RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12337044 \ AZ VERZ 26-113
Beschikking van 8 oktober 2026 (BIJ VERVROEGING)
in de zaak van
DE GEMEENTE [plaats 1],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar,
tegen
[werknemer] ,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. drs. C.A.H. Lemmens.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 31,
- het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 4,
- de door de gemeente nagezonden getuigenverklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] en het overzicht met berekeningen van (onder meer) de WW-uitkering in geval van beëindiging van het dienstverband,
- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de pleitaantekeningen van beide partijen.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[werknemer] , geboren [datum] 1961, is sinds 1 maart 2024 in dienst bij de gemeente. De functie van [werknemer] is directeur bedrijfsvoering en publieke dienstverlening met een loon van € 11.250,00 bruto per maand, een vaste arbeidsmarkttoelage van € 697,80 en 17,05% IKB.
De CAO Gemeenten is van toepassing.
Met ingang van 1 juli 2023 vond binnen de gemeentelijke organisatie een reorganisatie plaats. Hierbij is de gemeentelijke organisatie opgedeeld in drie domeinen: het Domein Bedrijfsvoering en Dienstverlening, het Domein Sociaal en het Domein Fysiek.
[werknemer] vormde samen met [persoon 1] , directeur van het Domein Sociaal, en [persoon 2] , directeur van het Domein Fysiek, het directieteam (DT) van de gemeente. In de hiërarchische verhouding viel [werknemer] onder de aansturing van de gemeentesecretaris [persoon 3] . Na diens plotselinge vertrek begin december 2025 viel [werknemer] onder de plaatsvervangend gemeentesecretaris [persoon 2] en vanaf 12 december 2025 valt hij onder de interim-gemeentesecretaris [persoon 4] .
[werknemer] was belast met een complexe en omvangrijke veranderopgave binnen het Domein Bedrijfsvoering en Dienstverlening.
In 2025 zijn er periodiek gesprekken gevoerd tussen [persoon 3] en [werknemer] over de voortgang van deze veranderopgave.
Begin december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders de samenwerking met [persoon 3] beëindigd.
Op 11 december 2025 heeft [werknemer] een WhatsAppbericht aan [persoon 2] gezonden waarin hij schrijft:
“Dag [persoon 2] , ondanks alle vervelende perikelen rondom [persoon 3] , staat na het DT van maandag jl ook mijn wereld een beetje op zijn kop. In dat DT heeft [persoon 1] haar vertrouwen in mij opgezegd. Ik weet dat je het als loco ontzettend druk hebt maar ik zou graag vandaag even met jou willen sparren over de consequenties daarvan?”
Op 15 december 2025 verzendt [persoon 2] het volgende bericht aan [werknemer] :
“Zoals afgesproken donderdag heb ik [persoon 5] en [persoon 6] vertrouwelijk ingelicht. Heb aangegeven dat we beiden alles netjes willen regelen. [persoon 6] contacteert [persoon 7] om
te kijken wat de geplogenheden zijn. Verder, zoals afgesproken, geen communicatie. (…)”
Op 29 december 2025 informeert [werknemer] of er al iets bekend is over een regeling, die hij wil voorleggen aan zijn advocaat. [persoon 2] antwoordt, kort gezegd, dat [werknemer] moet wachten tot 5 januari 2025 voor daar meer bekend over is. [werknemer] reageert dan:
“Ok dan wacht ik dat af. Ik vind het gezien de situatie erg moeilijk om nog in [plaats 1] te komen. Hetzelfde als bij [persoon 3] , als het vertrouwen in je wordt opgezegd dan voel je je leeg en overbodig. Ik zou je dan ook willen voorstellen of vrijstelling van werk te geven of mijzelf ziek melden. Ik zit er redelijk doorheen en het gaat dan ook niet echt goed met me.”
[persoon 2] antwoordt als volgt:
“Je hebt vrij tot 5/1. En vanaf dan zullen we vrijstelling regelen. Ik begrijp dat ons overleg dan niet doorgaat op 5/1 en dat je het liever schriftelijk afhandelt? Klopt? Ik ben trouwens steeds bereid tot een kop koffie. Gewoon even praten, zonder formaliteiten.”
Een tekstvoorstel van de gemeente om de afwezigheid van [werknemer] in- en extern te communiceren is op 5 januari 2026 niet akkoord bevonden door [werknemer] , omdat daarin stond dat partijen gezamenlijk tot de conclusie waren gekomen dat voortzetting van de samenwerking niet opportuun was.
Op 12 januari 2026 heeft [werknemer] de gemeente laten weten dat hij streeft naar voortzetting van het dienstverband.
Op 23 januari 2026 heeft [persoon 4] [werknemer] uitgenodigd voor een kennismakings- en verkenningsgesprek, waarbij [persoon 2] aanwezig zou zijn. Vanwege de aanwezigheid van [persoon 2] heeft [werknemer] dit afgewezen. In plaats daarvan heeft [werknemer] een gesprek voorgesteld in aanwezigheid van beide advocaten.
Dit gesprek vond plaats op 2 februari 2026. Partijen zijn overeengekomen dat mediation moest worden ingezet om de verhoudingen te normaliseren en hervatting van de werkzaamheden van [werknemer] mogelijk te maken. Mediation heeft plaatsgevonden en op
22 mei 2026 is door de mediator meegedeeld dat de mediation was beëindigd.
Partijen hebben daarna nog tevergeefs gecorrespondeerd over een oplossing.
3 Het verzoek en het verweer
De gemeente verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden, primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair vanwege andere omstandigheden, meer subsidiair vanwege een combinatie van omstandigheden. Verder verzoekt de gemeente, kort gezegd, om voor recht te verklaren dat [werknemer] geen aanspraak heeft op een na-wettelijke uitkering zoals bedoeld in de CAO.
Volgens de gemeente is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. In de optiek van de gemeente is [werknemer] , nadat hij eind 2025 kritiek had gekregen, tot de conclusie gekomen dat het vertrouwen in hem zou zijn opgezegd. Inmiddels hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden, is een oplossing niet in zicht en is het wederzijds vertrouwen volledig komen te vervallen. [werknemer] wil zijn functie niet prijsgeven, maar blokkeert ook een oplossing door belemmeringen op te werpen. De gemeente neemt het [werknemer] kwalijk dat hij niet wilde meewerken aan de communicatie over de ontstane situatie. Deze situatie kan niet langer blijven bestaan. Aan het domein dat aan [werknemer] was toevertrouwd kan op dit moment niet goed leiding worden gegeven. Er is geen mogelijkheid tot herplaatsing en er rust geen plicht op de gemeente om [werknemer] te detacheren.
[werknemer] verweert zich uitgebreid tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [werknemer] voert in essentie aan dat geen sprake is van gefundeerde kritiek op zijn functioneren en dat door de wijze waarop [persoon 1] en [persoon 2] hem in december 2025 hebben laten vallen, sprake is van karaktermoord. De gemeente heeft zich onvoldoende ingespannen om de problemen op te lossen. Er is geen redelijke grond voor ontbinding en de gemeente heeft niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichting.
Voor zover nodig zal de kantonrechter de stellingen van partijen hieronder weergegeven en bespreken.
4 De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.1 Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.2
De kantonrechter oordeelt dat er in dit geval geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond moet sprake zijn van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding, zodanig dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet meer van de werkgever kan worden verlangd. Niet iedere verstoring is daarvoor voldoende. Het gaat om het geheel van de omstandigheden, waaronder ook de wijze waarop het conflict is ontstaan en wat partijen hebben gedaan om het op te lossen. Daarbij geldt dat ook een verstoring waaraan de werkgever zelf heeft bijgedragen, uiteindelijk een grond voor ontbinding kan opleveren.
Uit de stukken blijkt dat er in het najaar van 2025 zorgen bestonden over de voortgang binnen het Domein Bedrijfsvoering en Dienstverlening en over de wijze waarop [werknemer] aan zijn opdracht uitvoering gaf. Gemeentesecretaris [persoon 3] heeft hem daarop aangesproken. Van [werknemer] werd verlangd dat hij meer prioriteiten stelde, zijn span of attention verkleinde, verantwoordelijkheden lager in de organisatie belegde en met een meer gestructureerde aanpak kwam.
Over hetgeen vervolgens in december 2025 is voorgevallen, lopen de lezingen uiteen. Volgens [werknemer] heeft [persoon 1] op 8 december het vertrouwen in hem opgezegd en heeft [persoon 2] enkele dagen later een vergelijkbaar standpunt ingenomen. [persoon 1] en [persoon 2] bestrijden dat. Volgens hen hebben zij slechts ernstige twijfels geuit over de vraag of [werknemer] de opdracht tot een goed einde kon brengen en was het juist [werknemer] die daarop de conclusie trok dat het voor hem ophield en over een vertrekregeling begon.
Misschien zijn partijen wat in december 2025 is voorgevallen achteraf in meer absolute termen gaan duiden. [persoon 1] en [persoon 2] kunnen hun kritiek op [werknemer] immers in zodanig scherpe bewoordingen hebben geuit, of zodanig bruusk dat [werknemer] daaruit heeft begrepen dat hij niet langer op hun steun kon rekenen. Daarbij hoeven de letterlijke bewoordingen niet doorslaggevend te zijn. Ook als wordt uitgegaan van de lezing van de gemeente dat [persoon 1] en [persoon 2] het vertrouwen in [werknemer] niet met zoveel woorden hebben opgezegd, maar slechts ernstige twijfels hebben geuit over de vraag of hij zijn opdracht tot een goed einde zou kunnen brengen, is dat binnen deze context potentieel ontwrichtend en leidt dat, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot een andere uitkomst.
Vast staat hoe dan ook dat de verhoudingen binnen het DT van de gemeente in december 2025 onder druk zijn komen te staan. Uit het voorgaande volgt dat de aanzet daartoe in elk geval is gegeven door [persoon 1] en, zij het in mindere mate, [persoon 2] . Zij uitten, zoals al gememoreerd, niet mis te verstane kritiek op de manier waarop [werknemer] uitvoering gaf aan de veranderopgave binnen zijn domein. De daarmee ontstane tweespalt vormt de opmaat naar de voorliggende zaak.
Niet onbelangrijk daarbij is dat niet is komen vast te staan dat [werknemer] disfunctioneerde. Een dossier dat een dergelijke conclusie kan dragen, ontbreekt. De gemeente beroept zich daar ook niet op. [persoon 3] had weliswaar zorgen over de voortgang en heeft die bij [werknemer] aan de orde gesteld, maar daaruit kan nog niet de conclusie worden getrokken dat [werknemer] zijn functie niet naar behoren vervulde. Hij had bovendien te maken met een buitengewoon ingewikkelde veranderopgave binnen een gemeente waar op dat moment veel aan de hand was. De kritiek op zijn functioneren moet tegen die achtergrond worden bezien.
Daar komt bij dat de leden van het DT tijdens een lunch op 3 december 2025, zoals [werknemer] heeft gesteld, op uitdrukkelijke vraag van [persoon 3] nog hebben uitgesproken dat zij vertrouwen in elkaar hadden. Enkele dagen later stelde [persoon 1] zich opnieuw kritisch tegenover [werknemer] op en liet ook [persoon 2] ronduit weten eraan te twijfelen of hij de veranderopgave wel tot een goed einde zou kunnen brengen. Hoe dat venijn in zo korte tijd vrij spel kon krijgen, is niet goed uit de verf gekomen.
Het vertrek van [persoon 3] speelt hierbij mogelijk een rol. De kantonrechter heeft [werknemer] op de zitting gevraagd of dit alles volgens hem ook zou zijn gebeurd als [persoon 3] gemeentesecretaris was gebleven. [werknemer] antwoordde daarop zonder aarzelen dat dit volgens hem niet het geval zou zijn geweest. Natuurlijk valt niet vast te stellen hoe de zaken dan zouden zijn gelopen, maar compleet uit de lucht gegrepen lijkt die gedachte niet. Uit de stukken komt immers naar voren dat [persoon 3] , ondanks zijn kritiek, [werknemer] bleef ondersteunen en de samenwerking binnen het DT wilde voortzetten. Juist kort na zijn plotselinge vertrek is de situatie in het DT geëscaleerd. Dat roept de vraag op of het conflict bij een adequate opstelling van de gemeente niet beheersbaar had kunnen blijven.
Het beeld dat hoe dan ook naar voren komt, is dat er aanvankelijk vooral een probleem was in de samenwerking tussen drie directeuren, waarbij [persoon 1] en [persoon 2] tegenover [werknemer] kwamen te staan. Een dergelijke situatie is op zichzelf ernstig, zeker op dit niveau binnen de organisatie. Een verstoring van de samenwerking binnen het DT raakt immers ook de verhouding tussen [werknemer] als werknemer en de gemeente als werkgever. Daarmee staat echter nog niet vast dat die verstoring zodanig ernstig en duurzaam is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet meer van de gemeente kan worden verlangd. Daarvoor moet ook worden gekeken naar de wijze waarop het conflict zich vervolgens heeft ontwikkeld en naar wat de gemeente heeft gedaan om de verhoudingen te herstellen.
De kantonrechter is er niet van overtuigd geraakt dat de gemeente zich daarin voldoende van haar taak heeft gekweten. De gemeente lijkt zich, mede door de tussentijdse wisseling van de wacht, vrij gemakkelijk te hebben aangesloten bij de positie van [persoon 1] en [persoon 2] . Van een zelfstandig onderzoek naar wat er precies was misgegaan en hoe de samenwerking weer op gang kon worden gebracht, blijkt weinig. Dat klemt temeer omdat [persoon 4] , die begin 2026 in opvolging van [persoon 3] als interim-gemeentesecretaris aantrad, [werknemer] niet uit eigen ervaring kende. Juist in die situatie had van de gemeente een neutralere en actievere houding mogen worden verwacht. De gemeente heeft daarin naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende haar verantwoordelijkheid genomen.
Daar komt bij dat de gemeente aanvankelijk kennelijk zelf nog mogelijkheden zag voor terugkeer van [werknemer] binnen het DT. [persoon 4] heeft in februari 2026 laten weten dat [werknemer] de kans moest krijgen om te laten zien dat hij de gewenste verbeteringen kon realiseren maar dat hij daarbij zou worden begeleid door [persoon 1] (volgens [werknemer] : onder leiding van [persoon 1] ). Daarmee werd aan de terugkeer van [werknemer] een vorm van begeleiding verbonden door [persoon 1] , terwijl juist zij een centrale rol had gespeeld in het kort daarvoor ontstane conflict. Een dergelijke terugkeerconstructie lag bepaald niet voor de hand.
De gemeente verwijt [werknemer] dat hij daarbij allerlei voorwaarden stelde en de gang van zaken vertraagde door zand in de machine te strooien. De kantonrechter volgt haar daarin niet, hoewel de gemeente kan worden toegegeven dat [werknemer] op momenten ook voortvarender had kunnen zijn. Gelet op wat zich in december had afgespeeld, was het echter niet onbegrijpelijk dat [werknemer] eerst afzonderlijk met [persoon 4] wilde spreken en zich zo nodig door zijn advocaat wilde laten bijstaan. Er was inmiddels al over beëindiging van zijn dienstverband gesproken. Ook zijn wens om eerst via mediation de verhoudingen binnen het DT te verbeteren, was niet onredelijk. De gemeente heeft daar bovendien mee ingestemd.
De mediation heeft vervolgens ruim twee maanden geduurd en heeft uiteindelijk niets opgeleverd. Aan die omstandigheid komt zeker betekenis toe, als ook aan de omstandigheid dat het even heeft geduurd voordat de mediation überhaupt van start kon gaan. Wat er tijdens de mediation is gewisseld, is onbekend. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen wie zich tijdens de gesprekken wellicht onwrikbaar of juist soepel heeft opgesteld, welke voorstellen zijn gedaan en waarom het uiteindelijk niet is gelukt de verhoudingen te herstellen. Uit het enkele mislukken van de mediation kan dan ook niet worden afgeleid dat [werknemer] degene is geweest die herstel heeft gefrustreerd.
Evenmin kan het mislukken van de mediation op zichzelf de conclusie dragen dat de verstoring daarmee duurzaam en onherstelbaar is geworden. Dat geldt temeer nu de gemeente niet lang daarvoor – naar eigen zeggen – nog mogelijkheden voor terugkeer zag. Zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat er nadien is gebeurd waardoor die terugkeer definitief onmogelijk zou zijn geworden.
Dat geldt ook voor het verwijt dat [werknemer] alles te lang heeft laten duren. Het is waar dat hij maandenlang niet werkzaam is geweest en dat zijn terugkeer daardoor moeilijker werd. [persoon 1] en [persoon 2] wijzen daar in hun verklaringen ook op. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die vertraging vooral aan [werknemer] te wijten is. Hij was vrijgesteld van werkzaamheden en partijen hadden gezamenlijk besloten mediation te proberen. Als het draagvlak binnen de gemeente in die periode is afgenomen, zoals [persoon 1] en [persoon 2] benadrukken, kan dat daarom niet zonder meer aan [werknemer] worden tegengeworpen.
Dat neemt niet weg dat de verhoudingen inmiddels ernstig op de proef zijn gesteld en dat een terugkeer van [werknemer] binnen het DT van de gemeente niet eenvoudig zal zijn. Dat is echter niet waar het om gaat. De gemeente moet aannemelijk maken dat sprake is van een verstoring die zodanig ernstig en duurzaam is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst van haar als werkgever redelijkerwijs niet meer kan worden verlangd. Juist dat is onvoldoende uit de verf gekomen. De gemeente beroept zich daarvoor vooral op het mislukken van de mediation, het tijdsverloop en het afgenomen draagvlak. Uit het voorgaande volgt echter dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat deze omstandigheden voor rekening van [werknemer] komen. Daarbij komt dat onvoldoende is gebleken dat de gemeente zelf alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht om de verhoudingen te herstellen.
Alles overziend oordeelt de kantonrechter dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsverhouding zo ernstig en duurzaam is verstoord dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet meer van haar kan worden gevergd. De g-grond is niet voldragen.
De door de gemeente aangedragen h-grond is evenmin voldragen. De gemeente motiveert deze in essentie door te wijzen op een ernstig en onoplosbaar verschil van inzicht. De h-grond is daar echter niet voor bedoeld en ook is deze niet bedoeld voor het repareren van een onvoldoende onderbouwd beroep op de g-grond. Hierdoor kan ook het beroep op i-grond niet slagen.
Het algemene bewijsaanbod van de gemeente, voor zover dat ziet op de gebeurtenissen in december 2025, zal worden gepasseerd omdat ook als wordt uitgegaan van de door de gemeente gegeven lezing en door [persoon 1] en [persoon 2] niet met zoveel woorden is gesproken in termen van het opzeggen van vertrouwen, de uitkomst niet anders wordt.
Over herplaatsing heeft de gemeente aangevoerd dat deze niet in de rede ligt, omdat [werknemer] ook in een andere functie zal moeten samenwerken met [persoon 1] en [persoon 2] . Daarnaast heeft zij een overzicht van vacatures overgelegd en ten aanzien van twee specifieke vacatures toegelicht waarom deze volgens haar niet passend zijn. Daarmee heeft de gemeente – een grote werkgever – echter onvoldoende invulling gegeven aan haar herplaatsingsplicht. Niet is gebleken van een op [werknemer] toegespitst onderzoek naar binnen de organisatie beschikbare passende functies, waarbij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten en de mogelijkheid van eventuele scholing zijn betrokken. Evenmin is gebleken dat de gemeente hierover met [werknemer] in gesprek is gegaan. De enkele omstandigheid dat [werknemer] in een andere functie mogelijk in meerdere of mindere mate met [persoon 1] en [persoon 2] te maken zou krijgen, maakt een dergelijk onderzoek niet bij voorbaat zinloos. De gemeente heeft ook op dit punt een onvoldoende open blik gehad. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Ook daarom kan het ontbindingsverzoek niet worden toegewezen.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
De proceskosten komen voor rekening van de gemeente, omdat de gemeente ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026 door mr. Otto. |
||