9 juni 2026.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »