RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Locatie Utrecht
zaaknummer: 11311480 UC EXPL 24-6330 WMB/61313
Vonnis van 17 juni 2026
inzake
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook gezamenlijk te noemen: [eiser c.s.] (in mannelijk enkelvoud),
eisende partijen,
gemachtigde: mr. M.R. van Leeuwen,
tegen:
1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook gezamenlijk te noemen: [gedaagde c.s] (in mannelijk enkelvoud),
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. L. Smits.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 17 september 2025, waarin de kantonrechter het voorschot voor de deskundige heeft vastgesteld;
-
het deskundigenbericht van 30 oktober 2025;
-
de conclusie na deskundigenbericht van [eiser c.s.] ;
-
de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde c.s]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De kern van de zaak
[eiser c.s.] en [gedaagde c.s] zijn al jaren achterburen. In 2022 heeft [gedaagde c.s] drie leibomen in zijn tuin geplaatst. De leibomen, die 3,5 meter hoog zijn, steken ongeveer 1,3 meter uit boven de scheidsmuur van partijen en staan op zestig centimeter afstand van de erfgrens. [eiser c.s.] vordert dat [gedaagde c.s] die leibomen verwijdert of terugsnoeit tot de hoogte van de scheidsmuur. [gedaagde c.s] vindt dat hij daartoe niet gehouden is.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 2 april 2025 geoordeeld dat de leibomen verwijderd moeten worden als de stam daarvan op een hoogte van 1,3 meter van het maaiveld na verloop van tijd uiteindelijk tien centimeter of dikker zullen worden. In het deskundigenbericht geeft de deskundige aan dat dat het geval is. [gedaagde c.s] moet de leibomen verwijderen.
3 De verdere beoordeling van het geschil
[gedaagde c.s] moet de leibomen verwijderen
In het tussenvonnis van 2 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde c.s] de leibomen moet verwijderen als uit het deskundigenbericht volgt dat de stam daarvan na verloop van tijd tien centimeter of dikker wordt, omdat de plaatsing van de bomen dan (op termijn) in strijd is met artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek. Op 30 oktober 2025 heeft de deskundige een deskundigenbericht opgesteld. Partijen hebben zich daarover uit kunnen laten. In het deskundigenbericht geeft de deskundige aan dat rode leibomen als die van [gedaagde c.s] op 1,3 meter boven het maaiveld een stamdiameter van (meer dan) 10 cm kunnen krijgen. Daarnaast zegt de deskundige dat het in de lijn der verwachting ligt dat deze specifieke leibomen op den duur zo’n stamdiameter zullen krijgen. De kantonrechter ziet geen reden om aan de juistheid van die conclusies te twijfelen. De opmerking van [gedaagde c.s] dat het deskundigenrapport geen objectief uitsluitsel geeft over de vraag of de leibomen ooit een stamdiameter van 10 cm zullen krijgen, heeft hij niet toegelicht of onderbouwd. Daar gaat de kantonrechter daarom aan voorbij. Datzelfde geldt voor zijn betoog dat de leibomen geen bomen zijn en dat [eiser c.s.] geen belang heeft bij zijn vordering. Daarover is al een oordeel gegeven in het tussenvonnis van 2 april 2026.
Gelet op het voorgaande, zal [gedaagde c.s] daarom worden veroordeeld om de leibomen te verwijderen. [eiser c.s.] heeft gevorderd dat de bomen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis worden verwijderd. Dat zal de kantonrechter niet toewijzen. Naar [gedaagde c.s] heeft aangevoerd en onderbouwd is er een groot risico dat de bomen het niet overleven als deze niet in de winter worden verplaatst. Dat heeft [eiser c.s.] op zichzelf niet weersproken. Verder hebben de bomen op dit moment nog geen stamdikte van 10 cm. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om te bepalen dat de bomen uiterlijk op 1 februari 2027 moeten zijn verwijderd. De door [eiser c.s.] gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding de dwangsom te maximeren op € 10.000,00.
[gedaagde c.s] moet de proceskosten van [eiser c.s.] betalen
[gedaagde c.s] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat bekent onder andere dat [gedaagde c.s] de kosten voor het deskundigenonderzoek moet dragen. Bij het indienen van het deskundigenbericht heeft de deskundige een eindfactuur ingediend. De hoogte van die factuur is gelijk aan het vastgestelde voorschot van € 2.502,18. De kantonrechter stelt de deskundigenkosten daarom vast op het bedrag van de eindfactuur. Omdat [eiser c.s.] het voorschot heeft betaald en [gedaagde c.s] nu in het ongelijk is gesteld, moet hij die deskundigenkosten aan [eiser c.s.] vergoeden. Bij het begroten van de overige proceskosten van [eiser c.s.] gaat de kantonrechter uit van de kosten voor één dagvaarding. Het uitbrengen van de tweede dagvaarding was namelijk onnodig, omdat beide gedaagden op hetzelfde adres wonen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiser c.s.] worden begroot op:
|
- deskundigenkosten |
€ |
2.502,18 |
|
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
137,47 |
|
|
- griffierecht |
€ |
130,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
864,00 |
(3 punten × € 288,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
3.777,65 |
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde c.s] tot verwijdering van de leibomen binnen de afstand van twee meter van de erfgrens tussen het perceel van [eiser c.s.] en [gedaagde c.s] uiterlijk op 1 februari 2027,
veroordeelt [gedaagde c.s] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00, voor elke dag dat [gedaagde c.s] in gebreke zijn met het voldoen aan de veroordeling tot verwijdering van de leibomen,
veroordeelt [gedaagde c.s] in de proceskosten van € 3.777,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
-
de kosten van betekening als [gedaagde c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en [eiser c.s.] het vonnis daarna laat betekenen,
-
de wettelijke rente1 over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.