ECLI:NL:RBGEL:2026:8145

Datum uitspraak
16-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05/126491-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling plegen ontuchtige handelingen (art. 245 (oud) Sr). De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen vanwege het forse leeftijdsverschil en de afwezigheid van een affectieve relatie niet tussen gelijkwaardige partners hebben plaatsgevonden (zoals de door de Hoge Raad gestelde uitzondering beoogt) en dus in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig zijn. Oplegging voorwaardelijke jeugddetentie en taakstraf. Vordering benadeelde partij.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/126491-25

Datum uitspraak : 16 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. J. Sietsma, advocaat in Koog aan de Zaan.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

31 oktober 2025 en 2 oktober 2026.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [woonplaats] , gemeente West Betuwe, met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten

het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina en/of

het brengen/duwen van zijn penis in haar mond.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bewezen kan worden dat verdachte, destijds negentien jaar oud, zijn penis in de vagina en de mond van [minderjarige] heeft gebracht, die destijds veertien jaar oud was. Er was sprake van een fors leeftijdsverschil. Er was daarnaast geen sprake van een affectieve relatie tussen beiden, ze kenden elkaar nog maar heel kort online. Ook de omstandigheden dat een kwetsbare elfjarige heeft toegekeken en dat [minderjarige] aan verdachte vergaand seksueel beeldmateriaal heeft toegestuurd maakt dat het geheel aan seksuele handelingen in strijd is met de sociaal-ethische norm en dus als ontuchtig is aan te merken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Hoewel verdachte in kalenderjaren bijna vijf jaar ouder was, functioneert verdachte op het niveau van iemand met een lagere leeftijd, als gevolg van zijn stoornis. Ten tijde van het tenlastegelegde functioneerde hij sociaal-emotioneel als iemand van ongeveer veertien (de leeftijd van [minderjarige] tijdens de seksuele handelingen). Dit kan worden afgeleid uit het Pro Justitia rapport en de reclassering bevestigt dit beeld. Bovendien hadden verdachte en [minderjarige] een affectieve, gelijkwaardige relatie. Dit wordt bevestigd door de chatgesprekken, waarin onder andere wordt gesproken over houden van en waarin [minderjarige] verdachte haar vriend noemt. Er was dus in dit geval geen sprake van machtsongelijkheid. De seksuele handelingen waren dan ook niet ontuchtig.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaande feiten

Vaststaat dat verdachte en [minderjarige] (geboren op [geboortedag] 2009) in de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 31 augustus 2024 op twee momenten seksueel contact hebben gehad in de woning van [minderjarige] in [woonplaats] , gemeente West Betuwe. Hierbij heeft verdachte zijn penis in de vagina en in de mond van [minderjarige] gebracht. 2 [minderjarige] was destijds veertien jaar oud. Verdachte was destijds achttien dan wel negentien jaar oud.3

Juridisch kader

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende duidelijk is geworden hoe het contact tussen verdachte en [minderjarige] precies is verlopen, wat er in de tijd dat verdachte en [minderjarige] online contact hadden precies is gebeurd en gezegd, op wiens initiatief het seksueel contact is begonnen en of het seksueel contact al dan niet vrijwillig heeft plaatsgevonden. Zo is aan het dossier toegevoegd een selectie van de (online)gesprekken tussen verdachte en [minderjarige] en zijn deze gesprekken onvolledig weergegeven, zodat de context van de gesprekken en de volledige inhoud ontbreekt. Zelfs binnen één chat zijn hier en daar zinnen weggelakt, die de politie kennelijk niet nuttig vond. Dat bemoeilijkt voor de rechtbank de mogelijkheid de chats op hun waarde te schatten.

Tussen [minderjarige] en verdachte hebben de ten laste gelegde seksuele handelingen plaatsgevonden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 245 Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud)4 strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd (tussen de twaalf en zestien jaar), in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Dit artikel beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden zijn aan te merken als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 (oud) Sr. Ontuchtige handelingen zijn volgens de wetsgeschiedenis handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Ter bescherming van een jeugdige onder de zestien jaar oud is het uitgangspunt dat seksueel contact met deze jeugdigen een ontuchtig karakter heeft en strafbaar is. De ontuchtigheid van het handelen kan echter ontbreken als er sprake is van:

  • vrijwillig seksueel contact tussen personen;

  • die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel;

  • een affectieve relatie hebben (vgl. HR 24 juni 1997, NJ 1997/676).

De vraag of de handelingen ontuchtig zijn, dient steeds te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval.

Beoordeling

Verdachte was ten tijde van het seksuele contact achttien dan wel negentien jaar oud, terwijl [minderjarige] op dat moment veertien jaar oud was. Er bestond dus een leeftijdsverschil van ongeveer vier jaren tussen hen. De rechtbank is van oordeel dat dit leeftijdsverschil in deze leeftijdscategorie niet gering is, juist omdat minderjarigen in de puberteit snelle en ingrijpende lichamelijke, emotionele en seksuele ontwikkelingen doormaken.

In het dossier zijn aanwijzingen te vinden waaruit volgt dat verdachte op sociaal-emotioneel gebied functioneert op een niveau dat beneden zijn kalenderleeftijd ligt. Er zijn echter geen aanwijzingen dat verdachte voor wat betreft zijn seksuele ontwikkeling achterliep op leeftijdsgenoten. Daarnaast vindt de rechtbank het daadwerkelijke leeftijdsverschil te groot om enkel uit te gaan van de leeftijd waarop de verdachte op sociaal-emotioneel gebied zou functioneren gelet op het grote verschil. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Daarnaast kenden [minderjarige] en verdachte elkaar enkel online (via Snapchat). Hoewel de verklaringen over hoe lang zij elkaar precies kenden verschillen (verdachte heeft verklaard dat zij elkaar een aantal weken online spraken en [minderjarige] heeft verklaard dat zij elkaar slechts vijf dagen online spraken), was hoe dan ook sprake van kortstondig online contact. Op de dag van het eerste seksuele contact ontmoetten zij elkaar voor het eerst. Deze afspraak was ook bedoeld om seks met elkaar te hebben.5 Er was dan ook geen sprake van een affectieve relatie.

De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen vanwege het forse leeftijdsverschil en de afwezigheid van een affectieve relatie niet tussen gelijkwaardige partners hebben plaatsgevonden (zoals de door de Hoge Raad gestelde uitzondering beoogt) en dus in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig zijn. De rechtbank merkt hierbij op dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [minderjarige] onvrijwillig hebben plaatsgevonden, maar ook indien de handelingen vrijwillig zouden hebben plaatsgevonden, zou dit het voorgaande niet anders maken. De strafbaarstelling van artikel 245 Sr (oud) beoogt immers minderjarigen van die leeftijd te beschermen tegen seksueel contact. Uit de omstandigheid dat zij elkaar pas kort voor het eerste seksueel contact online ontmoetten, kan worden afgeleid dat zij niet gehuwd waren. Een huwelijk is ook uitgesloten gelet op art. 1:31 van het Burgerlijk Wetboek. De tenlastegelegde handelingen hebben dan ook buiten echt plaatsgevonden.

Conclusie

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [woonplaats] , gemeente West Betuwe, met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten

het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina en/of

het brengen/duwen van zijn penis in haar mond.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast en dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. De officier van justitie heeft verder een taakstraf in de vorm van een werkstraf gevorderd van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging. Hij heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen zoals geadviseerd door de reclassering en de Pro Justitia rapporteur.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich op achttien- dan wel negentienjarige leeftijd op twee momenten schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een meisje van veertien jaar. Daarbij is ook sprake geweest van seksueel binnendringen. Dit is door de wetgever strafbaar gesteld om minderjarigen onder de zestien jaar te beschermen, omdat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en niet in staat worden geacht om weloverwogen te kiezen voor het aangaan van seksueel contact. De rechtbank weegt in het bijzonder mee dat verdachte vier jaar ouder was dan [minderjarige] en dat sprake was van kortstondig (online) contact voor het eerste seksuele contact. Het is algemeen bekend dat negatieve seksuele ervaringen schade kunnen toebrengen aan de seksuele ontwikkeling van kinderen in de puberteit. Het feit heeft ook een grote impact gemaakt op [minderjarige] , zoals ook gebleken is uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van de moeder van [minderjarige] .

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 18 augustus 2026, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van psycholoog K. Oostra van 2 juli 2026 en de reclasseringsadviezen van 20 oktober 2025 en 17 september 2026. Hieruit volgt dat bij verdachte sinds langere tijd, en dus ook voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde, sprake is van een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis met prenatale blootstelling aan alcohol (FAS), met kenmerken van ADHD en autisme. Samenhangend met FAS is er een verhoogde mate van impulsiviteit, waarbij verdachte van tevoren niet goed nadenkt en mogelijk minder rem heeft op zijn gedrag. Daarnaast is zijn sociaal oordeelsvermogen en adaptief functioneren beperkt. Verdachte heeft moeite met het overzien van consequenties van gedrag en er zijn beperkingen in de zelfstandige regulatie van gedrag. Deze kenmerken zouden van invloed kunnen zijn geweest op de manier waarop verdachte sociale situaties interpreteert en vormgeeft. Het onderzoek van de psycholoog biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de psychische problematiek daadwerkelijk heeft doorgewerkt in het bewezenverklaarde feit. De psycholoog heeft dan ook geen advies gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Verder blijkt uit de stukken dat verdachte in een beschermde woonvorm voor jongeren met een verstandelijke beperking en/of psychische kwetsbaarheid verblijft. Hier is 24 uur per dag begeleiding aanwezig. Verdachte krijgt onder andere ondersteuning bij het structureren van zijn dag en het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden. Ook wordt binnen de beschermde woonvorm aandacht besteed aan zijn gedrag, keuzes en seksualiteit. Verdachte heeft diverse behandelingen gevolgd, waaronder specifieke behandeling gericht op FAS en het bevorderen van de seksuele en identiteitsontwikkeling. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat verdachte in het bestaande kader al voldoende begeleiding en behandeling krijgt.

De rechtbank houdt bij de strafmaat en -modaliteit, net als de officier van justitie, rekening met de stoornis, omdat die mogelijk wel enige invloed heeft gehad op het handelen van verdachte, en met het feit dat verdachte al ondersteuning krijgt in een vrijwillig kader. Voorts houdt de rechtbank in positieve zin rekening met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft ter zitting openheid van zaken gegeven en aangegeven achteraf, nadat hij erachter kwam hoe oud [minderjarige] was, te vinden dat hij fout heeft gehandeld.

Jeugdstrafrecht

De Pro Justitia rapporteur en de reclassering hebben geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering heeft beschreven dat verdachte qua handelingsvaardigheden jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Als gevolg van de hersenschade door FAS is hij impulsief en schat hij risico’s van zijn handelen onvoldoende in. Hij is daarnaast gevoelig voor pedagogische invloed.

Op grond van artikel 77c Sr kan bij een verdachte die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit meerderjarig is maar nog onder de 23 jaar het jeugdstrafrecht worden toegepast, als de rechtbank daarvoor grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten achttien dan wel negentien jaar oud. De rechtbank ziet in het reclasseringsadvies en het Pro Justitia rapport aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De straf

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden opleggen met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. De rechtbank ziet geen aanleiding bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke straf, nu verdachte al voldoende hulp en ondersteuning krijgt via de beschermde woonvorm waar hij verblijft en al behandeling heeft gevolgd. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om als maatregel of bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod op te leggen zoals verzocht namens de benadeelde partij, nu er geen enkele aanwijzing is dat verdachte de afgelopen periode contact heeft gezocht of in de toekomst zal zoeken met de benadeelde partij.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De moeder van [minderjarige] heeft zich (als wettelijk vertegenwoordiger) als benadeelde partij – met bijstand van mr. S. Vermeulen – in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding. De benadeelde partij vordert € 742,- aan materiële schade en € 16.250,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de behandeling ervan een onevenredige belasting voor het strafproces is. Er is informatie dat er eerder een ander incident heeft plaatsgevonden ten aanzien van de benadeelde partij. Het causale verband tussen de schade en het strafbare feit is daardoor niet goed vast te stellen en er is in het strafproces onvoldoende ruimte om dit goed vast te stellen. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat vordering moet worden gematigd gelet op het feit dat de causaliteit niet vaststaat.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten eigen bijdrage DAS rechtsbijstand

(€ 500,-) en reiskosten (€ 242,-).

- Eigen bijdrage DAS

De kosten voor de eigen bijdrage DAS (kosten voor rechtsbijstand) zijn geen kosten die gemaakt zijn voor vaststelling van aansprakelijkheid of schade of die zijn gemaakt ter beperking of voorkoming van (verdere) schade. De vordering tot vergoeding van deze kosten als materiële schade zal dus worden afgewezen en zal niet de schadevergoedingsmaatregel worden toegepast. Deze kosten zullen wel als proceskosten worden toegewezen, zoals hierna vermeld onder het kopje ‘Proceskosten’.

- Reiskosten

De benadeelde partij heeft reiskosten gevorderd voor bezoeken aan de huisarts, het ziekenhuis en de psycholoog. Ten aanzien van deze reiskosten overweegt de rechtbank als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Deze gevorderde reiskosten zijn voldoende onderbouwd. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank schat deze kosten op € 55,00.

De benadeelde partij heeft ook reiskosten gevorderd van en naar het politiebureau en voor het bijwonen van het slachtoffergesprek. Ten aanzien van deze gevorderde reiskosten overweegt de rechtbank dat deze kosten zonder nadere onderbouwing niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Deze kosten zijn evenmin toewijsbaar als proceskosten, omdat er sprake is geweest van rechtsbijstand. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW). Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake omdat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit stukken blijkt dat PTSS is vastgesteld en dat de benadeelde partij EMDR heeft gehad. Dit is in elk geval voor een deel aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid acht de rechtbank een bedrag van € 6.000,- in dit geval passend. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Toekomstige schade

De benadeelde partij heeft ook toekomstige kosten ten bedrage van € 3.500,- gevorderd, omdat de vordering bij een eventueel hoger beroep niet kan worden verhoogd. Er is daarom alvast ingespeeld op mogelijk nog nader te lijden of verder oplopende schade. De rechtbank zal de benadeelde partij, conform het verzoek van de benadeelde partij, niet-ontvankelijk verklaren in deze posten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. De toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Proceskosten

De kosten voor het eigen risico DAS (€ 500,-) zijn kosten die als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal deze proceskosten toewijzen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 1 juli 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 100 (honderd) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

Beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige] van € 55,- aan materiële schade en € 6.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot € 500,-;

 verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 55,- aan materiële schade en

€ 6.000,- smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, zal geen gijzeling worden toegepast;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2026.

mr. J.M. Breimer en mr. F.J.H. Hovens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »