ECLI:NL:RBLIM:2026:9252

Datum uitspraak
02-09-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/03/345344 / HA ZA 25-399
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Geschil met de curator over de executieopbrengst van een veiling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/345344 / HA ZA 25-399

Vonnis van 2 september 2026

in de zaak van:

[partij 1] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij 1] ,

advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,

tegen:

1 [partij 2] ,

te [plaats 2] (België),

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij 2] ,

advocaat: mr. B.P.W. van Brink,

en:

2 2. mr. [de curator] Q.Q.,

te [plaats 3] ,

gedaagde partij in conventie,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. [de curator] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal in de (rangregelings)procedure met zaaknummer C/03/343269 / HA RK 25/101 van 9 september 2025, waarin door de rechter-commissaris is vastgesteld dat partijen hebben ingestemd met een renvooiprocedure en de zaak door de rechter-commissaris is verwezen naar de rol van dagvaardingszaken voor – kort gezegd – een “conclusie van eis” aan de zijde van [partij 1] , waarbij [partij 2] en de curator worden aangemerkt als “gedaagde partijen”,

- de conclusie van eis in de renvooiprocedure met producties 1 tot en met 5 van [partij 1] ,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met bijlagen 1 tot en met 13 van [partij 2] ,

- de conclusie van antwoord in de renvooiprocedure met producties 1 tot en met 6 van de curator,

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende een voorwaardelijk beroep op niet-ontvankelijkheid (exceptio plurium litis consortium) met producties 6 tot en met 9 van [partij 1] ,

- het ‘overzicht bijlagen’ met daarbij gevoegd ‘bijlage 2’ van [partij 2] ,

- de akte tot overlegging aanvullende producties in conventie (6 tot en met 9) en aanvullende productie in reconventie (10) van [partij 1] ,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2026,

- de spreekaantekeningen van (de advocaat van) [partij 1] ,

- de spreekaantekeningen van (de advocaat van) [partij 2] ,

- het B16-formulier op de rol van 3 juni 2026 van [partij 1] , waarin deze de rechtbank vraagt vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [persoon 1] (hierna te noemen: [persoon 1] ) exploiteerde in het verleden een eenmanszaak. Deze eenmanszaak is in de loop van het jaar 2012 ingebracht in 100 Healey’s BV, een besloten vennootschap. Op 2 oktober 2014 heeft ter zake deze onderneming een structuurwijziging plaatsgevonden, waarbij de naam van laatstgenoemde vennootschap is gewijzigd in Investment Grade Services BV (hierna te noemen: IGS).

2.2.

Op 2 oktober 2014 is daarnaast Investment Grade Restorations BV (hierna te noemen: IGR) en Investment Grade People BV (hierna te noemen: IGP) opgericht. IGS houdt vanaf laatstgenoemde datum 100% van de aandelen van IGR en IGP. IGR is een besloten vennootschap van waaruit daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, dat wil zeggen het repareren, restaureren en verkopen van auto’s ( Austin Healey’s ).

2.3.

Op 30 december 2014 hebben [persoon 1] (als ‘schuldenaar’ of ‘verkoper’) en [partij 2] (als ‘schuldeiser’ of ‘koper’) bij notariële akte een overeenkomst van geldlening met elkaar gesloten voor een bedrag van € 165.000,-. In deze akte is bepaald dat de geleende gelden uitsluitend door [persoon 1] worden aangewend voor de bouw van een (kopie van) Austin Healey 100 Sebring no. 5 (hierna te noemen: de auto). Tot zekerheid van terugbetaling van deze lening heeft IGS in deze akte (als ‘pandgever’ of de ‘vennootschap’) – kort gezegd – pandrecht verstrekt op alle mallen en onderdelen zoals omschreven in de bijlage 1 welke gehecht is aan de pandakte (waarbij het concept als bijlage 2 is aangehecht). Voorts heeft IGS aan [partij 2] in pand gegeven de (te bouwen) auto. Van het voorgaande is een separate pandakte opgemaakt, die eveneens is gedateerd op 30 december 2014.

2.4.

Op 9 september 2019 en op 4 november 2019 hebben [partij 1] (als ‘geldgever’) en IGS, vertegenwoordigd door [persoon 1] (als ‘geldnemer’), overeenkomsten van geldlening met elkaar gesloten voor de bedragen van € 125.000,- en € 199.308,81. Tot zekerheid van nakoming door IGS van de verplichting tot terugbetaling van deze geldbedragen heeft IGS aan [partij 1] verpand – kort gezegd – alle huidige en toekomstige roerende zaken, waaronder in ieder geval doch niet exclusief verstaan wordt de inventaris, voorraden, mallen en tekeningen welke IGS in eigendom heeft, dan wel in de toekomst in eigendom zal verkrijgen.

2.5.

Op 30 juni 2020 is IGS failliet verklaard met benoeming van de curator als curator.

2.6.

Op 28 juli 2020 is IGR failliet verklaard met benoeming van de curator als curator.

2.7.

In het kader van de afwikkeling van voornoemde faillissementen heeft de curator de tot de boedel(s) behorende (roerende) zaken middels twee veilingen verkocht. In de veiling met [nummer 1] (hierna te noemen: veiling [nummer 1] ) is de netto verkoopopbrengst van € 66.584,501 (na aftrek van de overeengekomen voorgeschoten kosten voor opslag, taxatie veiling en boedelbijdrage) gestort op de rekening Stichting Beheer Derdengelden van KampsVanBaar Advocaten. In de veiling met [nummer 2] (hierna te noemen: veiling [nummer 2] ) is de netto verkoopopbrengst van € 43.073,712 overgemaakt aan de boedelrekeningen van IGS en IGR, waarvan de curator € 6.534,-3 heeft toegewezen aan de boedel van IGS.

2.8.

Met betrekking tot veiling [nummer 1] hebben [partij 1] en [partij 2] tijdens de mondelinge behandeling op 8 mei 2026 een regeling getroffen, in die zin dat – kort gezegd – daarvan aan [partij 2] toekomt een bedrag van € 23.000,- en het restant van de opbrengst van deze veiling toekomt aan [partij 1] . In deze regeling is tevens opgenomen dat [partij 2] afstand doet van aanspraken op de opbrengst van veiling [nummer 2] en hebben [partij 2] en [partij 1] afgesproken dat zij ieder de eigen proceskosten dragen.

3 Het geschil

3.1.

Gegeven de door de rechter-commissaris blijkens het proces-verbaal van 29 juli 2025 ter zake de rangregelingsprocedure gegeven beslissingen, inhoudende de bepalingen dat [partij 1] en [partij 2] beide een voorwaardelijk recht op de opbrengst van veiling [nummer 1] hebben en de bepalingen dat [partij 1] en de curator beide een voorwaardelijk recht op de opbrengst van veiling [nummer 2] hebben, strekt de onderhavige renvooiprocedure er enkel toe om ieders aanspraak op de executieopbrengst van beide veilingen vast te stellen. Doel van een renvooiprocedure is immers dat alsnog wordt vastgesteld of een betwiste vordering bestaat. De onderhavige renvooiprocedure biedt daarom niet de mogelijkheid om andere zaken in rechte te laten vaststellen, zoals het veroordelen van één van de betrokken partijen tot betaling van een geldbedrag.

3.2.

Gelet op het voorgaande, de tussen [partij 1] en [partij 2] getroffen regeling ter zake veiling [nummer 1] en het feit dat [partij 2] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op de opbrengst van veiling [nummer 2] , is alleen het geschil ten aanzien van de opbrengst van veiling [nummer 2] nog aan de orde, waarbij dus enkel de standpunten van [partij 1] en de curator van belang zijn. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat de discussie over de (verdeling van de) opbrengst van veiling [nummer 1] volledig is beslecht. Hoewel met name door [partij 1] eerder ter discussie is gesteld of de curator terecht bepaalde kosten (ter zake [persoon 2] ) ten laste van de bruto opbrengst van veiling [nummer 1] heeft gebracht, is daar geen concrete vordering aan gekoppeld. Gelet op de getroffen regeling ter zake veiling [nummer 1] neemt de rechtbank dus aan dat daarover niet meer hoeft te worden beslist.

3.3.

Het geschil spitst zich dus toe op de vraag wie aanspraak kan maken op de opbrengst van veiling [nummer 2] en voor welk bedrag. Gelet op voorgaande overwegingen zal de rechtbank zich dan ook enkel buigen over de vordering van [partij 1] in de conclusie van eis onder II en dan alleen voor wat betreft de hierin gevraagde verklaring voor recht dat de executieopbrengst, bestaande uit de opbrengst van veiling [nummer 2] , geheel aan [partij 1] toekomt. Al hetgeen overigens door [partij 1] is gevorderd, zal de rechtbank gelet op het voorgaande afwijzen. Aan een beoordeling van het (in reconventie) door [partij 2] gevorderde komt de rechtbank niet toe, reeds gelet op de inhoud van de op 8 mei 2026 getroffen regeling.

4 De beoordeling

4.1.

De discussie tussen [partij 1] en de curator over elkaars aanspraken op de executieopbrengst van veiling [nummer 2] gaat naar het oordeel van de rechtbank in de kern over de volgende vragen:

  1. zijn de geveilde zaken zogenaamde bodemzaken, waarvan de curator de opbrengst zou moeten opeisen ten behoeve van de belastingdienst ter (mogelijke) voldoening van een vordering op grond van artikel 22 lid 3 Invorderingswet?

  2. behoorden de geveilde zaken toe aan IGR in plaats van aan IGS en heeft IGS (in 2019) dus geen van die zaken aan [partij 1] kunnen verpanden, omdat hij bij het aangaan van de overeenkomsten van geldlening en verpanding met [partij 1] handelde namens IGS en niet IGR?

4.2.

Wat betreft de eerste vraag heeft [partij 1] gemotiveerd gesteld dat en waarom er geen sprake was van een aanspraak van de belastingdienst (een zogenaamde artikel 29 lid 7 Wet OB-claim) op grond waarvan de opbrengst van de geveilde zaken door de curator opgeëist zou moeten worden4. De rechtbank stelt vast dat de curator niet op dit uitvoerige betoog van [partij 1] is ingegaan, zodat het standpunt van [partij 1] wordt gevolgd. De aanspraak van [partij 1] op de executieopbrengst van veiling [nummer 2] kan dus niet worden afgewezen vanwege het beroep van de curator op het bodemvoorrecht van de belastingdienst.

4.3.

Ten aanzien van de tweede vraag heeft de curator onder meer het volgende gesteld.

De middels veiling [nummer 2] verkochte inventaris, machines en gereedschappen behoorden in eigendom niet toe aan IGS, maar aan IGR. Immers, in 2015 zijn de toen aanwezige inventaris, machines, gereedschappen en toebehoren in eigendom overgedragen aan IGR terwijl IGS de (later middels veiling [nummer 1] verkochte) voorraad behield. Dit wordt bevestigd door het feit dat er vanaf 2015 geen inventaris, machines en gereedschappen meer op de balans van IGS staan maar wel op de balans van IGR, alsook dat uit de administratie van IGS en IGR blijkt dat vanaf 3 oktober 2014 alleen IGR inventaris, machines en gereedschappen inkocht. Nu [partij 1] claimt eind 2019 pandrechten te hebben verkregen van IGS op (ook) de roerende zaken, kunnen die pandrechten niet op die inventaris, machines en gereedschappen rusten. Daaraan doet niet af dat bij de geldleningsovereenkomsten tussen [partij 1] en IGS lijsten zijn gevoegd waar inventaris, machines en/of gereedschappen op zijn vermeld. Er kan namelijk enkel verpand worden waarover men beschikkingsbevoegd is. IGS was evenwel niet beschikkingsbevoegd, want zij was geen eigenaar van de in de lijsten opgenomen zaken.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator met het voorgaande gemotiveerd gesteld dat en waarom moet worden aangenomen dat de met veiling [nummer 2] verkochte inventaris, machines, gereedschappen, zaken waren die vanaf 2015 toebehoorden aan IGR en dat IGS deze dus in 2019 niet heeft kunnen verpanden aan [partij 1] . De verklaring in de geldleningsovereenkomsten die inhoudt dat de daarin genoemde inventariszaken van IGS zijn en worden verpand, doet daar niet aan af omdat die in beginsel alleen IGS bindt en (de boedel van) IGR daaraan dus niet gehouden kan worden. Verder kan niet worden aangenomen dat [persoon 1] bij die gelegenheid tevens namens IGR verklaarde te (zullen) verpanden, omdat in de geldleningsovereenkomsten nu eenmaal expliciet wordt verwezen naar alleen IGS als partij en schuldenaar/pandgever. Dat het geleende geld is aangewend voor de exploitatie van IGR maakt dat niet anders. Evenmin kan hieraan afdoen de stelling van [partij 1] dat [persoon 1] alles (in IGR en IGS) door elkaar liet lopen en er door toedoen van [persoon 1] een discrepantie zit tussen de concrete, specifieke zaken op de bijlage(s) bij de geldleningsovereenkomsten die verpand zouden zijn en het feit dat [persoon 1] op de voorpagina IGS noteerde als pandgever. Enkel door IGS als (beweerdelijk) pandgever te vermelden, is IGS immers nog geen eigenaar van de betreffende zaken geworden en kan het niet zo zijn dat IGS (om die reden) opeens wel beschikkingsbevoegd zou zijn geworden. In zoverre kan [partij 1] dus niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij als pandhouder aanspraak kan maken op de executieopbrengst van veiling [nummer 2] voor zover betrekking hebbend op inventaris, machines en gereedschappen.

4.5.

Ten aanzien van de geveilde zaken heeft de curator aanvankelijk aangegeven dat een deel daarvan toch voorraad betrof en behoorde tot het vermogen van IGS, in welk kader [partij 1] heeft gesteld dat de curator in dit verband een bedrag van € 9.005,48 aan de boedelrekening van IGS heeft overgemaakt5. Aan de hand van de conclusie van antwoord van de curator, meer specifiek de als productie 5 overgelegde e-mail van 25 januari 2021 van de curator aan [partij 2] en [partij 1] , kan echter worden opgemaakt dat de curator van de opbrengst € 6.534,00 inclusief btw heeft kunnen toewijzen aan IGS. Dat volgt ook uit de faillissementsverslagen van de curator betreffende IGS en IGR van 16 oktober 20246. [partij 1] heeft dit nader door de curator geduide bedrag niet concreet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Daarbij speelt een rol dat het door [partij 1] aangehaalde bedrag van € 9.005,48 komt uit een tussentijds financieel verslag in het faillissement van IGS en daarin als ‘art. 57 lid 3 Fw’ actief is geduid en (dus) als de opbrengst van inventaris en niet van voorraad.

Vervolgens heeft de curator gesteld dat het achteraf toch onjuist was om een deel van de opbrengst over te boeken naar de boedelrekening van IGS, maar dat nieuwe standpunt heeft de curator verder niet toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat dit wel van de curator had mogen worden verwacht, gelet op zijn eerdere andere inschatting waarnaar hij heeft gehandeld (door een deel van de opbrengst toe te voegen aan de boedel van IGS) en het feit dat vaststaat (althans door de curator zelf wordt gesteld) dat voorraadzaken, zoals de bedoelde zaken kennelijk te duiden zijn en binnen de door IGS/IGR gedreven onderneming beschikbaar waren, behoorden tot het vermogen van IGS. Aldus gaat de rechtbank ervan uit dat het door de curator aan IGS toegewezen deel van de opbrengst van veiling [nummer 2] verband houdt met geveilde zaken die verpand waren aan [partij 1] , omdat [partij 1] eind 2019 op de voorraden van IGS een pandrecht heeft verkregen. De beslissing luidt dan ook dat wordt bepaald dat van de (netto) executieopbrengst van veiling [nummer 2] aan [partij 1] toekomt een bedrag van € 6.534,00.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat zowel [partij 1] als de curator deels gelijk krijgen. In ieder geval kan niet worden gezegd dat één van partijen volledig in het ongelijk is gesteld. Gelet hierop zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren op de wijze zoals in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat van de (netto) executieopbrengst van veiling [nummer 2] aan [partij 1] toekomt een bedrag van € 6.534,00,

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »