ECLI:NL:RBLIM:2026:9855

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
ROE 25/2168
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het college heeft eiser een omgevingsvergunning geweigerd voor het bouwen van een bouwwerk bij een reeds vergunde nieuwbouwwoning. Eiser is het hier niet mee eens. Het beroep slaagt. Ten aanzien van de berekening van het college van de bebouwde oppervlakte, overeenkomstig artikel 2, aanhef en derde lid onder f, ten derde, van bijlage II bij het Bor, is gebleken van een gebrek. Vast is komen te staan dat eiser het beoogde bouwwerk vergunningvrij kan realiseren, zodat reeds daarom het bestreden besluit geen stand kan houden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Bij gebrek aan een grondslag daartoe, wordt het verzoek tot betaling van een dwangsom afgewezen. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is geen sprake. Eiser krijgt wel zijn griffierecht vergoed.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/2168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen, het college

(gemachtigde: mr. E.J.M.M. Peeters).

Procesverloop

1. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een bouwwerk. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 11 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij die afwijzing gebleven.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een aanvullende toelichting van

30 juni 2026.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen. Tevens is namens het college verschenen de heer [naam] .

1.4.

Ter zitting is een door eiser meegebrachte geluidsopname afgespeeld, die eiser

– zoals ter zitting besproken – nadien bij de griffie van de rechtbank heeft ingediend. Het college heeft vervolgens op het gesprek op deze geluidsopname gereageerd binnen de daarvoor door de rechtbank gestelde termijn (per het schrijven van 14 juli 2026).

1.2.

Per brief van 23 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

2. Bij onderstaande weergave van de feiten wordt, ter illustratie, verwezen naar de volgende afbeelding:

3. De ouders van eiser zijn eigenaar van de kadastrale percelen [woonplaats] , [kadasternummer 1] , [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] . Eiser woont momenteel aan het adres [adres 1] , op het kadastrale perceel met nummer [kadasternummer 3] . Op dat perceel bevindt zich, naast de woning van eiser, ook bedrijfsbebouwing (ter plaatse van het paarse vlak op de afbeelding hierboven).

4. Op het kadastrale perceel met nummer [kadasternummer 2] bouwt eiser thans een nieuwbouwwoning. Het adres van deze nieuwbouwwoning is [adres 2] . Op dit perceel bevinden zich al een aantal bouwwerken (van 29,41 m2 en 11,71 m2). Bovendien overschrijdt een bedrijfsgebouw dat hoofdzakelijk op het perceel met nummer [kadasternummer 3] staat, de kadastrale perceelsgrens, zodat een deel van dat bedrijfsgebouw feitelijk op het perceel met nummer [kadasternummer 2] staat (zie op de afbeelding hierboven, de rood omlijnde rechthoek).

5. Eiser wenst op het perceel met nummer [kadasternummer 1] een bouwwerk te realiseren. Hiervoor heeft hij eind 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd. Het betreft een bijgebouw van 52,87 m2 bij voornoemde nieuwbouwwoning.

Totstandkoming van het bestreden besluit

6. Bij besluit van 11 maart 2025 heeft het college de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Daartoe heeft het gemotiveerd dat vergunningvrij bouwen ter plaatse is uitgesloten, omdat sprake is van in totaal meer dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het relevante perceel.1 Omdat het beoogde bouwwerk niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd, moet gekeken worden of het bestemmingsplan het bouwplan toelaat. Dat is volgens het college niet het geval, vanwege de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel,2 als ook de maximale afstand (van 40 m2) van het beoogde bouwwerk tot aan de nieuwbouwwoning.3 Van deze regels kan niet worden afgeweken – en dat wenst het college ook niet –, zodat de bouw van het beoogde bouwwerk (bij de huidige stand van zaken) niet kan worden vergund.

7. Bij het bestreden besluit is het college bij dit standpunt gebleven en het heeft daarom het besluit van 11 maart 2025 in stand gelaten.

Overgangsrecht Omgevingswet

8. De vergunning is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 komen te vervallen. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, bepaalt artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet dat het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.

8.1.

De aanvraag voor de vergunning is door verweerder ontvangen op

29 december 2023. De Wabo blijft hier dus van toepassing.

Heeft het college de omgevingsvergunning terecht afgewezen?

9. Centraal in dit beroep staat de vraag of het college de vergunning terecht heeft geweigerd. Eiser meent van niet. Hij stelt daartoe voorop dat het beoogde bouwwerk vergunningvrij kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van deze beroepsgrond spitst de discussie zich toe op de vraag of door de bouw van dit bouwwerk de bebouwde oppervlakte op het relevante perceel in totaal meer dan 150 m2 bedraagt, althans of die oppervlakte momenteel al meer dan 150 m2 omvat, zodat vergunningvrij bouwen is uitgesloten.4

10. De rechtbank overweegt dat is komen vast te staan dat – al dan niet mét het beoogde bouwwerk – de bebouwde oppervlakte op het perceel in totaal niet meer dan

150 m2 bedraagt. Dat betekent dat het beoogde bouwwerk wél vergunningvrij kan worden gerealiseerd. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Dit oordeel motiveert de rechtbank als volgt, waarbij zij voor de relevante wet- en regelgeving verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak.

10.1.

Artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt voor het realiseren van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied, dat geen omgevings-vergunning vereist is, als is voldaan de in artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor gestelde eisen. In dit artikellid, onder f, is als eis opgenomen dat bij een bebouwingsgebied van meer dan 300 m2, de bebouwde oppervlakte op het perceel in totaal maximaal 150 m2 bedraagt. Tussen partijen staat specifiek ter discussie of aan deze eis (onder f) is voldaan. Ten aanzien van de andere eisen in artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor is niet in geschil dat het beoogde bouwwerk hieraan voldoet. Uit het dossier is de rechtbank evenmin gebleken dat het bouwwerk daaraan niet voldoet, zodat die criteria in de verdere beoordeling buiten beschouwing blijven.

10.2.

Om te kunnen bepalen hoeveel van het perceel bebouwd is, en wat het bebouwingsgebied is, moet eerst worden vastgesteld wat in dit geval het perceel omvat. In het Bor en de daarbij behorende bijlagen ontbreekt een definitie van het begrip ‘perceel’. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft eerder overwogen,5 dat voor de vraag of een bouwwerk op hetzelfde perceel staat de feitelijke actuele situatie van belang is, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden. Niet doorslaggevend is of het bouwwerk op hetzelfde kadastrale perceel staat als het hoofd-gebouw en of de kadastrale percelen in eigendom zijn van dezelfde persoon. Evenmin is doorslaggevend of op de gronden dezelfde bestemming rust. Van belang is wel dat de kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel moeten worden aangemerkt. 6

10.3.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel in dit geval de kadastrale percelen met nummers [kadasternummer 2] en [kadasternummer 1] tezamen omvat. Daartoe is van belang dat op die beide percelen de bestemming ‘Wonen’ rust. Bovendien is een ‘bouwperceel’ overeenkomstig artikel 1.52 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Schinnen’ een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Daarvan is hier sprake, aldus het college. Het perceel met nummer [kadasternummer 3] heeft het college bewust niet meegenomen, omdat dit valt onder een ander adres ( [adres 1] ) en hierop tevens een andere bestemming rust (naast de bestemming ‘Wonen’, ook de bestemming ‘Bedrijf’).

10.4.

De rechtbank kan het college hierin volgen. De percelen met kadastrale nummers [kadasternummer 2] en [kadasternummer 1] kunnen in ruimtelijk opzicht als één perceel worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank het in visueel opzicht relevant dat hier sprake is van één aaneengesloten stuk grond, met dezelfde bestemming (‘Wonen’), waarop bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten en bovendien sprake is van dezelfde eigenaren.

10.5.

Vervolgens moet worden vastgesteld wat de oppervlakte is van de reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken op deze percelen. Artikel 1 van bijlage II van het Bor definieert een “bijbehorend bouwwerk” als een “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”.

10.6.

Het college voert aan dat het deel van het bedrijfsgebouw dat op het perceel met nummer [kadasternummer 2] staat, moet worden meegeteld als zijnde een ‘bijbehorend bouwwerk’ in voornoemde zin. Dit deel van het bedrijfsgebouw behelst 164,39 m2. Reeds daarom wordt het maximum van 150 m2 aan bebouwde oppervlakte overschreden, aldus het college. Dat dit deel van het bedrijfsgebouw valt onder de definitie van een ‘bijbehorend bouwwerk’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, zodat het moet worden meegenomen in de berekening, onderbouwt het college als volgt:

  • het bestemmingsplan moet worden uitgelegd aan de hand van de feitelijke situatie;

  • het bedrijfsgebouw valt niet volledig binnen het kadastrale perceel met nummer [kadasternummer 3] , zodat de bestemming ‘Bedrijf’ ook op de perceelsgrens eindigt;

  • het deel van het bedrijfsgebouw dat feitelijk op het kadastrale perceel met nummer [kadasternummer 2] staat, heeft de bestemming ‘Wonen’;

  • overeenkomstig de in oktober 2024 verleende vergunning voor de nieuwbouw-woning, zal dat deel van het bedrijfsgebouw ook (fysiek) verbonden worden met de nieuwbouwwoning, door middel van een ondergrondse doorgang.

10.7.

De rechtbank volgt het college hierin niet. Uit de nota van toelichting bij het Bor volgt dat met functionele verbondenheid in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, wordt bedoeld dat sprake moet zijn van een gebruik van het bijbehorende bouwwerk dat in planologisch opzicht is gerelateerd aan het gebruik van het zich op hetzelfde perceel bevindende hoofdgebouw.7 De rechtbank overweegt dat dit hier niet het geval is. De rechtbank stelt vast dat het hoofdgebouw van het perceel in kwestie de nieuwbouwwoning is. Wil het betreffende deel van het bedrijfsgebouw dus aangemerkt worden als een ‘bijbehorend bouwwerk’ onder het Bor, dan dient er een functionele verbondenheid te zijn (en dus een planologische relatie) met de nieuwbouwwoning. Op het bedrijfsgebouw rust vrijwel volledig de bestemming ‘Bedrijf’ en in het bedrijfsgebouw worden louter bedrijfsfuncties uitgeoefend. Dat een deel van het bedrijfsgebouw feitelijk staat op het naastgelegen perceel met bestemming ‘Wonen’, maakt niet dat ten aanzien daarvan gesproken kan worden van een woonfunctie. Dat het gebruik van het relevante deel van het bedrijfsgebouw in planologisch opzicht gerelateerd zou zijn aan het gebruik van de nieuwbouwwoning, valt dan ook niet in te zien. Ook de fysieke (ondergrondse) verbinding tussen het betreffende deel van het bedrijfsgebouw en de nieuwbouwwoning, waarin de in oktober 2024 verleende vergunning voorziet, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Gebleken is namelijk dat deze ondergrondse verbinding slechts een noodzakelijke uitgang betreft, ten behoeve van (de brandveiligheid van) het bedrijfsgebouw.

10.8.

De rechtbank concludeert dat het betreffende deel van het bedrijfsgebouw geen ‘bijbehorend bouwwerk’ is bij de nieuwbouwwoning, in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Dat betekent dat de oppervlakte van 164,39 m2 niet meetelt in de berekening van het totaal aantal m2 aan bijgebouwen op het perceel. Wat overblijft zijn de twee ‘kleinere’ bijbehorende bouwwerken op het perceel, die volgens de toelichting van het college van 30 juni 2026 een omvang hebben van 29,41 m2 en 11,71 m2. Tezamen met de omvang van het beoogde bouwwerk ad 52,87 m2, wordt overeenkomstig artikel 2, aanhef en derde lid onder f, ten derde, van bijlage II bij het Bor het maximum van 150 m2 aan bebouwde oppervlakte niet gehaald.

11. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen, zoals opgenomen in artikel 2, derde lid, van bijlage II bij het Bor. De beroepsgrond ten aanzien van het vergunningvrij bouwen slaagt dus. Dat betekent dat het beroep gegrond is, zodat aan een beoordeling van de overige beroepsgronden niet wordt toegekomen.

Dwangsom

12. Eiser heeft de rechtbank verder verzocht te bepalen dat het college hem een dwangsom van € 1442,- verschuldigd is, vanwege het te laat nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Hij zou nimmer toestemming hebben gegeven voor verlenging van de beslistermijn, ware het niet dat het college hem reeds had toegezegd dat hij vergunningvrij mocht bouwen. Achteraf bezien is inzichtelijk geworden dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwen om onder een dwangsom uit te komen, aldus eiser.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser schriftelijk toestemming heeft verleend om de wettelijke beslistermijn te verlengen. Dat eiser dit deed met de indruk dat het college (hierdoor) positief op zijn aanvraag zou beslissen, en hij nadien spijt had van die toestemming, doet daar niets aan af. Ook na deze verlenging heeft het college niet tijdig op de aanvraag beslist. Voor het verbeuren van een dwangsom bij niet tijdig beslissen, is echter vereist dat eiser het college in gebreke stelt.8 Eiser heeft dat nagelaten. Hij maakt daarom geen aanspraak op een dwangsom. Het verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. Omdat is komen vast te staan dat het beoogde bouwwerk vergunningvrij kan worden gerealiseerd, ziet de rechtbank hierin aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.9

15. Het verzoek tot een veroordeling in het betalen van een dwangsom wordt afgewezen.

16. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is geen sprake, nu niet is gebleken – ook niet in bezwaar – dat eiser gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het college moet wel het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • herroept het besluit van 11 maart 2025;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 194,- moet vergoeden aan eiser;

  • wijst het verzoek om een veroordeling tot betaling van een dwangsom af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van

V.A.F.T. Voorn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 16 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

…

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

…

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan,

…

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.3

2. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of c, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

…

Bijlage II. Behorende bij de artikelen 2.3, 2.5a en 2.7

…

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

…

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

…

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

…

voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

niet aan of bij:

1°. een woonwagen,

2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

Buitengebied Schinnen

Artikel 1 – Begrippen

…

Artikel 1.52 - bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Artikel 22.2.3

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en carports bij woningen mag maximaal 100 m2 bedragen, met dien verstande dat het bouwperceel voor maximaal 50% mag worden bebouwd;

2e wijziging bp Buitengebied Schinnen

Artikel 22

Hiervoor gelden de regels in artikel 22 van het moederplan zoals genoemd in 1.1 voor zover relevant en met inachtneming van de volgende wijziging:

…

aan artikel 22.2.3 wordt sub f toegevoegd: bijgebouwen en carports bij woningen moeten 1,00 meter achter de voorste grens van het bouwvlak opgericht worden en dienen binnen een afstand van maximaal 40 meter vanaf de bestaande achtergevel van het hoofdgebouw c.q. woning gesitueerd te worden, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' waar de situering van bijgebouwen naar plaats nader is bepaald en uitsluitend toegestaan zijn ter plaatse van deze aanduiding;

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »