ECLI:NL:RBLIM:2026:10304

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
ROE 26/76
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet (PW). Partijen zijn verdeeld over de vraag of de SVB het maandelijks tekort van eiser moet aanvullen door middel van een AIO of dat eiser hiervoor bij de gemeente moet zijn door middel van bijzondere bijstand. De rechtbank volgt de SVB in zijn standpunt dat in dit geval de gemeente door middel van het toekennen van bijzondere bijstand het gat in de begroting van eiser moet opvullen. De rechtbank baseert zich hiervoor op de tekst uit de Memorie van Toelichting bij artikel 23 van de PW. Dit betekent dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/76

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. D. Dronkers),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.L.F.B. Metz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de aanvraag om een AIO terecht heeft afgewezen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder dit terecht heeft gedaan. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 25 september 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend om een AIO. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd en op verzoek van de rechtbank aanvullende stukken ingediend.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, vergezeld van [naam bewindvoerder] (de bewindvoerder van eiser), [naam begeleider] (de begeleider van eiser) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontvangt vanaf 11 februari 2006 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor alleenstaande.

3.1.

Vanaf 1 december 2015 ontvangt hij een AIO.

3.2.

Met ingang van 13 december 2021 heeft verweerder deze AIO weer ingetrokken, omdat eiser niet heeft gereageerd op het verzoek van verweerder om de inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden over het jaar 2020 in te sturen.

3.3.

Met ingang van 5 april 2022 heeft verweerder eiser opnieuw een AIO toegekend.

3.4.

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft eiser bij besluit van 11 oktober 2024 met ingang van 11 oktober 2024 voor onbepaalde tijd geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) in de vorm van Beschermd wonen met intensieve dementiezorg (Zorgprofiel VV 05) op basis van een Modulair Pakket Thuis (MPT).

3.5.

Met ingang van 16 november 2024 is eiser onder bewind gesteld.

3.6.

Eiser is op 4 december 2024 verhuisd naar het Zorghuis van het [naam locatie] . De zorg wordt verleend door het CAZZ Zorgt. Op 23 december 2024 heeft de bewindvoerder dit aan verweerder doorgegeven.

3.7.

Bij brief van 27 december 2024 heeft verweerder bij eiser geïnformeerd naar zijn woonsituatie.

3.8.

Op 26 januari 2025 heeft eiser de huurovereenkomst aan verweerder doen toekomen. Hieruit blijkt dat eiser een kamerappartement in het Zorghuis huurt voor € 650,- per maand. Dit is inclusief gas, water, licht, technisch onderhoud en het gebruik van de algemene ruimtes en de kapel. Deze huurovereenkomst maakt integraal onderdeel uit van en is onlosmakelijk verbonden met de zorgovereenkomst, waarin onder meer wordt bepaald dat de huurder verplicht is zorg en begeleiding van de begeleidende instantie (het genoemde CAZZ Zorgt) aan te nemen.

3.9.

Bij besluit van 18 maart 2025 heeft verweerder eiser bericht dat zijn AIO per 5 maart 2025 is ingetrokken, omdat hij vanaf die datum drie maanden in een zorginstelling woont. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3.10.

Op 25 september 2025 heeft eiser opnieuw een AIO aangevraagd bij verweerder.

3.11.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat eisers inkomsten hoger zijn dan de voor hem geldende AIO-norm. In het geval van eiser is dat de norm voor een alleenstaande die minimaal drie maanden in een zorginstelling verblijft. Die norm bedroeg ten tijde van het primaire besluit € 478,49 per maand. Verweerder heeft eisers inkomsten vastgesteld op € 1.171,16 per maand. Dit is hoger dan het voor eiser geldende normbedrag.

3.12.

Er heeft geen hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden.

3.13.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor eiser geldt de bijstandsnorm van € 478,49. Dit is de norm voor personen die in een inrichting wonen: de inrichtingsnorm. Eiser heeft een inkomen van € 1.171,16 (netto AOW-pensioen met vakantiegeld). Eisers inkomen is dus hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Eiser heeft daarom geen recht op een AIO-aanvulling.

Toetsingskader

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 25 september 2025, de datum waarop verweerder de aanvraag om AIO heeft ontvangen, tot en met 10 oktober 2025, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).

Standpunt eiser

5. Eiser heeft aangevoerd dat zijn financiële situatie structureel problematisch is. Ondanks de inzet van bijzondere bijstand (voor kosten bewindvoering en kosten mentorschap) resteert een maandelijks tekort. Uit het budgetplan van februari 2026 blijkt een structureel negatief saldo van afgerond € 280,- per maand. De vaste lasten, waaronder huur ten bedrage van € 650,- en servicekosten ten bedrage van € 150,- kunnen niet uit de AOW worden voldaan. De tekorten lopen op. De situatie is volgens eisers bewindvoerder onhoudbaar. Enerzijds wordt eiser door verweerder als verblijvend in een inrichting aangemerkt, waardoor hij slechts aanspraak maakt op de lage inrichtingsnorm. Anderzijds worden essentiële woon- en leefkosten niet vanuit de Wlz vergoed en bestaat geen recht op huurtoeslag, omdat eiser in een onzelfstandige woonruimte woont. Het gevolg is dat eiser, ondanks aanvullende gemeentelijke voorzieningen, structureel niet kan voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Eiser is van mening dat verweerder gelet op artikel 47c, eerste lid, van de PW de algemene bijstand op zijn omstandigheden, mogelijkheden en middelen had moeten afstemmen. Eiser heeft in dit verband gewezen op twee uitspraken. Een van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 juni 20231 en een van de rechtbank Gelderland van 5 maart 20182.

Standpunt verweerder

6. Verweerder is het hier niet mee eens. Verweerder blijft van mening dat het maandelijks tekort niet betaald moeten worden uit de algemene bijstand/AIO, maar vergoed moet worden vanuit de bijzondere bijstand door de gemeente. Volgens verweerder heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat woonkosten altijd uit de algemene bijstand dienen te worden voldaan. Verweerder heeft in dat verband gewezen op de Memorie van Toelichting3 bij artikel 23 van de PW waarin expliciet aandacht is besteed aan deze situatie. Hieruit blijkt volgens verweerder dat in de situatie, waarin bepaalde kosten niet onder de verpleeg- of verzorgingskosten vallen terwijl sprake is van een inrichtingsnormsituatie, in deze kosten moet worden voorzien middels bijzondere bijstand. In de uitzonderlijke situatie dat verpleeg- of verzorgingskosten (waaronder voeding, huisvesting, verwarming en onderhoud vallen) voor rekening van de belanghebbende zelf komen, kan daarin worden voorzien door middel van bijzondere bijstand. Dat hier sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van bestaan (woonkosten) doet daar niet aan af. Het gaat dus om specifieke bijzondere kosten waarin naar de mening van verweerder enkel kan worden voorzien door middel van bijzondere bijstand. Aangezien het niet verweerder is die de bijzondere bijstand uitvoert, is de gemeente hier de aangewezen instantie.

Oordeel rechtbank

7. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat eiser in de periode waar het hier om gaat in een inrichting in de zin van de PW4 verbleef. Omdat eiser in een inrichting verbleef, was de inrichtingsnorm op hem van toepassing.

7.1.

In artikel 23 van de PW is de norm voor personen die in een inrichting verblijven vastgesteld. Dit is een lager bedrag dan het normbedrag voor personen die niet in een inrichting verblijven5.

7.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder het maandelijks tekort van eiser moet aanvullen door middel van een AIO of dat eiser hiervoor bij de gemeente Roermond moet zijn door middel van bijzondere bijstand.

7.3.

De rechtbank heeft in dit kader op zitting met partijen de door eiser overgelegde budgetplannen bekeken. Een van februari 2026 en een van augustus 2026. In vergelijking met het budgetplan van februari 2026 is er bij het budgetplan van augustus 2026 een post bij de Inkomsten bijgekomen, namelijk “Bijzondere Bijstand Overige – Gemeente Roermond” ten bedrage van € 320,03. De bewindvoerder en de gemachtigde van eiser hebben hierover desgevraagd ter zitting toegelicht dat dit een tijdelijk noodverband is dat door de gemeente Roermond is toegekend om te voorkomen dat eiser uit zijn woning werd gezet. Het is bijzondere bijstand voor het maandelijks tekort van eiser. Het betreft geen definitieve toekenning, omdat de gemeente Roermond net als eiser van mening is dat de woonkosten vanuit de algemene bijstand moeten worden vergoed en niet vanuit de bijzondere bijstand.

7.4.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat in dit geval de gemeente door middel van het toekennen van bijzondere bijstand het gat in de begroting van eiser moet opvullen. Dit is in de praktijk ook inmiddels – zij het tijdelijk – gebeurd.

7.5.

De rechtbank baseert zich hiervoor op de tekst uit de Memorie van Toelichting bij artikel 23 van de PW6. Hierin staat:

“Personen die ter verpleging of verzorging in een inrichting (…) verblijven, worden niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting. De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit andere hoofde wordt vergoed. Gelet op dit verschil in noodzakelijke bestaanskosten geldt voor personen in inrichtingen een aparte bijstandsnorm. Deze is afgestemd op de beperkte uitgaven die voor rekening van de belanghebbende blijven. In de uitzonderlijke situatie dat verpleeg- of verzorgingskosten voor rekening van de belanghebbende zelf komen, kan daarin worden voorzien door middel van bijzondere bijstand. 7 De normen voor personen in een inrichting zijn, evenals de overige normen, gekoppeld aan het netto minimumloon, met toepassing van de Wet Koppeling met Afwijkingsmogelijkheden voor de indexering. Anders dan bij de budgetmethode, waarbij de hoogte van de normen wordt gerelateerd aan die van bepaalde aanwezige kosten, behoeven daarmee geen arbitraire uitspraken te worden gedaan over hetgeen waaraan belanghebbenden de bijstand worden geacht te besteden.

Het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid is niet van toepassing. (…)”

7.6.

In het geval van eiser bekostigt de Wlz enkel de verleende zorg en komt een aantal noodzakelijke bestaanskosten zoals huisvesting, gas, water en licht en technisch onderhoud voor zijn eigen rekening. Daarin wordt dus niet door het Zorghuis voorzien. Hiermee doet zich naar het oordeel van de rechtbank de situatie voor als bedoeld in de hiervoor weergegeven tekst van de Memorie van Toelichting bij de inrichtingsnorm uit artikel 23 van de PW en kan in deze kosten dus worden voorzien door middel van bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand kan alleen door de gemeente worden toegekend. Verweerder kan enkel algemene bijstand verlenen, in de vorm van een AIO.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026. .

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bijzondere wet - Participatiewet

In artikel 1, aanhef en onder f, van de Participatiewet staat de definitie van een inrichting. In dit geval is dat een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden.

In artikel 23 van de Participatiewet is de norm voor personen die in een inrichting verblijven vastgesteld.

In artikel 47a, eerste lid, van de Participatiewet staat dat de Sociale verzekeringsbank tot taak heeft het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:

  1. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

  2. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

In artikel 47c, eerste lid, van de Participatiewet staat dat de Sociale verzekeringsbank de algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Beleidsregel

In het beleid van de Sociale Verzekeringsbank is bepaald dat de inrichtingsnorm wordt toegepast na drie maanden onafgebroken verblijf.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »