ECLI:NL:RBLIM:2022:597

Datum uitspraak
27-01-2022
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
03/721076-18 OWV
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte als lid van een criminele organisatie hennepstekken heeft vervoerd. Voorts acht de rechtbank bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd door voorwerpen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt te vervoeren. Gelet op zijn ondergeschikte rol in de criminele organisatie en de relatief korte periode waarin hij bij de hennepstekkenhandel betrokken is geweest, legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen (3 maanden) met een proeftijd van 2 jaar op en daarnaast een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721076-18 OWV

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [adres] .

[verdachte] wordt bijgestaan door mr. L.I.M. Entjes, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16, 17 en 23 november 2021. [verdachte] is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/721076-18. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 13 januari 2022. Op 27 januari 2022 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 30.134,07.

3 De beoordeling1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] door de hierna onder 3.3 genoemde en bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door hem zijn gegaan begaan, zoals bepaald in artikel 36e, derde lid Sr, voordeel heeft verkregen. Onder verwijzing naar het proces-verbaal analyse ‘bankrekening’ en ‘huurbetalingen’ [verdachte] heeft de officier van justitie gesteld dat [verdachte] in de periode 1 januari 2015 tot 31 juli 2018 contante stortingen deed op zijn bankrekening, huurbetalingen contant verrichtte en een voertuig contant heeft aangeschaft voor een waarde van in totaal € 30.134,07 en dat die betalingen niet te verklaren zijn vanuit enige legale bron. Gelet hierop heeft [verdachte] volgens de officier van justitie wederrechtelijk verkregen voordeel genoten ten bedrage van € 30.134,07.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte] voor de medeverdachte [verdachte 1] en zijn vader diverse werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij contant betaald kreeg. Dat waren zeker niet alleen illegale werkzaamheden. [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat [verdachte] al enkele jaren voor hem werkte voor € 10,00 per uur, ongeveer 2 à 3 dagen per week. Daarmee heeft [verdachte 1] een verklaring gegeven voor het inkomen van [verdachte] . Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] zijn inkomsten niet heeft opgegeven bij de belastingdienst, zodat daarin geen reden is gelegen de ontnemingsvordering toe te wijzen. Al zou hij die inkomsten niet bij de belastingdienst hebben opgegeven dan nog is er geen reden de ontnemingsvordering toe te wijzen, omdat de omvang van het verkregen voordeel uit dit fiscale delict niet bekend is. [verdachte] heeft in 2015 nog een uitkering ontvangen en had daarom de beschikking over € 10.696,40. De aanschafwaarde van het voertuig van het merk, Fiat, type Fiorino, ten bedrage van € 4.500,00 is ten onrechte meegenomen in de berekening, nu aannemelijk is dat hij met het geld van de verkoop van een ander voertuig de Fiat Fiorino heeft aangeschaft. Uit het procesdossier blijkt niet dat [verdachte] vanaf 1 januari 2015 al strafbare feiten heeft gepleegd. [verdachte] wordt pas bij een observatie van 1 juni 2018 voor het eerst waargenomen. De ontnemingsperiode moet daarom worden teruggebracht tot 2018. Gelet op al het voorgaande is het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel veel te hoog.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Bij voormeld vonnis van heden is [verdachte] veroordeeld wegens het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 september 2018 alsmede het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a, van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b, van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e Sr moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.

Ingevolge artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Uit de artikelen 11, 11a en 11b van de Opiumwet volgt dat de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld bedreigd worden met een geldboete van de vijfde categorie. Artikel 36e, derde lid Sr is dus van toepassing, waardoor niet alleen wederrechtelijk verkregen voordeel dat is ontstaan uit de bewezen verklaarde feiten of soortgelijke feiten kan worden ontnomen, maar ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit ‘andere strafbare feiten’. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit ‘andere strafbare feiten’ aannemelijk moet zijn dat deze andere feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Bewijslastverdeling

Tegen [verdachte] is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. De resultaten hiervan zijn neergelegd het proces-verbaal analyse ‘bankrekening’ en ‘huurbetalingen’ [verdachte] .2 Daarin is vermeld dat er in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2018 in totaal

€ 16.560,00 contant is gestort op de bankrekening van [verdachte] . Daarnaast is er totaal voor een bedrag van € 9.124,07 contant (aan huur) betaald bij [bedrijf] Heelderpeel, waarvan [verdachte] sinds 19 januari 2012 een woning huurde. [verdachte] heeft contante stortingen en (huur)betalingen verricht, terwijl niet gebleken is dat dit geld afkomstig is uit een legale bron. In 2015 ontving hij een minimale UWV-uitkering en sinds 2016 ontving hij enkel zorgtoeslag. Gelet op de inhoud van dit proces-verbaal heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld en andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter deze aannemelijkheid kan gronden op de door de officier van justitie bewezen stelling dat de veroordeelde over aanzienlijke vermogensbestanddelen beschikt, die in redelijkheid niet geacht kunnen worden uit legale inkomsten verworven te zijn, terwijl de veroordeelde niet aannemelijk kan maken dat hij zich legitiem heeft verrijkt. Hoe en wanneer dit wederrechtelijk voordeel is verkregen, doet niet ter zake (TK 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 15 en p. 13). Gezien het hiervoor genoemde bewijsvermoeden is het in deze situatie aan de verdediging om aannemelijk te maken dat de contante stortingen/betalingen uit een legale bron afkomstig zijn. Evenals in het civiele recht kan de veroordeelde niet volstaan met alleen een ontkennende bewering. Van hem wordt verwacht dat hij zijn standpunt met deugdelijke feiten onderbouwt. Het is daarom aan [verdachte] om de ontnemingsvordering gemotiveerd te bestrijden.

Namens [verdachte] is aangevoerd dat hij ook legale ‘klusjes’ deed voor zijn vader en voor [verdachte 1] . Daartoe wordt verwezen naar de verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting dat [verdachte] enkele jaren voor 10,00 per uur, ongeveer 2 a 3 dagen per week werkzaamheden voor hem heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] niet heeft onderbouwd welke legale werkzaamheden hij precies heeft verricht voor [verdachte 1] en welk deel van de contante stortingen betrekking had op deze werkzaamheden. Met deze stelling heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de contante stortingen op zijn bankrekening en contante (huur)betalingen aan [bedrijf] Heelderpeel afkomstig zijn uit een legale bron. Dat geldt ook voor de stelling van [verdachte] dat hij in 2015 nog een uitkering genoot, alleen al omdat het bestaan van deze uitkering niet af doet aan de contante betalingen/stortingen die [verdachte] in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2018 heeft gedaan. Daarmee heeft hij immers geen verklaring gegeven voor de herkomst van zijn contant geld.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Contante stortingen op de bankrekening

Voor de omvang van de contante stortingen op de bankrekening van [verdachte] neemt de rechtbank onderstaand schema, zoals dit is opgemaakt door de politie als uitgangspunt en gaat zij uit van een totaalbedrag van €16.560.3 Dit totaalbedrag is door de verdediging niet betwist.

Jaar

Contante stortingen

Contante opnamen

2015

€3.820

€2.150

2016

€3.085

€80

2017

€6.875

€500

2018 (t/m) 31-7

€2.780

€40

Totaal

€16.560

€2.770

Contante (huur)betalingen

[verdachte] huurt sinds 19 januari 2012 een woning op [bedrijf] Heelderpeel.4 Uit de opgevraagde betalingsoverzichten5 blijkt volgens de politie dat [verdachte] in de onderzoeksperiode € 9.124,07 contante (huur)betalingen aan [bedrijf] Heelderpeel heeft verricht. De rechtbank komt (na het optellen van de bedragen genoemd in de betalingsoverzichten) tot een hoger bedrag aan contante (huur)betalingen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2018 dan de politie, maar zal in het voordeel van [verdachte] uitgaan van € 9.124,07.

De aanschaf van het voertuig

Voorts heeft [verdachte] sinds 4 juni 2018 een voertuig van het merk Fiat, type Fiorino met het kenteken [kenteken 1] van het bouwjaar 2011 op zijn naam staan. Van de aanschaf van dit voertuig is geen transactie aangetroffen in de bankgegevens van [verdachte] , zodat ervan uit wordt gegaan dat dit voertuig contant is betaald. Uit onderzoek naar soortgelijke voertuigen blijkt dat de waarde van een dergelijk voertuig varieert tussen € 4.450,00 - € 5.950,00. De rechtbank zal, evenals de politie, uitgaan van een waarde van € 4.450,00.6 [verdachte] heeft gesteld dat hij dit voertuig heeft aangeschaft met geld van de verkoop van een ander voertuig, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd (laat staan de legale herkomst van de kosten van aanschaf van die eventuele andere auto), zodat de rechtbank dit bedrag ook betrekt bij de berekening van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het totaalbedrag van de contante stortingen ad. € 16.560, het totaalbedrag van contante (huur)betalingen ad. € 9.124,07 en de aanschaf van het voertuig € 4.450,00 schat de rechtbank het uit strafbare feiten verkregen voordeel op € 30.134,08.

3.3.1

De op te leggen betalingsverplichting

De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 30.134,08 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4 Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 30.134,08;

  • legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 30.134,08;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 602 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.A. Colen en mr. S.A.J. Wenders, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2022.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »