RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1700
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] (als wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter [naam] ), te Urmond, verzoeker
(gemachtigde: mr. F.J. Fernhout),
en
het college van bestuur van de Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO), verweerder
(gemachtigde: mr. H.A.A. Berendsen).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de kinderen van verzoeker: [naam] en [naam] te verwijderen als leerling van het Porta Mosana college (hierna: de school).
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.1
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Verzoeker, [naam] (hierna: dochter) en [naam] (hierna: zoon) zijn verschenen. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, [naam] en [naam] (rector van de school). De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst naar aanleiding van een wrakingsverzoek door verzoeker.
Bij beslissing van 1 september 2026 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.
Voordat een nadere zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 24 augustus 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 september 2026. Verzoeker en zijn dochter zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam] , [naam] en [naam] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
1. Verzoekers dochter en zoon volgden onderwijs aan de school in Maastricht. Op 7 juli 2026 (het incident) was er op de school een ‘inzagemoment’ voor de toets aardrijkskunde van de zoon. Verzoeker is die dag met zijn kinderen op school verschenen en heeft plaatsgenomen in het lokaal waar de toetsinzage plaatsvond. Hierna heeft een woordenwisseling plaatsgevonden.
2. Verweerder heeft verzoeker vervolgens meegedeeld het voornemen te hebben om zijn kinderen van het Porta Mosana college te verwijderen vanwege de gebeurtenissen (het incident) van 7 juli 2026 in samenhang met de al gedurende langere tijd escalerende verhouding tussen verzoeker en de school.
3. Bij besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn kinderen met onmiddellijke ingang zijn geschorst gedurende de verwijderingsprocedure. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het schorsingsbesluit. Verweerder heeft op 24 juli 2026 een besluit genomen waarin op het bezwaar tegen het schorsingsbesluit is beslist en tegelijk het verwijderingsbesluit is genomen. De schorsing is vervallen nu de kinderen zijn verwijderd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het verwijderingsbesluit en beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar gericht tegen het schorsingsbesluit.
4. Op de zitting van 12 augustus 2026 heeft verzoeker zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken voor zover gericht tegen het schorsingsbesluit. De voorzieningenrechter heeft partijen meegedeeld dat zij het verzoek zal behandelen voor zover dit is gericht tegen het besluit tot verwijdering van de kinderen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst vanwege een verzoek tot wraking door verzoeker. Tijdens deze schorsing heeft verweerder bij besluit van 24 augustus 2026 het bezwaar tegen het verwijderingsbesluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
5. Nadat de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek ongegrond heeft verklaard is het onderzoek ter zitting voortgezet op 8 september 2026.
Omvang van het geding
6. De gemachtigde van verzoeker heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening uitsluitend nog betrekking heeft op de verwijdering van de dochter (en dus niet van de zoon) van de school. De voorzieningenrechter heeft partijen op de zitting meegedeeld dat zij geen gebruik zal maken van haar bevoegdheid tot ‘kortsluiting’, omdat de beroepszaak (ROE 26/2154) nog niet compleet is en de dochter belang heeft bij een uitspraak op korte termijn. De voorzieningenrechter doet dus alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Het standpunt van verzoeker
7. Verzoeker voert aan -kort samengevat- dat verweerder feitelijk de kinderen straft voor het aan hem verweten gedrag. De gedragingen die verweerder aan het verwijderingsbesluit ten grondslag legt, gaan over hem en niet over de kinderen. In dit verband verwijst hij ook naar een eerder vonnis van de rechtbank Limburg (Burgerlijk recht) van 7 juli 2022 inzake een -vergelijkbaar- conflict tussen hem en de toenmalige lagere school van de zoon. Verweerder heeft verder de belangen van de dochter (afzonderlijk) onvoldoende meegewogen. Zij wordt extra geraakt, omdat zij vlak voor haar examenjaar feitelijk wordt uitgesloten van onderwijs. Met betrekking tot het incident van 7 juli 2026 stelt verzoeker dat dit wordt betwist en door verweerder onvoldoende is onderzocht. In dat verband stelt hij dat de toetsinzage (ook) voor ouders was bedoeld. Hij mocht dus op 7 juli op school aanwezig zijn. Over de belangenafweging door verweerder stelt hij dat het belang van verweerder in hoofdzaak is gelegen in rust, veiligheid en werkbaarheid. Dit belang kan, volgens verzoeker, worden beschermd met minder verstrekkende maatregelen (die zich richten op de ouderlijke communicatie of aanwezigheid).
8. Aanvullend heeft de gemachtigde van verzoeker op de zitting van 8 september 2026 aangevoerd -samengevat- dat niet (schriftelijk) is gebleken dat een andere school bereid is om de dochter toe te laten. Ook is niet gebleken dat er (verplicht) overleg heeft plaatsgevonden met de inspectie. Ten slotte is aangevoerd dat er in dit geval geen sprake is van heel bijzondere omstandigheden (ultimum remedium) op grond waarvan de dochter van school zou moeten worden verwijderd en dat een belangenafweging in haar voordeel zou moten uitvallen.
De verwijdering van de dochter van verzoeker
9. Op grond van artikel 8:15 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (Wvo) kan het bevoegd gezag een leerling van school verwijderen. Dit is alleen mogelijk als een andere school bereid gevonden wordt de leerling toe te laten.
In de memorie van toelichting (MvT) staat dat in heel bijzondere omstandigheden een leerling kan worden verwijderd wegens het (ontoelaatbaar) gedrag van de ouder(s). Op grond van de rechtspraak2 moet de verwijdering van een leerling vanwege het gedrag van een ouder een ‘ultimum remedium’ zijn. Hiervan kan slechts sprake zijn als de aanwezigheid van de ouder(s) een ernstige verstoring van de rust of veiligheid op school oplevert.
Andere school 3 :
10. In het bestreden besluit staat dat aanvankelijk Trevianum bereid was om de dochter in te schrijven, maar dat deze school haar bereidheid inmiddels heeft ingetrokken. Verweerder heeft vervolgens het Connect college bereid gevonden om de dochter in te schrijven. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog toegelicht dat verweerder contact heeft gehad met het Connect college en dat deze school nog steeds bereid is om de dochter in te schrijven. Zij kan daar per direct starten als zij zich inschrijft. Dit betekent dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een andere school bereid is om de dochter toe te laten. Een schriftelijke bevestiging daarvan zou wellicht de voorkeur verdienen, maar is geen vereiste op grond van de wet. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mogelijkheid voor de dochter naar een andere school te gaan, nu de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard heeft zelf contact te hebben gehad met de alternatieve scholen. Dit contact blijkt ook uit het gegeven dat de school uit eigen beweging heeft aangegeven dat Trevianum niet langer bereid is de dochter op te nemen, waarop de school vervolgens een ander alternatief heeft gevonden. Hierbij is van belang dat de bereidheid tot toelating niet hetzelfde is als de feitelijke inschrijving bij de school. Het is uiteindelijk aan verzoeker om zijn dochter (tijdig en op de juiste wijze) op de school in te schrijven.
Overleg met de inspectie 4 :
11. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat er telefonisch overleg heeft plaatsgevonden met de inspectie en dat er een brief aan de inspectie is verzonden over (het voornemen tot) de verwijdering van de kinderen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. Dit betekent dat verweerder heeft voldaan aan deze wettelijke verplichting.
Ultimum remedium:
De voorgeschiedenis
12. De school heeft aangegeven dat het incident niet op zichzelf staat. Er is al langere tijd sprake van een escalerende verhouding met verzoeker. Verweerder verwijst, om dit te onderbouwen, onder meer naar de volgende communicatie:
- Bij brief van september 2024 heeft de rector van de school verzoeker, naar aanleiding van een eerdere brief, een laatste kans gegeven om normaal te communiceren met de school over het telefoonbeleid van de school (op school zijn geen telefoons toegestaan). Onbehoorlijke communicatie en bedreigingen zullen niet langer worden getolereerd.
- Bij e-mail van 19 december 2024 heeft de rector verzoeker (naar aanleiding van een incident met de zoon op school) meegedeeld dat hij stelselmatig de gang van zaken in school blijft bekritiseren, de schoolregels negeren en dat moet stoppen.
- Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft de rector verzoeker meegedeeld (naar aanleiding van het incident met de zoon) dat er door zijn gedrag en zijn uitlatingen een onwerkbare situatie aan het ontstaan is. Als hij zijn gedrag niet wijzigt, zal de school zich gaan beraden over het verwijderen van zijn kinderen van de school.
- Op 10 januari 2025 heeft de school verzoeker een toegangsverbod opgelegd, omdat hij zonder aankondiging vooraf of afspraak het schoolgebouw is binnengekomen. Hierbij is verzoeker meegedeeld dat als hij zich niet houdt aan de (in de brief vermelde 3) voorwaarden voor het contact met de school, dit kan leiden tot verwijdering van de kinderen van de school. Ditzelfde geldt als verzoeker het toegangsverbod overtreedt.
- Bij brief van 16 april 2026 heeft de teamleider van de school verzoeker gevraagd om zijn houding en communicatie richting de school per direct aan te passen. Indien een dergelijk incident (met betrekking tot het contact met de sevicebalie van de school) zich opnieuw voordoet, ziet de school zich genoodzaakt verdere maatregelen te treffen. Zoals een contactverbod en, in het uiterste geval, verwijdering van de school.
- Bij brief van 3 juli 2026 heeft verweerder verzoeker verboden om individuele medewerkers van school of de stichting -zowel zakelijk of privé- rechtstreeks te benaderen over de zoon, de voortgangs-/overgangsbespreking, klachten, aansprakelijkstellingen, juridische procedures of daarmee samenhangende onderwerpen. Alle communicatie over deze onderwerpen dient voortaan uitsluitend te verlopen via één in de brief genoemde contactpersoon, waar het de school betreft.
13. Verzoeker heeft aangegeven dat er een conflict is tussen hem en de school, maar stelt zich op het standpunt dat de oorzaak van het conflict aan de zijde van verweerder ligt. Verweerder heeft -onder meer- zijn zoon niet de benodigde begeleiding en steun gegeven op school, zijn zoon een ten onrechte een vmbo overgangsadvies gegeven, de school heeft onjuist gehandeld met betrekking tot de moeder van de kinderen, medewerkers van verweerder hebben zich niet correct gedragen en de weergave die verweerder van het incident en eerdere feiten en omstandigheden heeft gegeven is onjuist.
14. Hoewel beide partijen anders aankijken tegen de oorzaak van het conflict, is niet in geschil dat er al langere tijd een conflict bestaat tussen verzoeker en de school. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat uit de door verweerder overgelegde verklaringen blijkt dat meerdere medewerkers van de school onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat zij de wijze van communiceren van verzoeker en zijn optreden als dwingend, intimiderend en in sommige gevallen zelfs als bedreigend hebben ervaren. Verder vindt de voorzieningenrechter van belang dat uit de communicatie van verzoeker aan verweerder blijkt dat verzoeker individuele medewerkers van de school, en dus niet alleen de school als zodanig, dreigt met civiele en strafrechtelijk procedures, alsook om een schadevergoeding op hen (hoofdelijk) te verhalen. Tot slot vindt de voorzieningenrechter van belang dat uit de communicatie van verweerder aan verzoeker blijkt, dat de verwijdering niet uit de lucht komt vallen. Er zijn eerder andere maatregelen genomen, ook is er meermalen gewaarschuwd dat het gedrag van verzoeker tot een verwijdering van zijn kinderen zou kunnen leiden.
Het incident van 7 juli 2026
15. Bij informatiebrief (toetsinzage leerjaar 2) heeft de school meegedeeld dat op dinsdag 7 juli de toetsinzage plaatsvindt van alle toetsen uit de afgelopen toetsweek.
Verzoeker is met zijn kinderen naar dit inzagemoment op school gegaan voor de toets aardrijkskunde. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de informatiebrief duidelijk blijkt dat dit inzagemoment voor leerlingen was bedoeld en niet voor ouders en ook niet voor broers en zussen. In de brief (gericht aan de leerlingen) staat namelijk: “Leerlingen van leerjaar 2 die hun toetsen willen inzien, kunnen op deze dag tijdens lesuur 3 en 4 langskomen om hun gemaakte toetsen te bekijken en eventueel vragen te stellen aan de aanwezige vakdocenten.” Dat deze brief ter informatie ook aan de ouders is toegezonden, maakt niet dat daarmee ouders ook voor dit inzagemoment zijn uitgenodigd. Bovendien heeft verzoeker op 3 juli, dus enkele dagen voor dit inzagemoment, een brief ontvangen waarin staat dat al zijn contact met school, waaronder fysieke benadering op school, uitsluitend moet gaan via de in die brief genoemde contactpersoon.
16. Verzoeker is vervolgens verzocht het lokaal (waar de toetsinzage was) te verlaten, zodat het inzagemoment ongestoord kon worden voortgezet. Verzoeker heeft hier geen gehoor aan gegeven en is pas van school vertrokken nadat de politie was gebeld door de rector. Voor de lezing van verzoeker, dat hij niet voor een verstoring van de rust heeft gezorgd, maar zich – in tegenstelling tot de rector - correct heeft gedragen, vindt de voorzieningenrechter geen steun. Ook de door verzoeker meegestuurde audio-opname van het incident is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, eerder een bevestiging van de verstorende houding van verzoeker op school. Nog los van de inhoud van dit audiobestand, is op geen enkele manier gebleken dat verzoeker toestemming had en/of duidelijkheid aan aanwezigen heeft gegeven over het maken van deze opname.
17. Dat verzoeker naar een toetsinzage is gegaan die duidelijk voor leerlingen bedoeld is, terwijl hij kort daarvoor een brief heeft gekregen waarin hem wordt gesommeerd alle contact via één contactpersoon te laten gaan, dat hij in het klaslokaal en op school audio opnames heeft gemaakt, en dat hij niet aanstonds de school heeft verlaten toen daarom werd gevraagd, is op zichzelf al een ernstige verstoring van de rust en veilige leeromgeving die de school moet kunnen bieden. Dit nog los van wat er gedurende het incident heeft afgespeeld en is gezegd.
18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van de ‘de voorgeschiedenis’ en het ‘incident’ verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het (ontoelaatbare) gedrag van verzoeker sprake is van heel bijzondere omstandigheden als bedoeld in de MvT bij de wet5. De houding van verzoeker zorgt voor veel onrust op school, zowel voor leerlingen als medewerkers. Voordat de school tot de verwijdering is overgegaan, zijn al meerdere andere maatregelen toegepast, om te proberen de rust en verhoudingen te herstellen. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De voorzieningenrechter kan ook volgen dat verweerder er geen vertrouwen (meer) in heeft dat verzoeker zich zal houden aan met hem gemaakte afspraken. Dit betekent dat er geen ‘werkbare’ samenwerking tussen de school en verzoeker meer mogelijk is en de verwijdering van de dochter kan worden beschouwd als ultimum remedium.
19. Dat de aanleiding van de voorgeschiedenis en het incident beiden zagen op de zoon van verzoeker, maakt niet dat de verwijdering van zijn dochter geen stand kan houden. De relatie tussen verzoeker en de school is, na wat er de afgelopen tijd gebeurd is, zodanig verstoord dat de school in het geheel niet meer met verzoeker verder wil. Hoewel de dochter van verzoeker een succesvolle schoolcarrière op de school heeft gehad, zonder problemen, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat er in haar examenjaar iets gebeurt waar verzoeker het niet mee eens is. Verschillende leraren hebben al aangegeven dat zij geen les willen geven aan de dochter van verzoeker, omdat zij bang zijn dan in aanraking te komen met verzoeker. Bovendien zijn, gedurende de procedure rondom de schorsing en verwijdering, ook de verhoudingen tussen school en de dochter zelf verslechterd. De dochter was tijdens het toetsinzagemoment voor haar broer en het daaropvolgende incident ook aanwezig. Zij heeft haar eigen zienswijze gegeven op de gebeurtenissen, en daarin onder meer de rector beschuldigd van intimidatie (van haar en haar vader) en het uitschelden van haar vader. Zij wil -zo staat in haar verklaring- dat de onprofessionaliteit en onzorgvuldigheid van de rector stopt. Hij pleegt volgens de dochter smaad en laster, doet onrechtmatige daden, handelt in strijd met het belang van het kind en komt zijn wettelijke zorgplicht niet na. Gelet op deze omstandigheden bij elkaar, kan de voorzieningenrechter verweerder volgen in het standpunt dat een verwijdering, ook van de dochter, als ultimum remedium, nodig is om de rust en veiligheid op school te herstellen.
20. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het verwijderingsbesluit stand kan houden.
De belangenafweging
21. Los van de juridische weging wordt bij een spoedzaak ook een belangenafweging gemaakt.
22. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de dochter van verzoeker een groot belang heeft om in haar examenjaar op school te kunnen blijven en de school zo te kunnen afmaken. Hoewel verweerder heeft aangegeven dat Connect college bereid is om met haar te overleggen over de weging van haar tussentijdse resultaten, en dat het mogelijk moet zijn om haar examenjaar zonder vertraging af te ronden, is een overstap in deze periode voor de dochter zeer ongelukkig. Zij heeft al een start gemaakt met bepaalde projecten en schoolwerkzaamheden. Los daarvan is stabiliteit en continuïteit belangrijk voor haar om zich op haar schoolwerk te kunnen focussen. Tot slot is ook de sociale kant van een (vertrouwde) school erg belangrijk. Op een nieuwe school beginnen in het eindexamenjaar draagt aan al deze punten niet bij.
23. Daar staat het belang van de school, de medewerkers en de andere leerlingen op de school tegenover om ongestoord in een veilige omgeving onderwijs te kunnen geven en krijgen. Uit de voorgeschiedenis blijkt dat de school veelvuldig heeft geprobeerd een andere oplossing te zoeken, maar dat dit niet is gelukt. Verschillende leraren hebben aangegeven de dochter geen les meer te willen geven uit angst voor verzoeker. Bovendien is inmiddels het conflict tussen verzoeker en de school zo opgelopen, dat ook de dochter zelf daarin een rol heeft gekregen. De dochter zelf heeft aangegeven zich geïntimideerd te voelen door de rector en heeft hem beschuldigd van onder meer, laster en smaad. Onder deze omstandigheden haar schoolcarrière voortzetten op deze school is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor geen van de betrokkenen ideaal. Voor goede onderlinge verhoudingen is het immers belangrijk dat de school en ook de rector een bepaalde mate van gezag genieten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van wat hiervoor is overwogen verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van de school, de medewerkers en de overige leerlingen bij een veilige leer- en werkomgeving zwaarder moeten wegen dan het belang van de dochter van verzoeker om op school te blijven.
Conclusie en gevolgen
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het noodzakelijk was om de dochter van school te verwijderen wegens het (ontoelaatbaar) gedrag van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
25. Voor een proceskostenveroordeling van verweerder bestaat geen aanleiding.
26. Met betrekking tot het verzoek van verweerder om verzoeker in de proceskosten te veroordelen overweegt de rechtbank dat dit alleen mogelijk is bij kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van kennelijk onredelijk gebruik is sprake als kan worden vastgesteld dat het op het moment van het indienen van het beroep/verzoek evident was dat hiervan geen positief resultaat was te verwachten. Hiervan is in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek van verweerder dan ook af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op: 16 september 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.