ECLI:NL:RBGEL:2026:7893

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05.202446.25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Man veroordeeld voor doodslag, vrijspraak van moord. Opgelegd wordt een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege, ondanks weigering observandus, en een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.202446.25

Datum uitspraak : 9 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. S.J. Nijhof, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 te Apeldoorn opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal met kracht met (een) mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in de hals(streek) en/of in de borst(streek) en/of buik(streek) en/of rug(streek), althans in het bovenlichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de (impliciet primair) ten laste gelegde moord. De officier van justitie heeft gesteld dat voor de ten laste gelegde doodslag voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de (impliciet primair) ten laste gelegde moord, nu er onvoldoende bewijs is dat sprake was van kalm beraad en rustig overleg. Niet bewezen kan worden dat verdachte de gelegenheid had om rustig na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en dat hij hierover rekenschap heeft kunnen geven.

Beoordeling door de rechtbank

Op 1 juli 2025 kwamen verbalisanten ter plaatse bij [adres] in Apeldoorn naar aanleiding van een melding van de moeder en hulpverleners van de bewoner. Nadat de verbalisanten de woning betraden, zagen zij een grote hoeveelheid bloed op de vloer liggen. In de woonkamer, voor het keukenblok, lag een persoon op de grond. De verbalisanten zagen direct dat de persoon was overleden.2 De overleden persoon werd later door de politie geïdentificeerd als [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).3

Er is onderzoek gedaan aan het lichaam van [slachtoffer] . Aan het lichaam werden in totaal 24 steekletsels en 10 snijletsels aangetroffen. Deze letsels waren ontstaan door krachtinwerking met één of meerdere scherprandige voorwerpen, zoals een mes. Uit het forensisch pathologisch onderzoek volgde dat het slachtoffer was overleden aan de gevolgen van 10 steekletsels verspreid over de borst, buik en rug en één snijletsel aan de hals. De patholoog constateerde daarbij dat sprake was van vier steekverwondingen in de buik, drie steekverwondingen in de borst en drie steekverwondingen in de rug. Daarnaast was sprake van een snijverwonding in de hals met beschadiging van een oppervlakkige halsader. Er werden daarnaast 14 steekletsels en 9 snijletsels aangetroffen die een beperkte bijdrage hadden geleverd aan het overlijden van [slachtoffer] . Deze verwondingen bevonden zich onder meer aan de borst, buik, rug, onderarmen en hals van [slachtoffer] .4 De dag van overlijden was volgens de schouwarts waarschijnlijk 28 juni 2025.5

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij de bovenbuurvrouw van [slachtoffer] was en dat zij [slachtoffer] vaak hoorde schreeuwen als hij drank en drugs had gebruikt. De laatste keer dat zij [slachtoffer] hoorde was in de nacht van 28 op 29 juni 2025, zo heeft zij verklaard. [getuige 1] hoorde gebonk en dacht dat [slachtoffer] met de tafel en stoelen tegen de muur aan het gooien was. Zij ontving een appje van haar buurman [persoon 1] met de vraag of de onderbuurman weer bezig was. [getuige 1] hoorde het schreeuwen tot ongeveer 01:30 uur en daarna niet meer.6 Uit appverkeer tussen getuige [getuige 1] en haar buurman [persoon 1] bleek dat de laatste keer dat zij [slachtoffer] hoorden de nacht van 27 op 28 juni 2025 was, in plaats van de nacht erna.7

Op 3 juli 2025 heeft verdachte zich gemeld op het politiebureau. Verdachte verklaarde dat hij zich kwam aangeven voor de [adres] .8Hij kreeg op vrijdagnacht (de rechtbank begrijpt: de nacht van 27 op 28 juni 2025) omstreeks 01:00 en 02:00 uur ruzie met [slachtoffer] .9Verdachte heeft bekend [slachtoffer] tijdens deze ruzie te hebben neergestoken.10

Er is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] op naam van [slachtoffer] . Uit de historische verkeersgegevens is gebleken dat er op 28 juni 2025 om 00:02:26 uur werd uitgebeld naar telefoonnummer [telefoonnummer] op naam van [persoon 2] , met een duur van 21 seconden. Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt dat zij toen werd gebeld door [slachtoffer] om te overleggen over de kleding voor de inzegening van haar baby op zondag 29 juni 2025. Dit lijkt het laatste contactmoment van [slachtoffer] te zijn geweest. De daaropvolgende registraties betroffen enkel inkomende gesprekken van vooral nummers van de moeder en zus van [slachtoffer] . Deze inkomende gesprekken werden vrijwel direct doorgeschakeld.11

Er is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte. Hieruit is gebleken dat door het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij verdachte, op 28 juni 2025 tussen 01:41:54 uur en 01:49:24 uur twee keer werd uitgebeld en vier sms-berichten werden verstuurd naar telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [getuige 2] (de rechtbank begrijpt: de (ex-)partner van verdachte). Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat het eerste uitgaande gesprek niet is beantwoord en dat bij het tweede gesprek wel opgenomen is door getuige [getuige 2] , maar dat zij alleen geritsel hoorde. De sms-berichten hadden de volgende inhoud:

28-06-2025 01:45:27: “ [getuige 2] bedankt ik wit t die teringschilder en jij hebben je erin gelegt”

28-06-2025 01:46:12: “Haal me hieruit kk wijk”

28-06-2025 01:49:21: “Ben egelantier”

28-06-2025 01:49:24: “ [nummer] ”.12

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat de steekpartij in de nacht van 27 op 28 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Uit de historische verkeersgegevens is gebleken dat het laatste telefonische contact dat [slachtoffer] heeft gehad op 28 juni 2025 om 00:02:26 uur heeft plaatsgevonden. Oproepen die na dit tijdstip plaatsvonden werden niet meer door [slachtoffer] opgenomen. Verdachte heeft verklaard omstreeks 01:00 en 02:00 uur ruzie te hebben gekregen met [slachtoffer] . Getuige [getuige 1] , de bovenbuurvrouw van [slachtoffer] , hoorde die nacht tot 01:30 uur gebonk en geschreeuw van haar onderbuurman. Na dit tijdstip hoorde zij niets meer. Vanaf 01:41 uur belde verdachte zijn (ex-)partner en stuurde haar een aantal sms’jes met onder andere de inhoud: “Haal me hieruit kk wijk”. Vervolgens stuurde verdachte een adres in de omgeving van de [adres] . De rechtbank leidt uit deze berichten af dat verdachte opgehaald wenste te worden van de [adres] . De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat de steekpartij op 28 juni 2025 tussen 00:02:26 uur en 01:30 uur heeft plaatsgevonden.

Op grond van de bewijsmiddelen is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem meermalen met een mes in onder andere zijn borst, buik en rug te steken en hem in zijn hals te snijden, waarbij een halsader is geraakt. Uit het forensisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat verdachte hem 24 steekletsels en 10 snijletsels heeft toegebracht. Tien van deze letsels hebben uiteindelijk bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . De handelingen van verdachte dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als gericht op het doden van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte hier ten volle op was gericht.

Vrijspraak van moord

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als moord of doodslag. Voor een bewezenverklaring van moord moet komen vast te staan dat er sprake was van voorbedachte raad, wat inhoudt dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is geweest van een weloverwogen besluit van verdachte om [slachtoffer] van het leven te beroven. De voorbedachte raad en daarmee de moord kunnen daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring doodslag

De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 te Apeldoorn opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal met kracht met (een) mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in de hals(streek) en/of in de borst(streek) en/of buik(streek) en/of rug(streek), althans in het bovenlichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie, danwel een noodweerexces-situatie, als de rechtbank tot de conclusie zou komen dat verdachte de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden. De raadsman heeft betoogd dat het slachtoffer schreeuwde, agressief en heftig onder invloed was en dat hij verdachte heeft aangevallen met een mes en dat verdachte daardoor gewond is geraakt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. Verdachte kon zich gelet op zijn positie en de onderlinge afstand in de kleine ruimte niet aan deze aanval onttrekken. Er was geen alternatief verdedigingsmiddel voorhanden. Verdachte was angstig en vreesde voor zijn leven. De raadsman heeft betoogd dat deze hevige gemoedsbeweging ertoe leidde dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging door verdachte mogelijk werden overschreden. In dat geval was sprake van noodweerexces. De raadsman heeft betoogd dat dit zou moeten leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de escalatie is gestart met een wederrechtelijke aanval door het slachtoffer jegens verdachte. De officier van justitie gaat uit van een scenario waarin juist het slachtoffer een mes heeft gepakt om zichzelf te verdedigen tegen de agressie van verdachte. Er was volgens de officier van justitie dus geen sprake van een noodweersituatie. Indien de rechtbank toch aannemelijk acht dat sprake was van een noodweersituatie, heeft de officier van justitie betoogd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De officier van justitie heeft ten slotte gesteld dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen, nu de evident disproportionele reactie van verdachte hoofdzakelijk het gevolg was van de hoeveelheden door verdachte zelf genomen alcohol en drugs, in combinatie met een gebrek aan slaap, al dan niet gevoed door eerdere ervaringen in het leger dan wel onbehandelde persoonlijkheidsproblematiek. Als al gesproken zou kunnen worden van noodweerexces, dan staat culpa in causa door zelfintoxicatie eraan in de weg om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.

De beoordeling door de rechtbank

Noodweer

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of het aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] aansprak omdat hij spullen miste en dacht dat de spullen waren weggenomen. Vervolgens zou verdachte ruzie met [slachtoffer] hebben gekregen, waarna [slachtoffer] een mes zou hebben gepakt en verdachte zou hebben aangevallen. Verdachte zou het mes hebben afgepakt en in een worsteling met [slachtoffer] zijn beland, waarna hij [slachtoffer] heeft neergestoken.

De rechtbank is van oordeel dat het scenario dat door verdachte is geschetst wel denkbaar is, maar onvoldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank overweegt dat het door verdachte geschetste scenario enkel wordt gestaafd door zijn eigen verklaringen. Deze verklaringen, afgelegd tegen getuigen en bij de politie, waren deels consistent, maar op cruciale punten wisselend, inconsistent en onvolledig.

De rechtbank wijst erop dat verdachte wisselend en inconsistent heeft verklaard over hoe de worsteling tussen hem en [slachtoffer] ontstond. Op 3 juli 2025 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij over de bank naar [slachtoffer] toesprong of zelfs op [slachtoffer] sprong toen [slachtoffer] hem zou hebben benaderd met een mes. Op 6 juli 2025 heeft verdachte verklaard dat hij over de bank wegvluchtte om weg te komen en dat [slachtoffer] hem vervolgens in een hoek dreef.

Ook over de (vermeende) aanval met het mes door [slachtoffer] heeft verdachte wisselend verklaard. Verdachte heeft de dag na de steekpartij tegen de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] verklaard dat hij door [slachtoffer] in zijn buik zou zijn gestoken. Tegen de politie verklaarde verdachte dat hij in zijn rug zou zijn gestoken. Het dossier meldt niet dat dergelijke verwondingen bij verdachte zijn aangetroffen, hoewel verdachte wel lichamelijk is onderzocht. Het letsel dat wel bij verdachte werd aangetroffen, te weten het letsel aan zijn handen, zou ook kunnen zijn veroorzaakt in een worsteling die verdachte heeft veroorzaakt. Dit letsel kan het scenario van verdachte dus niet ondersteunen. Het dossier bevat verder ook geen andere ondersteuning voor het scenario van verdachte.

Daartegenover ziet de rechtbank contra-indicaties voor het scenario van verdachte in de vele steek- en snijstelsels die zijn aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer. Met name de steekletsels op de rug en het fatale snijletsel in de hals zijn naar het oordeel van de rechtbank tegenstrijdig met een scenario waarin verdachte zich moest verdedigen. De rechtbank wijst er ook op dat verdachte verklaringen heeft afgelegd die meer wijzen op een confrontatie en een aanval vanuit verdachte dan vanuit [slachtoffer] . Verdachte heeft immers verklaard dat hij flipte toen [slachtoffer] nonchalant reageerde op de vraag waar zijn spullen waren. Ook heeft verdachte verklaard dat hij in de aanval is gegaan tegen [slachtoffer] , en dat als hij zichzelf had verdedigd in plaats van in de aanval te gaan, hijzelf wellicht zelf was overleden.

De rechtbank concludeert dat een noodweerssituatie niet aannemelijk is geworden. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Nu het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, wordt het beroep op noodweerexces eveneens verworpen. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met het bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging). Subsidiair, voor het geval de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten ziet om een tbs-maatregel op te leggen, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 jaar wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op jurisprudentie waarin voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf wordt opgelegd in de bandbreedte van 8 tot 12 jaren. Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel heeft de raadsman betoogd dat er onvoldoende diagnostische gegevens voorhanden zijn om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van een

ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte tijdens het begaan van het feit. Evenmin kan een verband worden vastgesteld tussen de gelijktijdigheid van de stoornis en het delict. Gelet hierop is de raadsman van oordeel dat de rechtbank geen tbs-maatregel op kan leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De aard en de ernst van het feit

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op 28 juni 2025 op zeer gewelddadige wijze een einde gemaakt aan het leven van de 37-jarige [slachtoffer] door hem veelvuldig te steken en snijden met een mes. Uit het dossier volgt het beeld dat verdachte en [slachtoffer] aanvankelijk op gemoedelijke wijze met elkaar optrokken en samen in de woning van [slachtoffer] alcohol en cocaïne aan het gebruiken waren. Dit samenzijn eindigde abrupt en dramatisch toen verdachte [slachtoffer] ervan verdacht spullen van hem te hebben gestolen, zij daar ruzie over kregen en hij [slachtoffer] 24 steek- en 10 snijverwondingen toebracht, waarvan er uiteindelijk 10 fataal bleken.

Doodslag is een van de meest ernstige geweldsmisdrijven die een mens zijn medemens kan aandoen. Verdachte heeft [slachtoffer] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Het onverwachte overlijden heeft diepe bedroefdheid en blijvende sporen achtergelaten in de levens van de familie van het slachtoffer en andere mensen in zijn directe omgeving. Die impact is op duidelijke wijze naar voren gebracht door de moeder, de vader en een zus van het slachtoffer, blijkens hun verklaringen die op de zitting zijn voorgelezen. Ook elders in de maatschappij roept dit feit gevoelens van afschuw op en draagt het bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het uittreksel van het justitiële documentatieregister d.d. 18 juni 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Zijn laatste gevangenisstraf, opgelegd wegens belaging, bedreiging en vernieling, had verdachte op 18 juni 2025 net uitgezeten. Op dat moment gold nog een proeftijd van drie jaar in verband met het voorwaardelijke strafdeel dat hem bij die eerdere veroordeling was opgelegd. Aan dat voorwaardelijke strafdeel waren bijzondere voorwaarden verbonden. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Tbs met dwangverpleging

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of aan verdachte, zoals door de officier van justitie is gevorderd, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd. Voor oplegging van terbeschikkingstelling is vereist dat ten tijde van het begaan van het feit bij verdachte een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, dat het bewezenverklaarde behoort tot de in artikel 37a Sr bedoelde misdrijven en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van die maatregel eist. Indien die veiligheid ook verpleging eist, kan worden bevolen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Weigerende observandus

Verdachte is in de periode van 2 maart 2026 tot 10 april 2026 geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), alwaar door een multidisciplinair team, waaronder een deskundige psychiater, een GZ-psycholoog en een milieuonderzoeker een onderzoek is ingesteld naar zijn geestvermogens.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. In artikel 37a lid 3 Sr is bepaald dat voor het opleggen van tbs is vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Door de weigerende houding van verdachte hebben de deskundigen in het PBC geen compleet beeld krijgen van de psychische gesteldheid van verdachte. Uit het rapport van het PBC van 26 mei 2026 volgt dat de weigering van verdachte om mee te werken aan het Pro Justitia rapport vooral wordt geduid als voortkomend uit zijn procespositie. Door de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken, kent het onderzoek grote beperkingen. Aangezien onderzoekers geen psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psycho-geriatrische aandoening hebben kunnen vaststellen, was het voor hen niet mogelijk om vragen omtrent de doorwerking van mogelijke psychopathologie, recidiverisico vanuit een stoornis en eventueel op te leggen behandelkader om die kans op een recidive te verminderen vanuit gedragskundig perspectief te beantwoorden. Een inhoudelijk advies om tbs met dwangverpleging op te leggen ontbreekt dan ook.

De rechtbank merkt verdachte aan als weigerende observandus zoals bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr. Hierdoor blijft het bepaalde in artikel 37a lid 3 Sr buiten toepassing en kan tbs met dwangverpleging ook zonder een advies van de deskundigen worden opgelegd. Wel is (ook) in dat geval vereist dat de rechtbank een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens vaststelt. De rechtbank kan dit doen op basis van de informatie die ondanks de weigerende houding van verdachte uit het PBC-rapport blijkt en op basis van andere adviezen en rapporten en historische informatie omtrent de persoon van de verdachte. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van het bewezenverklaarde bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, acht de rechtbank in het bijzonder het volgende van belang.

Hoewel verdachte zijn medewerking aan het PBC-rapport van 26 mei 2026 heeft geweigerd, geeft volgens de deskundigen de beschikbare informatie uit de gerechtelijke stukken aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van structureel disfunctioneren op de domeinen van maatschappelijk, relationeel en professioneel functioneren. Zeer waarschijnlijk ligt aan het structurele disfunctioneren een psychische stoornis (bijvoorbeeld in het kader van een verslavingsstoornis en/of persoonlijkheidsstoornis) ten grondslag. Vanuit de informatie in de gebruikte bronnen zou eveneens of mede kunnen worden gedacht aan een vorm van AD(H)D of een traumagerelateerde stoornis.

Allereerst wordt in de rapportage overwogen in hoeverre gesteld kan worden dat sprake is van een verslavingsstoornis. Vanuit het dossier worden diverse aanwijzingen gezien voor problematisch middelengebruik, zoals blijkt uit de diverse sancties tijdens detenties vanwege drugsgebruik en de verklaring van (ex-)partner [getuige 2] , dat verdachte cocaïne zou gebruiken. Zelf heeft verdachte eveneens verklaard problemen te ervaren met cocaïnegebruik en heeft hij in het verleden verklaard dat hij “een junkie” zou zijn. Ondanks de negatieve gevolgen van het gebruik lijkt hij niet in staat om dit gebruik te beperken of te stoppen. Uit politie-mutaties blijkt dat politie meermaals vermoedt dat verdachte onder invloed was en dan ook gevaarlijk gedrag vertoonde. Bij verdachte worden al met al in ieder geval aanwijzingen gezien dat sprake is van terugkerend cannabis- en cocaïnegebruik, alsook incidenteel xtc, en dat dit structureel leidt tot problemen in zijn leven.

Naast een mogelijke verslaving worden door de onderzoekers ook aanwijzingen gezien voor potentieel trauma-gerelateerde klachten. Hoewel verdachte tijdens zijn verblijf bij het PBC geen symptomen vertoonde van een actieve PTSS (bijvoorbeeld geen verhoogde alertheid, geen vermijding van prikkels, geen schrikachtigheid en geen gerapporteerde nachtmerries) kan een eventuele trauma-gerelateerde stoornis ook niet worden uitgesloten. Verdachte heeft zelf meermalen aangegeven traumaklachten te ervaren tegenover onder andere de reclassering.

Verder worden ook diverse aanwijzingen gezien die duiden op een onderliggende persoonlijkheidsstoornis. Verdachte vertoont een opportunistische en antisociale houding. Zo is hij vele malen in aanraking gekomen met justitie en is hij vele malen veroordeeld voor strafbare feiten.

De wijze waarop verdachte zich verhoudt tot de reclassering is opportunistisch en onbetrouwbaar. Binnen zijn intieme relaties worden diverse tekenen voor problemen gezien, zoals blijkt uit de bedreiging, belaging en vernieling van eigendommen van zijn (ex-)partner. Het voorgaande duidt op problemen rondom zijn copingvaardigheden en emotieregulatie. Tijdens de observaties in het PBC liet verdachte zien moeite te hebben met externe begrenzing en beperkingen. Zo kon hij na een langere insluiting zijn boosheid nauwelijks verbergen en deed hij ook zijn best om zich te onttrekken aan toezicht door heimelijk met groepsgenoten te communiceren.

Ten slotte merken de onderzoekers op dat er meermalen door verdachte zelf werd gesproken over ADHD. Ook in rapportages van de reclassering werd ADHD genoemd als mogelijke stoornis. Echter wordt niet duidelijk in hoeverre, en door wie en wanneer, deze diagnose ooit is vastgesteld. Verdachte heeft eerder methylfenidaat voorgeschreven gekregen, maar nu verdachte geen toestemming heeft gegeven medische gegevens bij eerdere behandelaren op te vragen, is onvoldoende zicht verkregen op de reden van dit voorschrijven.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van Verslavingsreclassering GGZ Novadic-Kentron van 11 september 2026. De reclassering schrijft dat uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte vanaf 15-jarige leeftijd met enige regelmaat in aanraking met politie en justitie is gekomen. In de loop van de jaren is er sprake van een stijgende trend in de frequentie van het delictgedrag. Ook valt het de reclassering op dat verdachte vanaf 2021 vaker dan voorheen werd veroordeeld voor delicten met een agressiecomponent. Op de diverse leefgebieden ziet de reclassering geen factoren die als beschermend aan te merken zijn. Voorafgaand aan zijn huidige detentie was verdachte dak- en thuisloos en had hij geen werk. Een steunend sociaal netwerk leek te ontbreken. Daarnaast waren er al jaren zorgen over zijn gedrag in combinatie met middelengebruik. De reclassering binnen de PI [plaats] heeft benoemd dat het gedrag van verdachte binnen de PI doet vermoeden dat er, ook tijdens de huidige detentie, sprake is van middelengebruik. Verdachte is teruggetrokken, wil nergens aan deelnemen en verklaart bang te zijn voor een impulsdoorbraak. Verdachte stelt dat hij dexamfetamine nodig heeft om grip te kunnen houden op zijn impulsen. Verdachte geeft aan dat hij deze medicatie nodig heeft om zijn agressie adequaat te beheersen. Op grond van de delictgeschiedenis en de aanwezige sociaal-maatschappelijke problematiek schat de reclassering de kans op recidive in als hoog.

Ook in oudere reclasseringsrapportages uit 2021, februari en mei 2022 en 2025 komt naar voren dat verdachte structureel problemen ondervindt op alle leefgebieden. In de reclasseringsrapportage van 25 november 2021 werd melding gedaan van een eerdere diagnose, te weten PTSS. In de reclasseringsrapportage van 10 februari 2022 werd benoemd dat verdachte een verslavingsprobleem en PTSS heeft en werd aangegeven dat er een noodzaak is tot begeleiding en behandeling. Ook in de reclasseringsrapportage van 20 mei 2022 werd benoemd dat in classificerend opzicht sprake was van een stoornis in het gebruik van cocaïne en het gebruik van cannabis. Daarnaast werd benoemd dat er aanwijzingen werden gezien voor PTSS en ADHD. In de reclasseringsrapportage van 2 juni 2025 werd dit beeld herhaald. Benoemd werden de aanwijzingen voor psychopathologie, de vele risicofactoren bij verdachte, het hoge recidiverisico en de onbehandelde verslavings- en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek en de noodzaak om tot een klinische behandeling te komen.

De rechtbank ziet als rode draad uit de rapportages en de justitiële documentatie naar voren komen dat verdachte al jaren structureel problemen heeft op alle leefgebieden en dat er een hoog risico op recidive is, hetgeen heeft geresulteerd in vele veroordelingen. De rechtbank merkt op dat uit de veroordelingen van de afgelopen jaren steeds duidelijker een agressiecomponent naar voren komt, wat lijkt te zijn geculmineerd in het onderhavige feit. De rechtbank wijst erop dat verdachte slechts 10 dagen op vrije voeten was voordat hij het onderhavige feit pleegde.

Verdachte lijkt al een geruime tijd een problematische relatie te hebben met verdovende middelen, met name cocaïne. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nadat hij vrij kwam weer in zijn oude gebruik is teruggevallen. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte in deze periode paranoïde gedrag vertoonde en waanbeelden leek te hebben. Door getuige [getuige 5] werd verklaard dat verdachte enkele dagen voor het feit in de woning naast haar verbleef. [getuige 5] verklaarde dat verdachte erge waanbeelden had. Haar zoon vertelde haar dat verdachte steeds rare dingen aan het schreeuwen was. Verdachte zou het hebben over de man van haar buurmeisje (die overleden was), die op een kruk zou zitten met een schroevendraaier. Verdachte had alle stekkers uit de stopcontacten gehaald, omdat er een spin uit zou zijn gekomen. Dat was Arthur de duivel en die had hij doodgetrapt. Verdachte zei zijn (ex-)partner in schilderijen te zien zitten. Verdachte is daarna vertrokken. Later keerde verdachte terug en stelde hij dat [getuige 5] geld van hem had gestolen. [getuige 5] verklaarde dat verdachte in een waas leek. Zaterdag 28 juni 2025 stond verdachte opnieuw bij [getuige 5] aan de deur, verward. Ze gaf hem koffie en heeft hem op zijn verzoek naar Zutphen gebracht. In de auto begon verdachte weer over die spin en over zijn ex en [getuige 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij al drie dagen cocaïne en alcohol met het slachtoffer aan het gebruiken was, voordat het feit plaatsvond. Verdachte was ten tijde van het feit naar eigen zeggen buiten zichzelf door drank en drugs. Ook uit de sms’jes die, volgens de tijdlijn die de rechtbank heeft vastgesteld, net ná de steekpartij zijn verstuurd, komt naar voren dat verdachte verward overkomt, mogelijk dus omdat hij buiten zichzelf was van drank en drugs maar in iedere geval onder invloed daarvan.

De rechtbank ziet in de rapporten met betrekking tot de persoon van verdachte voldoende grond om tot de vaststelling te komen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a Sr. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ook de wijze waarop verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, bijdraagt aan deze conclusie, nu verdachte het slachtoffer in een geweldsexplosie met vele messteken om het leven heeft gebracht omdat hij hem verdacht van diefstal.

De rechtbank overweegt dat in ieder geval sprake is van een stoornis in het gebruik van verdovende middelen, maar kan geen uitspraken doen met betrekking tot de specifieke aard, oorzaak en mogelijke behandeling van deze ziekelijke stoornis. Deze vragen vallen ook niet binnen haar competentie en dienen tijdens het uitvoeren van na te noemen maatregel aan de orde te komen. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat bij verdachte een of meer andere psychische stoornissen spelen, zoals een persoonlijkheidsstoornis, PTSS of ADHD.

Deze ziekelijke stoornis(sen) was en/of waren aanwezig ten tijde van het feit hetgeen ook blijkt uit het verwarde gedrag van verdachte kort voor en kort na het gepleegde feit.

Overige voorwaarden

De rechtbank acht, gelet op het bewezenverklaarde en het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en mede gelet op het strafblad van verdachte, waarop al meerdere delicten met een agressiecomponent staan, de kans op herhaling en het gevaar voor de samenleving aanwezig. Zij acht het onverantwoord dat verdachte zonder behandeling terug zal keren in de maatschappij. Ook aan de andere voorwaarde voor oplegging van tbs met dwangverpleging is voldaan. In deze zaak is namelijk bewezenverklaard een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (doodslag).

Alternatieven Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte vindt de rechtbank het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord om verdachte, zonder dat het recidivegevaar is weggenomen of in belangrijke mate is afgenomen, terug te laten keren in de maatschappij. Behandeling zal daaraan een bijdrage kunnen leveren. Verdachte heeft door te volharden in zijn weigering medewerking te verlenen iedere opening naar onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. De reclassering acht blijkens het adviesrapport van 11 september 2026 interventies in het kader van een voorwaardelijk kader ook niet mogelijk. De rechtbank acht oplegging van tbs met dwangverpleging de enige mogelijkheid om het herhalingsgevaar te verminderen en ziet daartoe geen andere, minder verstrekkende, mogelijkheid.

Conclusie Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld en van overheidswege moet worden verpleegd.

Duur Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege daarom ongemaximeerd is.

Oplegging gevangenisstraf De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van het feit, niet kan worden volstaan met oplegging van de tbs-maatregel, maar dat ook oplegging van een gevangenisstraf passend en noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat er bij verdachte sprake was van een geestelijke stoornis ten tijde van het feit. De rechtbank zal daarom, ondanks dat de psychiater en de psycholoog zich hierover niet hebben kunnen uitlaten, het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekenen, nu dit, gelet op het handelen van verdachte, alsmede zijn gedrag voorafgaand aan, tijdens en na het feit, aannemelijk is te achten.

De rechtbank acht alles overwegend een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Dat de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf komt dan door de officier van justitie is geëist, is voornamelijk ingegeven door de omstandigheid dat aan verdachte tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Het betreft een zeer ingrijpende vrijheidsbenemende maatregel waarvan de totale duur in dit geval niet is gemaximeerd en die, zolang aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging wordt voldaan, telkens kan worden verlengd. De rechtbank acht het daarnaast in het belang van zowel de veiligheid van de maatschappij als van verdachte, dat hij op relatief korte termijn zal starten met de behandeling in het kader van de tbs-maatregel.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 517,- aan materiële schade en € 27.500,- aan smartengeld bestaande uit € 17.500,- affectieschade en € 10.000,- shockschade.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan smartengeld, te weten affectieschade.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,- aan smartengeld, te weten shockschade.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,- aan smartengeld, te weten shockschade.

Verder is door de benadeelde partijen om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard, gelet op het standpunt van de verdediging over de strafbaarheid van het feit en de dader. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de materiële schade onvoldoende onderbouwd is, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering dient te worden verklaard. De raadsman is daarnaast van oordeel dat bij de onderbouwing van de shockschade onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de geestelijke problematiek van de benadeelden die het gevolg is van het verdriet omtrent het overlijden van het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit (affectieschade) enerzijds, en de schade die (mogelijk) het gevolg is van de confrontatie met de verwondingen en de dood van het slachtoffer anderzijds. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat sprake is van psychische klachten die het directe gevolg zijn van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in (dit deel van) hun vorderingen. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde affectieschade door [benadeelde 1] en [benadeelde 4] .

Overwegingen van de rechtbank

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schade is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade (€ 517,-) kan worden toegewezen.

Affectieschade

Het bewezen verklaarde feit is gepleegd na 1 januari 2019. Het slachtoffer is als gevolg van het bewezen verklaarde feit overleden. De benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer.

De vordering is voldoende onderbouwd. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf. De benadeelde partij heeft dan ook recht op € 17.500,-. Dit bedrag wordt toegewezen.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Ook door de benadeelde partij [benadeelde 2] , vader van het slachtoffer, is affectieschade gevorderd. De vordering is voldoende onderbouwd. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf. De benadeelde partij heeft dan ook recht op € 17.500,-. Dit bedrag wordt toegewezen.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Verdachte is vanaf 28 juni 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schade en affectieschade verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Shockschade

Benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

Door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] is (ieder) € 10.000,- aan shockschade gevorderd.

Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.

Voor shockschade is vereist dat aangetoond wordt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat rechtstreeks is veroorzaakt door een heftige emotionele shock na een directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat het door de benadeelde partijen opgelopen geestelijke letsel veroorzaakt is door de confrontatie met het lichaam van hun naaste, en niet door het gemis van hun naaste. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in (dit deel van) hun vorderingen verklaren.

9 De beoordeling van het beslag

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen op de beslaglijst waarbij de naam van verdachte is genoteerd, kunnen worden teruggegeven aan verdachte. De overige in beslag genomen goederen kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave van de volgende voorwerpen aan de rechthebbende gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet:

  • Mes op bank woonkamer, met bebloed handvat (goednummer 3485852);

  • Pashouder op bed (goednummer 3485976);

  • Milieupas t.b.v. container (goednummer 3485978);

  • Schakelaar gang bij doorgang slaapkamer (goednummer 3485981);

  • Rand van schakelaar gang bij doorgang slaapkamer (goednummer 3485984);

  • Drukschakelaar in slaapkamer bij deur (goednummer 3485989);

  • Rand drukschakelaar in slaapkamer bij deur (goednummer 3485995);

  • Drukschakelaar badkamer (goednummer 3485997);

  • Rand van drukschakelaar badkamer (goednummer 3485998);

  • Telefoonhoesje (goednummer 3485525);

  • Twee zwarte sokken uit rechter Nike schoen (goednummer 3485526);

  • Twee zwarte sokken los in groencontainer voortuin (goednummer 3485527);

  • Nike sportschoenen (goednummer 3485528);

  • Gr. deken over lichaam en over stoel (goednummer 3485530);

  • Deken panterprint (goednummer 3485531);

  • Voorpand korte broek van slachtoffer (goednummer 3485555);

  • Voorpand onderbroek van slachtoffer (goednummer 3485556);

  • Achterpand onderbroek en achterpand korte broek van slachtoffer (goednummer 3485564);

  • Rand schakelaar gang bij woonkamer (goednummer 3486437);

  • Schakelaar gang bij drukschakelaar deur woonkamer (goednummer 3486441);

  • Schakelaar woonkamer bij deur gang links (goednummer 3486442);

  • Schakelaar woonkamer bij deur gang rand (goednummer 3486443);

  • Schakelaar woonkamer bij deur gang druk rechts (goednummer 3486444);

  • Camera voor eettafel op vloer (goednummer 3488751);

  • Paar slippers met bloed onder en naast bank (goednummer 3492731);

  • Eén paar witte schoenen merk Jordan (goednummer 3488637);

  • Koffer (Trolley) (goednummer 3488638);

  • Kleding (Shirt) (goednummer 3488639);

  • Kartonnen bierkratreclame met schoensporen in/met bloed gezet (goednummer 3488641);

  • Kleding grijs vest merk Under Armour (goednummer 3488646);

  • Kleding wit vest merk M&S (goednummer 3488648);

  • Kleding grijs vest (bebloed) (goednummer 3488649);

  • Kleding grijze broek merk Nike (goednummer 3488650);

  • Verpakking talkpoeder, zonder inhoud (goednummer 3488651);

  • Afgescheurd deel van zakje Zwitsal talkpoeder (goednummer 3488654);

  • Wit poeder, waarschijnlijk talkpoeder inhoud zakje (goednummer 3488658);

  • Aansteker vanaf bed slaapkamer (goednummer 3489253);

  • Blauw kussen vanaf bed slaapkamer halverwege (goednummer 3489255);

  • Blauw kussen vanaf bed slaapkamer hoofdeinde (goednummer 3489256);

  • Grijs hoeslaken vanaf vloer naast slaapkamer (goednummer 3489257);

  • Grijs kussensloop halverwege bed rechterzijde bed vanaf voeteneind (goednummer 3489259);

  • Wit/grijs kussen halverwege bed in kuil (goednummer 3489270);

  • Gripzakje op wasmachine in badkamer (goednummer 3489331);

  • Shampoo bus op wasmachine in badkamer (goednummer 3489335);

  • Printplaatje op vloer voor emmer badkamer (goednummer 3489338);

  • Schuttersbier in wasbak badkamer (goednummer 3489351);

  • Blauw handdoek op vloer bij voeteneinde bed (goednummer 3489396);

  • Zwart trainingspak (binnenstebuiten) (goednummer 3489399);

  • Kleding Shirt merk Mister (goednummer 3489401);

  • Kleding zwart Shirt lange mouw (goednummer 3489408);

  • Kleding Zwart Shirt korte mouw (goednummer 3489409);

  • Kleding zwarte korte broek (goednummer 3489413);

  • Blauw Handdoek (goednummer 3489417);

  • Kleding wit Shirt korte mouw (goednummer 3489419);

  • Stuk printplaat op vloer links bij voordeur hal (goednummer 3489430);

  • Kleding blauw Shirt merk Nike met bloedsporen (goednummer 3489566);

  • Kleding zwart shirt "Workout" (goednummer 3489570);

  • Stoel (goednummer 3496830);

  • Stoel met bloed op zitting (goednummer 3496828);

  • Printer in steriel laken verpakt (goednummer 3496831);

  • Paar zwarte schoenen (goednummer 348711).

De rechtbank zal de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet:

  • Twee 5 eurobiljetten (goednummer 3486666);

  • Aanstekers (goednummer 3486666);

  • Zonnebril (goednummer 3486666);

  • Portofoon uit legertas (goednummer 3487188);

  • Wit shirt uit legertas (goednummer 3487376);

  • Blauwe korte broek met rode strepen uit legertas (goednummer 3487378);

  • Vest met bloed uit legertas (goednummer 3487167);

  • Nike trainingsbroek met bloed uit legertas (goednummer 3487170);

  • Legertas met bloed (goednummer 3487168).

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 517,- aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld (shockschade);

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 18.017,- aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 115 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 17.500,- aan smartengeld (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 17.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 112 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld (shockschade);

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld (shockschade);

 gelast de teruggave van de volgende aan de rechthebbende:

Mes op bank woonkamer, met bebloed handvat (goednummer 3485852);

Pashouder op bed (goednummer 3485976);

Milieupas t.b.v. container (goednummer 3485978);

Schakelaar gang bij doorgang slaapkamer (goednummer 3485981);

Rand van schakelaar gang bij doorgang slaapkamer (goednummer 3485984);

Drukschakelaar in slaapkamer bij deur (goednummer 3485989);

Rand drukschakelaar in slaapkamer bij deur (goednummer 3485995);

Drukschakelaar badkamer (goednummer 3485997);

Rand van drukschakelaar badkamer (goednummer 3485998);

Telefoon hoesje (goednummer 3485525);

Twee zwarte sokken uit rechter Nike schoen (goednummer 3485526);

Twee zwarte sokken los in groencontainer voortuin (goednummer 3485527);

Nike sportschoenen (goednummer 3485528);

Gr. deken over lichaam en over stoel (goednummer 3485530);

Deken panterprint (goednummer 3485531);

Voorpand korte broek van slachtoffer (goednummer 3485555);

Voorpand onderbroek van slachtoffer (goednummer 3485556);

Achterpand onderbroek en achterpand korte broek van slachtoffer (goednummer 3485564);

Rand schakelaar gang bij woonkamer (goednummer 3486437);

Schakelaar gang bij drukschakelaar deur woonkamer (goednummer 3486441);

Schakelaar woonkamer bij deur gang links (goednummer 3486442);

Schakelaar woonkamer bij deur gang rand (goednummer 3486443);

Schakelaar woonkamer bij deur gang druk rechts (goednummer 3486444);

Camera voor eettafel op vloer (goednummer 3488751);

Paar slippers met bloed onder en naast bank (goednummer 3492731);

Eén paar witte schoenen merk Jordan (goednummer 3488637);

Koffer (Trolley) (goednummer 3488638);

Kleding (Shirt) (goednummer 3488639);

Kartonnen bierkratreclame met schoensporen in/met bloed gezet (goednummer 3488641);

Kleding grijs vest merk Under Armour (goednummer 3488646);

Kleding wit vest merk M&S (goednummer 3488648);

Kleding grijs vest (bebloed) (goednummer 3488649);

Kleding grijze broek merk Nike (goednummer 3488650);

Verpakking talkpoeder, zonder inhoud (goednummer 3488651);

Afgescheurd deel van zakje Zwitsal talkpoeder (goednummer 3488654);

Wit poeder, waarschijnlijk talkpoeder inhoud zakje (goednummer 3488658);

Aansteker vanaf bed slaapkamer (goednummer 3489253);

Blauw kussen vanaf bed slaapkamer halverwege (goednummer 3489255);

Blauw kussen vanaf bed slaapkamer hoofdeinde (goednummer 3489256);

Grijs hoeslaken vanaf vloer naast slaapkamer (goednummer 3489257);

Grijs kussensloop halverwege bed rechterzijde bed vanaf voeteneind (goednummer 3489259);

Wit/grijs kussen halverwege bed in kuil (goednummer 3489270);

Gripzakje op wasmachine in badkamer (goednummer 3489331);

Shampoo bus op wasmachine in badkamer (goednummer 3489335);

Printplaatje op vloer voor emmer badkamer (goednummer 3489338);

Schuttersbier in wasbak badkamer (goednummer 3489351);

Blauw handdoek op vloer bij voeteneinde bed (goednummer 3489396);

Zwart trainingspak (binnenstebuiten) (goednummer 3489399);

Kleding Shirt merk Mister (goednummer 3489401);

Kleding zwart Shirt lange mouw (goednummer 3489408);

Kleding Zwart Shirt korte mouw (goednummer 3489409);

Kleding zwarte korte broek (goednummer 3489413);

Blauw Handdoek (goednummer 3489417);

Kleding wit Shirt korte mouw (goednummer 3489419);

Stuk printplaat op vloer links bij voordeur hal (goednummer 3489430);

Kleding blauw Shirt merk Nike met bloedsporen (goednummer 3489566);

Kleding zwart shirt "Workout" (goednummer 3489570);

Stoel (goednummer 3496830);

Stoel met bloed op zitting (goednummer 3496828);

Print in steriel laken verpakt (goednummer 3496831);

Paar zwarte schoenen (goednummer 348711);

 gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte:

Twee 5 eurobiljetten (goednummer 3486666);

Aanstekers (goednummer 3486666);

Zonnebril (goednummer 3486666);

Portofoon uit legertas (goednummer 3487188);

Wit shirt uit legertas (goednummer 3487376);

Blauwe korte broek met rode strepen uit legertas (goednummer 3487378);

Vest met bloed uit legertas (goednummer 3487167);

Nike trainingsbroek met bloed uit legertas (goednummer 3487170);

Legertas met bloed (goednummer 3487168).

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. A.P. Sno, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »