RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12342347 \ VV EXPL 26-55
Vonnis in kort geding van 13 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten,
toevoeging nummer 4RJ2873
tegen
1 [bedrijf 1] [bedrijf 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [bedrijf 2]
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden,
vertegenwoordigd door: [persoon] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 10 augustus 2026 met producties,
-
de akte indienen nadere producties, alsmede akte wijziging van eis van [eiser] ,
-
de mondelinge behandeling van 28 september 2026, waarbij door partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Hierna is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst bij [bedrijf ] B.V. (hierna: [bedrijf ] ), een onderneming die zich bezighield met de vervaardiging van vers banketbakkerswerk.
[bedrijf 1] , een onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging van brood en vers banketbakkerswerk, was een klant van [bedrijf ] .
[bedrijf 2] is een zustervennootschap van [bedrijf 1] . [persoon] is (middellijk) [functie 1] van beide vennootschappen.
[eiser] heeft in maart 2026 voor het laatst loon ontvangen van [bedrijf ] .
Op 1 april 2026 zijn de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf ] gestopt en op 21 april 2026 is het faillissement van [bedrijf ] uitgesproken.
[eiser] heeft bij het UWV een uitkering aangevraagd ingevolge de Werkloosheidswet. Zijn aanvraag is afgewezen en [eiser] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
Het UWV heeft onderzoek verricht naar de vraag of er sprake is van een overgang van onderneming van [bedrijf ] naar [bedrijf 1] of een andere gelieerde onderneming. In het onderzoeksrapport van 27 mei 2026 staat – voor zover relevant – het volgende:
“(…)
Samenvattend
Het is aannemelijk dat er sprake is van overgang van onderneming (Wovon). Failliet ( [bedrijf ] B.V.) is voortgezet door [bedrijf 1] per 1 april 2026. De identiteit van failliet is door de overname door [bedrijf 1] behouden gebleven. [bedrijf 1] haalde de productie terug en nam de inventaris van failliet over. Het “actieve” personeelsbestand van failliet kreeg een aanbod om voor [bedrijf 1] te gaan werken. Het doet niet terzake of [bedrijf 1] de intentie had om failliet over te nemen. [bedrijf 1] dient daarom onder andere alle verplichtingen aan het personeel van failliet over te nemen. Met bovenstaande beantwoording van de Spijkers-criteria zijn de onderzoeksvragen ook beantwoord.”
Per 1 juni 2026 is [eiser] elders in dienst getreden.
Per brief van 10 juli 2026 heeft [eiser] [bedrijf 1] verzocht om betaling van het achterstallig loon. [bedrijf 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overgang van onderneming.
Op 27 juli 2026 heeft de curator een e-mail met zes bijlagen gestuurd aan [bedrijf 1] . Hierin staat – voor zover relevant – het volgende:
“Met uw e-mailbericht stelt u bij mij aan de orde dat diverse “medewerkers, ex- medewerkers, zieke medewerkers en ex zieke medewerkers van [bedrijf ] bij [bedrijf 1] aankloppen middels hun rechtsbijstandsadvocaten’ met aanspraken, omdat, kort samengevat, ik het standpunt heb ingenomen dat deze (ex-)medewerkers krachtens overgang van onderneming van rechtswege bij
[bedrijf 1] in dienst zijn gekomen.
In deze brief reageer ik op uw e-mail. Omwille van de transparantie stuur ik de werknemers en de rechtskundige adviseurs van werknemers die zich bij mij hebben gemeld met dezelfde of soortgelijke vragen cq. opmerkingen een kopie van deze brief.
(…) Aan de administratie van [bedrijf ] ontleen ik dat [bedrijf 1] de banketproductie van [bedrijf ] op of omstreeks eind maart 2026 heeft overgenomen en de daarbij behorende activa heeft gekocht.
Vorenbedoelde overname is tot stand gekomen na diverse gesprekken die daarover zijn gevoerd tussen u, de heer [naam 1] , de heer [naam 2] en de heer [naam 3] . (…)
In reactie op de in uw e-mailbericht opgenomen stellingen, waarbij ik geen volledigheid pretendeer, leid ik uit deze documenten af, dat [bedrijf 1] niet alleen haar eigen banketproductie heeft “teruggenomen”, maar dat zij ook de banketproductie voor andere afnemers van [bedrijf ] heeft overgenomen en daarover ook met de heren [naam 1] en [naam 2] afspraken heeft gemaakt. Ik
laat dan overigens in het midden in hoeverre het voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een overgang van onderneming relevant is of [bedrijf 1] enkel haar eigen banketproductie heeft “teruggenomen”.
(…)
Gelet op het bovenstaande begrijp ik dat werknemers zich voor hun aanspraken richten op [bedrijf 1] . Indien sprake is van een overgang van onderneming, dan zijn immers alle rechten en verplichtingen van alle bij [bedrijf ] werkzame werknemers van rechtswege op [bedrijf 1] overgegaan.”
De curator heeft als bijlage bij deze brief onder meer het volgende mailbericht toegevoegd:
- mail van 13 april 2024 van [naam 1] ( [functie 2] van [bedrijf ] ) aan de werknemers van [bedrijf ] :
“Eenieder van jullie heeft in de afgelopen periode een contract aangeboden gekregen vanuit [bedrijf 1] . Na de nodige aanpassingen ligt er voor iedereen een goed voorstel om de voortzetting van de productie van [bedrijf ] onder de naam van [bedrijf 1] een eerlijke kans te geven.
Via deze weg wil ik jullie informeren over de beëindiging van [bedrijf ] B.V. Op 31 maart heb ik faillissement aangevraagd bij de rechtbank voor de BV, [bedrijf ] .
Dit omdat de huur van de locatie van de [adres] geëindigd is en inmiddels alle activiteiten verhuisd zijn naar Oldebroek.”
3 Het geschil
[eiser] stelt dat sprake is van een overgang van onderneming op grond waarvan gedaagden gehouden zijn tot betaling van zijn achterstallige loon. Daarom vordert [eiser] , samengevat, na wijziging van eis, om gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.156,32 per maand aan loon over de maanden april en mei 2026, € 4.071,14 aan achterstallig vakantiegeld, een en ander te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook vordert [eiser] afgifte van de loonstroken over april, met en het vakantiegeld, onder verbeurte van een dwangsom en vergoeding van zijn proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Gedaagden voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , omdat er volgens gedaagden geen sprake is van een overgang van onderneming.
4 De beoordeling
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Daarbij zal niet slechts onderzocht moeten worden of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
Het spoedeisend belang in deze procedure is gegeven door de aard van de vordering. De vordering betreft namelijk loon, dat noodzakelijk is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
De kernvraag in deze procedure is of er sprake is van een overgang van onderneming als gevolg waarvan gedaagden gehouden zijn om het loon van [eiser] te betalen. Uit artikel 7:663 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een overgang van onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem een daar werkzame werknemer, van rechtswege overgaan op de verkrijger.
Uit het bepaalde in artikel 7:662 BW volgt dat sprake is van een overgang van onderneming bij een overgang van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Bij de vraag naar identiteitsbehoud is van belang of de functionele band die de onderling samenhangende factoren verenigt, behouden blijft.1 De volgende omstandigheden, die kenmerkend zijn voor de overgang, zijn voor de beoordeling mede van belang:
-
i) de aard van de betrokken onderneming,
-
ii) of materiële activa worden overgedragen,
-
iii) de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van overdracht,
-
iv) of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen,
-
v) of de klantenkring wordt overgedragen,
-
vi) de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen, en
-
vii) de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten.2
Volgens [eiser] is sprake van een overgang van onderneming, omdat een groot deel van de materiële activa van [bedrijf ] aan [bedrijf 1] is overgedragen, een groot deel van de werknemers is overgegaan naar [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 2] , de klantenkring aan [bedrijf 1] is overgedragen en de ondernemingsactiviteiten van [bedrijf ] zonder noemenswaardige onderbreking door [bedrijf 1] zijn voortgezet. [eiser] baseert zich daarbij mede op de e-mail van de curator en het onderzoeksrapport van het UWV. Daarnaast wijst [eiser] op drie vonnissen van deze rechtbank, die ook betrekking hebben op oud-medewerkers van [bedrijf ] van 30 juli 2026 (12273393/26-42) en 20 augustus 2026 (1280366/26-45 en 12280383/26-46) en waarin de overgang van onderneming naar gedaagden voorshands is aangenomen.
Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] geldt als uitgangspunt dat wordt beslist op basis van de feiten, stellingen en verweren die door partijen in de procedure worden aangevoerd. Daarbij zijn de genoemde vonnissen niet van (doorslaggevend) belang, omdat daarin door die partijen niet geheel dezelfde standpunten zijn ingenomen als in de huidige procedure en bovendien tegen deze vonnissen hoger beroep is ingesteld, zodat de daarin gegeven beoordelingen niet onherroepelijk zijn. Gedaagden voeren aan dat de veelheid van procedures en de – in hun ogen – onjuiste oordelen voor hen leidt tot zeer hoge kosten, waardoor het voortbestaan van de ondernemingen in gevaar komt.
In deze procedure wordt door gedaagden gemotiveerd betwist dat andere productieactiviteiten van [bedrijf ] zijn voortgezet dan het eigen werk dat aan [bedrijf ] was uitbesteed. Ook is gemotiveerd betwist dat [bedrijf 1] de klanten van [bedrijf ] is gaan bedienen of daarvoor een certificering verkregen heeft. [bedrijf 1] betwist dat de gehele productie van [bedrijf ] is voortgezet. Volgens [bedrijf 1] heeft zij slechts 15% daarvan, namelijk haar eigen productie, weer in eigen hand genomen. Ten aanzien van het overnemen van het klantenbestand spreekt de curator volgens [eiser] van het overnemen van verschillende klanten, zoals [klant 1] , [klant 2] en [klant 3] . Volgens [bedrijf 1] waren deze vennootschappen echter al klant bij haar, zodat geen sprake is van overname van de klantenkring van [bedrijf ] . Ook staat de certificering volgens [bedrijf 1] los van de gestelde voortzetting van de activiteiten en het klantenbestand van [bedrijf ] . [bedrijf 1] was namelijk al bezig met het verkrijgen van een WRC-certificering, en dus niet met de FSC-certificering waarover [bedrijf ] beschikte. [bedrijf 1] heeft die FSC-certificering naar eigen zeggen inmiddels wel aangevraagd, maar heeft tot op heden nog niet onder die certificering kunnen produceren.
Ook hebben gedaagden betoogd dat werknemers van [bedrijf ] zich zélf hebben gemeld bij [bedrijf 1] . De e-mail van [naam 1] , waarin [naam 1] heeft geschreven dat eenieder van de werknemers een contract aangeboden heeft gekregen van [bedrijf 1] , moet volgens [bedrijf 1] worden gelezen in het kader van ‘goed ondernemerschap’ van [bedrijf ] om het personeel te wijzen op vacatures die er altijd zijn bij [bedrijf 1] . De feitelijke gang van zaken is volgens [bedrijf 1] heel anders gegaan dan de curator aanneemt. [eiser] heeft zich niet gemeld en was, als hij zich gemeld had, ook niet aangenomen, omdat hij te ver van Oldebroek woont, aldus gedaagden.
Naast deze betwistingen is ook de relevantie van de overgenomen materiële activa betwist. [bedrijf 1] stelt dat de overgenomen activa niet zijn overgenomen om de productie voor derden te kunnen voortzetten, maar het vooral activa betreft die speciaal bedoeld was voor de productie die [bedrijf ] aan haar leverde. Deze activa waren niet voor een andere afnemer geschikt. [bedrijf 1] had deze spullen ook bij een ander moeten aanschaffen als het niet van [bedrijf ] overgenomen was. Verder is er aan algemene inventaris slechts een (dure) vaatwasser en wat klein spul overgenomen.[eiser] heeft tegenover al deze betwistingen slechts volhard in zijn stellingen en verwezen naar de onder 4.5 genoemde stukken, zoals het oordeel van de curator en het UWV en de gewezen vonnissen.
De betwistingen van [bedrijf 1] zouden in een bodemprocedure zeer waarschijnlijk aanleiding geven tot een (tegen)bewijsopdracht naar de omvang van de overgenomen activa, de voortzetting van de productieactiviteiten, de klantenkring, de gang van zaken rond de arbeidsovereenkomsten en de overige factoren die relevant zijn voor het oordeel dat sprake is van overgang van onderneming. Voor bewijslevering is in deze procedure echter geen plaats.
De conclusie is dan ook dat het geschil zich niet leent voor behandeling in kort geding. Zonder bewijslevering is, op basis van de door partijen ingenomen stellingen en stukken, onvoldoende aannemelijk dat [eiser] recht heeft op loonbetaling door (één van) gedaagden als gevolg van een overgang van onderneming. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
Gelet op de aard van de zaak zullen de proceskosten partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
SG