ECLI:NL:RBMNE:2026:3558

Datum uitspraak
10-06-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/604925 / HL ZA 26-5
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Incident voeging, toewijzing.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/604925 / HL ZA 26-5

Vonnis in incident van 10 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. T.J. van Veen,

tegen

[gedaagde] BV,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.J.M. Groen.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord, tevens bevattende een eis in reconventie en een incidentele vordering tot voeging

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1

[gedaagde] vordert in het incident dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer / rolnummer 609356 HL ZA 26-98.

2.2

Op grond van artikel 222 Rv kan, in geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, voeging van die zaken worden gevorderd. Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken is geboden. Niet is vereist dat het gaat om procedures tussen dezelfde partijen.

2.3

Deze zaak en de zaak waarmee [gedaagde] voeging vraagt zijn beide zaken die gaan over vastgoedprojecten. [gedaagde] meent dat het gaat om twee componenten van één project. [eiser] vindt dat het gaat om twee afzonderlijke projecten met afzonderlijke partijen, waardoor de zaken gescheiden behandeld zouden moeten worden.

2.4

De rechtbank zal de incidentele vordering van [gedaagde] toewijzen. Voorkomen moet worden dat er in deze zaken tegenstrijdige beslissingen worden genomen, bijvoorbeeld over de vraag wie als contractuele wederpartij van [gedaagde] geldt. De rechtbank vindt het belangrijk dat er geen tegenstrijdige oordelen over dezelfde feitencomplexen gegeven worden. [gedaagde] meent dat de wederpartij in beide zaken [bedrijf] B.V. is. Hoewel de rechtbank hierover nog geen oordeel velt, staat wel vast dat beide zaken betrekking hebben op projecten waar dezelfde personen bij betrokken zijn, en waar veelvuldig gelijktijdig over is gecommuniceerd. Het is daarom ook vanuit proceseconomische overwegingen redelijk dat de zaken gelijktijdig behandeld worden.

2.5

Naar het oordeel van de rechtbank is een gevoegde behandeling daarom wenselijk, dat wil zeggen dat er een gezamenlijke behandeling en beslissing van beide procedures door één en dezelfde rechter plaatsvindt. Ook is een voeging en behandeling door dezelfde rechter om proceseconomische redenen wenselijk. Van verknochtheid is daarom sprake, zodat de gevorderde voeging wordt toegewezen.

2.6

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 653,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00).

2.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1

voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer 609356 HL ZA 26-98, in welke procedure [bedrijf] B.V. op de rol voor antwoord staat.

3.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

in de hoofdzaak

3.3

bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 juli 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak,

3.4

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken

op 10 juni 2026.

5827

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »