RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12300117 \ CV EXPL 26-3463
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
STICHTING ANTARES WOONSERVICE,
te Tegelen,
eisende partij,
hierna te noemen: Antares,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [huurder] ,
te [plaats 1] ,2. [huurster],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [huurders] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2026,- de conclusie van antwoord van [huurster] ,- de conclusie van antwoord van [huurder] ,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek van [huurster] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag of [huurders] beiden verantwoordelijk zijn voor de betaling van de huurachterstand. [huurder] weerspreekt de vordering niet. [huurster] vindt dat zij niet kan worden aangesproken voor de huurachterstand omdat zij al sinds 14 mei 2024 niet meer woonachtig is in de woning. De huurachterstand is van na die tijd.
3 De feiten
[huurders] hebben gezamenlijk een huurovereenkomst gesloten met Antares op grond waarvan zij de woning aan [adres 1] (hierna: het gehuurde) hebben gehuurd met ingang van 4 februari 2019. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. september 2003 van Antares van toepassing. De huurprijs bedraagt laatstelijk € 763,74 per maand en moet telkens vóór of op de eerste dag van iedere maand bij vooruitbetaling worden voldaan.
Er is sprake van een huurachterstand. Ten tijde van dagvaarden bedroeg de huurachterstand tot en met juni 2026 € 3.030,80.
Antares heeft [huurders] op 30 april 2026 aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening in het kader van vroegsignalering.
Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [huurster] aan Antares in juli 2026 het volgende bericht:
“Ik heb zojuist telefonisch contact gehad over het feit dat ik blijkbaar nog steeds medehuurder ben. Ik ben al 2 jaar niet meer woonachtig op adres. Ik kan via de website alleen beëindigen huurcontract vinden en niet mede huurder.
Bij deze wil ik me dus van het huurcontract laten afhalen van [adres 1] .”
Bij brief van 7 juli 2026 heeft Antares aan [huurster] meegedeeld de gedeeltelijke huuropzegging te hebben geaccepteerd zodat [huurster] met ingang van 1 augustus 2026 niet langer medehuurder is.
[huurder] heeft, eveneens na het uitbrengen van de dagvaarding, aan Antares bericht dat hij al twee jaar alleen woont in het gehuurde. Verder heeft [huurder] aan Antares aangegeven de huur per 10 augustus 2026 te willen beëindigen.
Bij e-mail van 9 juli 2026 heeft Antares de huuropzegging door [huurder] geaccepteerd en bevestigd.
4 Het geschil
Antares vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat - het volgende:
I. ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen,
II. [huurders] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,
III. hoofdelijke veroordeling van [huurders] tot betaling van:
-
een bedrag van € 3.076,13 (inclusief de buitengerechtelijke incassokosten van € 132,69 en de wettelijk rente ad € 71,94), vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.030,80 vanaf 23 juni 2026 tot en met de dag van volledige betaling,
-
een bedrag van € 763,74 per maand of gedeelte van een maand, met ingang van 1 juli 2026 tot het tijdstip waarop de huurovereenkomst wordt ontbonden, alsmede hetzelfde bedrag voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [huurders] vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijven met de ontruiming van het gehuurde,
-
de proceskosten.
[huurder] erkent de gevorderde huurachterstand, hij heeft toegezegd deze te zullen voldoen.
[huurster] voert verweer. Zij voert aan dat zij sinds 14 mei 2024 op een ander adres ( [adres 2] ) staat ingeschreven en daar met haar twee kinderen woont. [huurster] heeft verzocht de dagvaarding tegen haar in te trekken, omdat zij naar haar zeggen geen gebruik meer maakte van het gehuurde en daar niet meer stond ingeschreven.
Antares heeft gesteld dat [huurster] weliswaar niet meer in het gehuurde woonde, maar dat zij als contractuele medehuurder aansprakelijk is gebleven voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Antares heeft zich op het standpunt gesteld dat [huurster] tot en met 31 juli 2026 hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de huurachterstand.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Ontbinding en ontruiming
Antares vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Na het uitbrengen van de dagvaarding hebben zich echter ontwikkelingen voorgedaan die voor deze vorderingen van belang zijn.
Ten aanzien van [huurder]
Ten aanzien van [huurder] stelt de kantonrechter vast dat de huurovereenkomst met ingang van 10 augustus 2026 is geëindigd. [huurder] heeft de huurovereenkomst opgezegd en Antares heeft deze opzegging aanvaard. Dit betekent dat de huurovereenkomst ten aanzien van [huurder] op 10 augustus 2026 is geëindigd. De door Antares gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst is daarom niet meer aan de orde. Deze vordering zal worden afgewezen.
Dit ligt anders voor de gevorderde ontruiming. Antares heeft aangevoerd dat zij er niet zeker van is dat [huurder] het gehuurde vrijwillig zal verlaten. Zij heeft daartoe onder meer gesteld dat [huurder] niet bij de voorinspectie aanwezig was, dat zij een politiemelding heeft ontvangen over zorgen vanuit de buurt en dat [huurder] al geruime tijd niet in het gehuurde zou verblijven, terwijl zich voor de deur een dikke laag post opstapelt en het gehuurde niet wordt bijgehouden (zoals Antares heeft gesteld en in haar woorden: de tuin zou een zooi zijn).
Gelet op deze omstandigheden heeft Antares voldoende belang bij een veroordeling tot ontruiming. De kantonrechter zal daarom de gevorderde ontruiming toewijzen voor het geval [huurder] het gehuurde niet vrijwillig heeft verlaten na het einde van de huurovereenkomst.
Ten aanzien van [huurster]
Ten aanzien van [huurster] staat vast dat zij het gehuurde al geruime tijd niet meer bewoonde. Antares heeft echter gesteld dat [huurster] als contractuele medehuurder aan de huurovereenkomst gebonden is gebleven en dat zij eerst in juli 2026 de huurovereenkomst heeft opgezegd. Antares heeft deze opzegging aanvaard en gesteld dat [huurster] met ingang van 1 augustus 2026 niet langer medehuurder is.
Nu Antares de beëindiging van de huurovereenkomst door [huurster] heeft aanvaard en de huur daarmee op 1 augustus 2026 is geëindigd, stelt de kantonrechter vast dat [huurster] vanaf die datum geen medehuurder meer is. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst ten aanzien van [huurster] is daarom, evenals ten aanzien van [huurder] , niet meer aan de orde en zal worden afgewezen.
Hetzelfde geldt voor de gevorderde ontruiming ten aanzien van [huurster] . Niet is gesteld of gebleken dat [huurster] na het einde van de huurovereenkomst nog in het gehuurde verblijft of het gehuurde gebruikt. Integendeel, [huurster] heeft gesteld dat zij al sinds 14 mei 2024 staat ingeschreven op het [adres 2] . De dagvaarding is ook op dat adres betekend. De gevorderde ontruiming ten aanzien van [huurster] zal daarom worden afgewezen.
Dat de gevorderde ontbinding en ontruiming ten aanzien van [huurster] worden afgewezen, staat los van de vraag of [huurster] aansprakelijk is voor de tot het einde van haar huurovereenkomst ontstane huurachterstand.
De huurachterstand
De door Antares gestelde huurachterstand bedraagt tot en met juni 2026 € 3.030,80. [huurder] heeft de huurachterstand erkend en aangevoerd dat deze zal worden voldaan. [huurster] heeft betwist dat zij voor deze schuld moet worden aangesproken omdat zij al meer dan twee jaar niet meer in het gehuurde woont.
Ten aanzien van [huurster]
Vaststaat dat [huurders] beiden als “huurder” vermeld staan op de huurovereenkomst en dat zij beiden de huurovereenkomst hebben ondertekend. Zij zijn daarmee beiden als contractuele huurders aan de huurovereenkomst gebonden. [huurster] heeft aangevoerd dat zij het gehuurde al meer dan twee jaar niet meer bewoont en sinds 14 mei 2024 op een ander adres staat ingeschreven. Zij stelt dat zij daarom niet langer voor de huurachterstand aansprakelijk kan worden gehouden. Dit standpunt wordt niet gevolgd.
In dit geval is [huurster] zelf partij bij de huurovereenkomst. Zij heeft de huurovereenkomst niet opgezegd toen ze uit het gehuurde is vertrokken. Ook is niet gesteld of gebleken dat Antares vóór het ontstaan van de huurachterstand op andere wijze heeft ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst ten aanzien van [huurster] . De omstandigheid dat [huurster] sinds 14 mei 2024 op een ander adres staat ingeschreven, is daarom onvoldoende om aan te nemen dat haar contractuele huurderschap is geëindigd. Artikel 7:267 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de huurder en de medehuurder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Datzelfde is bepaald in artikel 2.3. van de Algemene Huurvoorwaarden. Dat [huurster] feitelijk al geruime tijd niet meer in het gehuurde woont, betekent dus niet dat zij niet meer kan worden aangesproken voor de huurachterstand.
Dat [huurster] in haar conclusie van dupliek heeft aangevoerd de toezegging van [huurder] te hebben dat hij de volledige huurachterstand voor zijn rekening zal nemen, ontslaat [huurster] niet van haar aansprakelijkheid jegens Antares. Deze afspraak geldt alleen tussen [huurster] en [huurder] en betekent niet dat [huurster] tegenover Antares niet meer aansprakelijk is voor de huurachterstand. Dat zou alleen anders zijn als Antares op de hoogte was van de schuldovername en daarmee had ingestemd (artikel 6:155 BW). Dat is niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat [huurster] naast [huurder] kan worden aangesproken tot betaling van de volledige huurachterstand van € 3.030,80, voor zover deze achterstand ziet op de periode tot en met juni 2026. Dit betekent niet dat Antares tweemaal betaling kan verkrijgen: indien één van beiden de schuld of een deel daarvan voldoet, is daarmee de schuld (of het betaalde deel) ook voor de ander jegens Antares vervallen.
Ten aanzien van [huurder]
[huurder] heeft de gevorderde huurachterstand niet weersproken. Hij heeft juist aangegeven dat hij de achterstallige huur zal voldoen. De huurachterstand zal daarom als onvoldoende weersproken worden toegewezen. De door [huurder] genoemde gebreken aan het gehuurde maken dit niet anders. Hij heeft deze slechts gemeld en daaraan geen verweer tegen de verschuldigdheid van de huur verbonden.
De gebruiksvergoeding
Ten aanzien van de gebruiksvergoeding kan alleen [huurder] worden aangesproken door Antares. Hiervoor is immers overwogen dat [huurster] al geruime tijd de woning heeft verlaten en (dus) niet meer gebruikt.
De kantonrechter zal ten aanzien van [huurder] de gevorderde gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag van ontruiming toewijzen.
Ten aanzien van [huurster]
Ten aanzien van [huurster] zal de gevorderde huurvergoeding wel nog worden toegewezen over de maand juli 2026. Die maand is verschuldigd geraakt ná het moment van dagvaarden maar ziet op een maand waarin [huurster] wel nog huurder was (zie eerdere overwegingen). Omdat de huurovereenkomst met [huurster] per 1 augustus 2026 is geëindigd, is zij niet meer gehouden de huur te betalen na juli 2026. Dit komt er dus op neer dat in totaal een bedrag van € 3.707,18 (achterstand tot en met juni 2026 ad € 2.943,44 en de huur over juli 2026 ad € 763,74) zal worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
Antares vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 132,69. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. De in de Algemene Huurvoorwaarden bedongen vergoeding is namelijk altijd ten minste 15% van de vordering. De vergoeding kan daarmee dus (aanzienlijk) hoger uitvallen dan de redelijke vergoeding die op grond van de wettelijke regels zoals die golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, en ook aanzienlijk hoger dan de vergoeding conform het momenteel geldende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor aanzienlijk ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is dus oneerlijk ten opzichte van gedaagde partijen en wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
De wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf 24 juni 2026, aangezien de rente over de hoofdsom al tot en met 23 juni 2026 is berekend.
Proceskosten
[huurders] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde informatiekosten worden overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK toegewezen. De proceskosten van Antares worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
306,04 |
|
|
- griffierecht |
€ |
529,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
506,00 |
(2 punten × € 253,00) |
|
- nakosten |
€ |
126,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.467,54 |
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Antares te stellen,
veroordeelt [huurders] hoofdelijk om aan Antares te betalen een bedrag van € 3.707,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 3.030,80, met ingang van 24 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [huurder] om aan Antares te betalen een bedrag van € 763,74 per maand voor iedere maand die vanaf 1 augustus 2026 tot het tijdstip van ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, een ingegane maand daarbij gerekend voor hele maand, onder voorbehoud van de eventuele (wettelijk) toegestane huurverhogingen,
veroordeelt [huurders] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.467,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||