ECLI:NL:RBLIM:2026:7091

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12100112 \ CV EXPL 26-629
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering betaling factuur afgewezen. Niet is vast komen te staan dat gedaagde opdracht heeft gegeven en daarmee als contractspartij van eiser heeft te gelden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12100112 \ CV EXPL 26-629

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eisende partij] B.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: In-Kas Intermediair BV,

tegen

[gedaagde partij] , voorheen h.o.d.n. [bedrijf] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] verricht onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan koffiemachines.

2.2.

[gedaagde partij] heeft in november 2023 de koffiemachine en de afnameverplichting van koffie en aanverwante producten overgenomen van Blanche Dael in verband met de voorgenomen opening van haar winkeltje op 18 november 2023.

2.3.

Bij e-mail van 3 november 2023 heeft een accountmanager van Blanche Dael het volgende geschreven aan [eisende partij] :

“Bij deze de gegevens van [persoon] i.v.m. het nakijken van de conti machine, graag zsm afspraak plannen ivm opening op 18 november.”

2.4.

Op 6 november 2023 heeft [eisende partij] het volgende gemaild naar de accountmanager van Blanche Dael:

“Ik heb de klant proberen te bellen maar geen gehoor. We proberen het morgen nog een keer.”

Deze e-mail heeft [eisende partij] ook gestuurd naar een van haar medewerkers. [eisende partij] heeft de betreffende medewerker gevraagd om [gedaagde partij] als klant aan te maken.

2.5.

Bij e-mail van 7 november 2023 laat [eisende partij] aan de accountmanager van Blanche Dael weten dat de afspraak met de klant is ingepland voor de volgende dag (8 november 2023).

2.6.

Vervolgens heeft [eisende partij] op 8 november 2023 onderhoudswerkzaamheden verricht aan een traditionele Piston koffiemachine van het merk Conti. Dit is de koffiemachine, die stond opgesteld op het adres waar [gedaagde partij] haar winkeltje zou openen.

2.7.

Op 18 november 2023 heeft [gedaagde partij] haar winkeltje geopend.

2.8.

Naar aanleiding van de werkzaamheden van 8 november 2023 heeft [eisende partij] een factuur van € 265,41 aan [gedaagde partij] gezonden. De factuur is, ondanks aanmaningen, onbetaald gebleven.

2.9.

Met ingang van 1 oktober 2024 heeft [gedaagde partij] haar winkeltje opgeheven.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van het bedrag van € 383,96

(€ 265,41 in hoofdsom plus € 78,55 aan wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Wat is gebeurd?

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag wie opdracht heeft gegeven voor de onderhoudswerkzaamheden.

4.2.

[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] als opdrachtgever moet worden aangemerkt, omdat de onderhoudswerkzaamheden zijn verricht aan een door haar gebruikte koffiemachine en de factuur ook aan haar is gezonden.

4.3.

[gedaagde partij] betwist dat zij opdrachtgever is geweest. Volgens haar is de opdracht verstrekt door Blanche Dael. Ter onderbouwing heeft zij een e-mail van 3 november 2023 overgelegd, waarin een accountmanager van Blanche Dael aan [eisende partij] verzoekt zo spoedig mogelijk een afspraak te maken om de koffiemachine na te kijken in verband met de opening van het winkeltje van [gedaagde partij] op 18 november 2023. [gedaagde partij] voert aan dat Blanche Dael belang had bij een goed functionerende koffiemachine, omdat zij de leverancier van koffie en aanverwante producten was.

De inhoudelijke beoordeling

4.4.

Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [eisende partij] de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde partij] opdracht heeft gegeven voor de onderhoudswerkzaamheden.

4.5.

De kantonrechter stelt vast dat zich in het dossier de algemene voorwaarden van [eisende partij] bevinden. Daarin is bepaald dat deze voorwaarden van toepassing zijn op iedere mondelinge of schriftelijke overeenkomst tussen [eisende partij] en de opdrachtgever. Verder wordt onder opdrachtgever het volgende verstaan:

“Iedere natuurlijk persoon die handelt in de uitoefening van een bedrijf of beroep of een rechtspersoon en gebruik maakt of wenst te maken van de diensten van [eisende partij] BV en tot wie aanbiedingen of opdrachtbevestigingen zijn gericht.”

4.6.

Deze bepalingen geven weer wie volgens [eisende partij] als opdrachtgever wordt aangemerkt, maar kunnen niet zelfstandig tot de conclusie leiden dat [gedaagde partij] in dit geval ook daadwerkelijk de overeenkomst met [eisende partij] heeft gesloten. Daarvoor blijft bepalend wie met [eisende partij] contact heeft opgenomen en wat er tussen alle partijen over en weer is verklaard en wat zij uit elkaars gedragingen hebben mogen afleiden.

4.7.

Uit de overgelegde e-mail van 3 november 2023 blijkt dat het initiatief voor de onderhoudswerkzaamheden afkomstig was van de accountmanager van Blanche Dael. Daarnaast bevinden zich in het dossier e-mails van [eisende partij] van 6 november 2023 en 7 november 2023 aan de accountmanager van Blanche Dael. Hoewel [eisende partij] daarin schrijft dat zij “de klant” heeft geprobeerd te bellen en dat de afspraak “voor morgen is ingepland met de klant”, maar het enkele feit dat zij [gedaagde partij] als klant omschrijft, betekent niet dat [gedaagde partij] ook de opdracht heeft gegeven. Integendeel, uit de overgelegde correspondentie blijkt dat Blanche Dael de opdracht heeft gegeven aan [eisende partij] om een koffiemachine na te kijken. Ook het daadwerkelijk inplannen van de afspraak is terug gekoppeld aan Blanche Dael. Uit deze feiten en omstandigheden moet voorshands worden opgemaakt dat de opdrachtgever Blanche Dael was en niet [gedaagde partij] . Hoewel de afspraak niet zonder medewerking van [gedaagde partij] kon worden gepland nu zij immers feitelijk in het pand aanwezig was, laat dat onverlet dat de opdracht is verstrekt door Blanche Dael.

4.8.

Het enkele feit dat de factuur aan [gedaagde partij] is verzonden, is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde partij] als contractspartij van [eisende partij] heeft te gelden. Dat [gedaagde partij] zou hebben aangegeven dat de factuur aan haar zou kunnen worden verzonden, is door [gedaagde partij] gemotiveerd betwist en door [eisende partij] niet nader onderbouwd. Daaraan gaat de kantonrechter dan ook voorbij.

Conclusie

4.9.

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde partij] als opdrachtgever en daarmee als contractspartij van [eisende partij] heeft te gelden. Dat betekent dat zij niet voor de betaling kan worden aangesproken. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden afgewezen. De gevorderde nevenvorderingen, waaronder de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen.

De proceskosten

4.10.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »