RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/957 en ARN 25/1326
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026
in de zaken tussen
[bedrijf] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 3 januari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 13 februari 2023 tot en met 12 februari 2024 ( [kenmerk 1] ) een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.172 (de eerste naheffingsaanslag; zaaknummer 25/957).
Gelijktijdig met de vaststelling van de eerste naheffingsaanslag is bij beschikking een verzuimboete van € 1.086 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft aan belanghebbende ook over het tijdvak 13 februari 2024 tot en met12 november 2024 ( [kenmerk 2] ) een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 1.644 (de tweede naheffingsaanslag; zaaknummer 25/1326). Hierbij is geen verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de eerste naheffingsaanslag ongegrond verklaard en heeft daarbij de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de tweede naheffingsaanslag gegrond verklaard. Hij heeft het tijdvak ingekort tot 21 oktober 2024 (einde tenaamstelling) en het bedrag van de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.511.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft op 24 april 2025 van belanghebbende een reactie op het verweerschrift ontvangen en daarvan op dezelfde dag een afschrift naar de inspecteur gezonden.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende de bestuurder/enig aandeelhouder [persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
1. Op 14 december 2017 heeft de Dienst Wegverkeer (RDW) de auto van belanghebbende van het merk Toyota, type Combi met [kenteken] (het motorrijtuig) gekeurd en de inrichtingsomschrijving ‘opleggertrekker’ meegegeven.
2. Belanghebbende was blijkens de kentekenregistratie van 13 februari 2018 tot en met 21 oktober 2024 houder van het motorrijtuig. De datum van het kentekenbewijs deel 1 is 13 februari 2018, net als de eerste toelating in Nederland.
3. De motorrijtuigenbelasting werd voldaan naar het tarief zoals bedoeld in artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB), het bestelautotarief voor ondernemers.
4. Op 22 november 2023 is door een controlemedewerker van de Belastingdienst bij belanghebbende een onderzoek aan het motorrijtuig uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat de auto een dichte laadbak had en dat de motorrijtuigenbelasting niet naar het juiste tarief werd betaald, omdat niet werd voldaan aan de inrichtingseisen welke gelden voor bestelauto’s met een dichte laadbak. Naar aanleiding hiervan zijn de naheffingsaanslagen (naar het tarief personenauto’s) en de boetebeschikking aan belanghebbende opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Niet in geschil is dat het tarief van de naheffingsaanslagen juist is en dat het bestelautotarief niet van toepassing is. In geschil is of belanghebbende mocht afgaan op de RDW-keuring als opleggertrekker en op de informatie van de autodealer en of daarom de naheffingsaanslagen en boete tot nul moeten worden verminderd. Verder is in geschil of sprake is geweest van een wetswijziging waarover de Belastingdienst belanghebbende had moeten informeren.
6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht belanghebbende vertrouwen op de informatie van de RDW?
7. Belanghebbende stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de keuring door de RDW correct is gedaan, dat het motorrijtuig een opleggertrekker betreft en hij voor de motorrijtuigenbelasting daarom het lagere bestelautotarief voor ondernemers mocht betalen. Hij stelt dat hij bovendien navraag had gedaan bij de autodealer, bij wie hij het motorrijtuig heeft gekocht, en bij zijn accountant (gemachtigde).
8. Ter zitting voert de inspecteur aan dat de motorrijtuigenbelasting (MRB) een aangiftebelasting is en dat de verantwoordelijkheid voor het betalen van het juiste tarief bij belanghebbende ligt. Hij had zichzelf moeten afvragen of de kwalificatie opleggertrekker wel klopte, nu sprake is van een dichte laadruimte, de ombouw van het motorrijtuig niet (eenvoudig) verwijderd kan worden en de kop/schotel in de laadruimte praktisch niet bruikbaar zijn. Belanghebbende had niet mogen vertrouwen op de RDW of de autodealer, omdat deze niet over de belastingtarieven en -heffing gaan De inspecteur verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 29 maart 2011.1
9. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder (in casu de inspecteur) in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.2 Een keuringsrapport van de RDW brengt geen in rechte te beschermen vertrouwen ter zake van de heffing van MRB met zich mee, omdat de RDW geen instantie is die belast is met het heffen van MRB en dus ook geen toezeggingen over de MRB kan doen. Informatie die afkomstig is van ambtenaren van de RDW kan derhalve geen in rechte te vertrouwen wekken waaraan de inspecteur gebonden is.3 Datzelfde heeft te gelden voor de mededelingen van de autodealer en de accountant van belanghebbende. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan dat in dit geval anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken. Deze beroepsgrond faalt.
Heeft de inspecteur zijn informatieplicht geschonden?
10. Belanghebbende stelt dat er sprake was van een wetswijziging ten aanzien van de inrichtingseisen van een opleggertrekker en dat de inspecteur hem daarover had moeten informeren.
11. Volgens de inspecteur is er geen sprake van een wetswijziging voor wat betreft de inrichtingsvereisten van een opleggertrekker met een laadbak; in de voorgaande kaderbesluiten MRB staan dezelfde vereisten. Er heeft enkel een verduidelijking van de regels omtrent de fiscale inrichtingseisen plaatsgehad die hier niet van belang is.
12. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een relevante wetswijziging. Vanaf het begin van de tenaamstelling in 2018 was de auto van belanghebbende geen opleggertrekker die in aanmerking kwam voor het lage bestelautotarief. Er is dus alleen al daarom geen sprake van schending van een informatieplicht door de Belastingdienst. Overigens zou een schending van een informatieplicht ook niet tot vernietiging van de naheffingsaanslagen kunnen leiden. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
13. Belanghebbende is van mening dat de boetebeschikking ten onrechte is opgelegd. Hij stelt dat hem namelijk geen blaam treft, omdat hij niet wist dat zijn motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor het lage tarief van de motorrijtuigenbelasting voldeed.
14. Volgens de inspecteur is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd en is daarom de verzuimboete terecht opgelegd. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld (avas), nu belanghebbende heeft nagelaten zich op de hoogte te stellen of het motorrijtuig wel voldeed aan de voorwaarden voor het bestelautotarief, onder andere de inrichtingseisen. Hij verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 mei 2026.4
15. De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim.5 Op grond van artikel 37 van de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bedraagt de boete 50% van het bedrag dat niet is betaald met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, in dit geval € 5.514.6De boete van € 1.086 bedraagt 50% van het nageheven bedrag van € 2.172 en blijft onder het wettelijke maximum van artikel 67c van de AWR, dus de boete is in overeenstemming met de wet en het beleid van de Belastingdienst opgelegd.
16. Verwijtbaarheid speelt in dit geval geen rol, omdat het hier om een verzuimboete gaat en er dus geen opzet of grove schuld vereist is om de boete op te kunnen leggen. De stelling van belanghebbende dat hem geen blaam treft omdat hij niet wist dat hij het verkeerde tarief betaalde, is in zoverre dus niet relevant. Deze stelling is alleen van belang als sprake zou zijn van avas. Van avas is sprake indien belanghebbende geen enkel verwijt treft omdat hij alle in de geven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht.
17. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van avas. Belanghebbende heeft hiervoor onvoldoende gesteld. De stellingen over de RDW vermelding en over het navragen bij de autodealer en de accountant zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat belanghebbende geen enkel verwijt treft. Belanghebbende had beter moeten onderzoeken of zijn auto onder het lage tarief van de motorrijtuigenbelasting viel. Hij had moeten twijfelen aan de juistheid van de vermelding van de RDW dat de auto een opleggertrekker betrof. De auto die belanghebbende kocht, was namelijk in geen enkel opzicht een opleggertrekker. Een opleggertrekker die op basis van een goedkeurend besluit onder het lage tarief valt, is een auto zonder laadbak. Dit terwijl de auto die belanghebbende kocht een laadbak had die er bovendien niet af kon omdat deze één geheel vormde met de auto. Er zat weliswaar een kop/schotel van een opleggertrekker in de laadruimte, maar die was niet bruikbaar doordat de auto een dichte laadbak had.
18. De conclusie is dat inspecteur de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. De rechtbank acht deze boete ook passend en geboden.
19. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.
Conclusie en gevolgen
20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
|
griffier |
rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.