ECLI:NL:RBLIM:2026:2589

Datum uitspraak
25-03-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12013919 \ CV EXPL 25-6140
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

geldleningsovereenkomst. Vordering toegewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12013919 \ CV EXPL 25-6140

Vonnis van 25 maart 2026

in de zaak van

BRIDGEFUND B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: BridgeFund,

gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

in persoon verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft een eenmanszaak gevoerd onder de naam [bedrijf] . De onderneming is op 27 januari 2025 uitgeschreven uit de registers van de Kamer van Koophandel.

2.2.

BridgeFund heeft met [gedaagde] op of omstreeks 30 april 2024 een overeenkomst van geldlening (Overeenkomst van Flexibel Krediet) gesloten ter financiering van de bedrijfsactiviteiten.

2.3.

Er is een betalingsachterstand van € 8.247,28.

3 Het geschil

3.1.

BridgeFund vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.813,45 (€ 8.247,28 aan hoofdsom, € 69,29 aan rente en € 1.496,88 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze procedure om de vraag of [gedaagde] de gevorderde bedragen en rente moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dit zal hierna worden toegelicht.

4.2.

[gedaagde] erkent althans betwist niet dat er een achterstand is ontstaan. Hij voert aan dat de problemen zijn ontstaan nadat hij had doorgegeven dat de betalingen via een andere bankrekening zouden lopen. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat hij via de mail een betaalverzoek zou ontvangen, maar dat is niet steeds gelukt. Er is sprake van een gebrekkige communicatie bij BridgeFund en dat was voor [gedaagde] reden om contact te vermijden.

4.3.

BridgeFund stelt dat de problemen inderdaad zijn ontstaan bij de wisseling van de bankrekening. Zij mocht niet automatisch incasseren van een privérekening. Er zijn wel een aantal betaalverzoeken verstuurd, maar deze zijn niet allemaal betaald.

4.4.

Het verweer van [gedaagde] kan geen stand houden. Ook al zou BridgeFund geen betaalverzoeken meer hebben gestuurd dan had hij zelf handmatig moeten betalen. Dit is niet gebeurd.

Omdat het openstaande bedrag niet is betwist, kan dit worden toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde en niet betwiste rente en incassokosten.

De gevorderde legeskosten worden geacht deel uit te maken van de proceskosten. Daarvoor wordt een vergoeding van € 2,95 toegekend, zodat het meerdere wordt afgewezen.

4.5.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BridgeFund worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

149,09

- griffierecht

€

135,00

- salaris gemachtigde

€

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.148,09

4.6.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 8.316,57, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 3,5% per maand over een bedrag van € 8.247,28, met ingang van 25 november 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 1.496,88 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2025 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.148,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »