ECLI:NL:RBGEL:2026:7884

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
96/060841-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tenlastegelegde feit primair bewezen: als watersporter zonder gebruik te maken van een schip (een bellyboat) watersport bedrijven in een gedeelte van de vaarweg dat bestemd is voor de doorgaande scheepvaart (de Waal bij Lent). Een bellyboat is naar zijn aard niet bestemd of geschikt als middel van vervoer te water en is daarom geen schip. Het beroep op toestemming van de Waterpolitie en het verweer dat bebording ontbrak, zijn verworpen. Het subsidiair ten laste gelegde is niet beoordeeld. Straf: schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Hierbij is rekening gehouden met de persoon en omstandigheden van verdachte, het tijdsverloop en het feit dat de vriend die op dezelfde locatie in een bellyboat voer, niet is beboet. Artikelen: 9a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1.01 en 8.08 van het Binnenvaartpolitiereglement.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 96/060841-26

Datum uitspraak : 8 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting op 22 september 2026 te Zutphen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Lent, gemeente Nijmegen, heeft gezwommen, watersport heeft bedreven zonder gebruik te maken van een schip en/of onderwatersport heeft bedreven,

in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart, te weten Waal, 886.lOOr, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Lent, gemeente Nijmegen, als schipper van een bellyboat niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevond, waren geboden, teneinde met name te voorkomen dat de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers heeft hij, verdachte zich met die bellyboat bevonden in een gedeelte van de vaarweg de Waal dat bestemd is voor de doorgaande scheepvaart.

(art 8.08 lid 2 / art. 1.04 Binnenvaartpolitiereglement)

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Uit de richtlijn Bellyboats die Rijkswaterstaat in samenwerking met o.a. de Sportvisunie en de COMWA in oktober 2023 heeft opgesteld, blijkt dat een bellyboat als watersport zonder schip wordt aangemerkt. Het doel en de wijze van gebruik van een bellyboat verschillen namelijk wezenlijk van die van een regulier vaartuig dat is ingericht en is bestemd om aan het scheepvaartverkeer deel te nemen. De bellyboat wordt primair gebruikt om te drijven en vervolgens te vissen, niet om van A naar B te komen. Het aspect vervoer, zoals genoemd in de definitiebepaling van een schip, speelt dus nagenoeg geen, althans een zeer ondergeschikte, rol. Het feit dat sommige bellyboats over een elektromotor beschikken maakt dit niet anders; de motor is voornamelijk bedoeld ter positionering van de bellyboat tijdens het vissen en om afdrijving te voorkomen. De ervaring leert dat een elektrisch voortbewogen bellyboat slechts snelheden van tussen de 3 en 5 km/u behaalt op het water. Een bellyboat is naar het oordeel van het Openbaar Ministerie in hoge mate vergelijkbaar met een opblaasbare zwemband. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een bellyboat niet als schip aangemerkt kan worden en dat varen met een bellyboat dus als watersport zonder schip aangemerkt moet worden.

Het standpunt van verdachte

Verdachte, die zonder raadsman ter zitting is verschenen, heeft verklaard dat hij en een vriend elk met een bellyboat aan het vissen waren op de Waal, stilliggend tussen twee kribben. Tussen kribben vindt geen scheepvaart plaats, dit is buiten de vaargeul. Toen verdachte en zijn vriend stopten met vissen zijn zij in hun bellyboat tussen de kribben stroomafwaarts gevaren en - op een moment dat er geen schepen voorbij kwamen - kort om een kribbe heen (en daarmee in de vaargeul) gevaren om vervolgens de route voort te zetten tussen de volgende twee kribben, waarna wederom kort om een kribbe werd heengevaren toen er geen schip voorbij kwam. Dit hebben zij enkele malen zo herhaald. Hiervoor heeft een beambte van de Waterpolitie volgens verdachte in dit geval uitdrukkelijk mondeling toestemming gegeven. Terwijl verdachte op de hiervoor omschreven wijze de Waal afvoer werd hij beboet door (andere) beambten van de Waterpolitie.

Verdachte stelt dat nergens langs de Waal bebording aanwezig is waarop vermeld staat dat varen met een bellyboat daar niet is toegestaan. Hij was op het moment dat hij de boete kreeg samen met een vriend die eveneens in een bellyboat voer, wiens boete wel is kwijtgescholden. Verdachte vindt dit vreemd, omdat zij beiden toestemming hadden gekregen van personen die daartoe bevoegd waren.

Beoordeling door de kantonrechter

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting stelt de kantonrechter het volgende vast.

Op 30 maart 2025 omstreeks 12:40 uur bevond verdachte zich met een bellyboat op de Waal bij Lent, gemeente Nijmegen, ter hoogte van kilometer 886.100 rechteroever.2 Een verbalisant van Rijkswaterstaat, die dienst had aan boord van patrouillevaartuig [nummer] , zag twee bellyboats op ongeveer 35 meter uit de normaallijn stroomafwaarts gaan in de richting van de Spiegelwaal.3 Volgens deze verbalisant bevindt men zich op die afstand van de normaallijn in een gedeelte van de vaarweg dat bestemd is voor de doorgaande scheepvaart, zoals vastgelegd in het Bericht aan de Rijnscheepvaart RWS-2023/5716.4 Door verbalisant is eveneens vastgesteld dat verdachte zich midden in de vaarweg bevond, dat daardoor een gevaarlijke situatie ontstond en dat het bevoegd gezag geen vergunning of vrijstelling had verleend5. Verdachte heeft verklaard dat hij en een vriend die dag bij het vissen gebruik maakten van een een bellyboat, die was voorzien van een elektromotor. Zij waren tussen twee kribben aan het vissen en zijn vervolgens tussen de kribben door stroomafwaarts gevaren, waarbij steeds kort door de vaargeul, om een kribbe heen, werd gevaren om tussen de volgende twee kribben te komen en daar verder te varen.6Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn vriend daarvoor toestemming zouden hebben gekregen van een beambte van de Waterpolitie.

Aan verdachte is primair verweten dat hij watersport heeft bedreven zonder gebruik te maken van een schip, in een gedeelte van de vaarweg dat bestemd is voor de doorgaande scheepvaart.

Niet ter discussie staat dat met het varen in een bellyboat sprake is van het bedrijven van watersport. Vast staat dat verdachte dit - zij het steeds kort - heeft gedaan in de vaargeul van de Waal. Dit is op grond van artikel 8.08 lid 2 Binnenvaartpolitiereglement (hierna: “BPR”) verboden wanneer dit gebeurt zonder gebruik te maken van een schip. De vraag is daarmee allereerst of een bellyboat een schip is in de zin van dit artikel.

Uit de definitie van artikel 1.01 BPR volgt dat een vaartuig alleen als schip kan worden aangemerkt als het wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van vervoer te water. Het openbaar ministerie heeft zich in dit verband beroepen op de richtlijn Bellyboats van oktober 2023. Dit is geen algemeen verbindend voorschrift, maar een beleidsregel die is opgesteld door onder meer het handhavend orgaan, Rijkswaterstaat. De kantonrechter betrekt deze richtlijn echter in oriënterende zin wel in haar oordeel.

Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hieruit, en ook overigens uit het dossier, dat een bellyboat doorgaans in de eerste plaats wordt gebruikt om te drijven en vanuit stilstand te vissen, en niet om zich van de ene plaats naar de andere te verplaatsen. Het aspect vervoer, dat in de wettelijke definitie centraal staat, speelt daarbij een ondergeschikte rol. Ook wanneer een bellyboat over een elektromotor beschikt is deze voornamelijk bedoeld ter positionering van de bellyboat tijdens het vissen, om afdrijving te voorkomen. Bellyboats bewegen zich bovendien slechts met zeer geringe snelheid voort. Gezien het voorgaande is een bellyboat daarmee naar zijn aard niet bestemd of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water en kan dus niet worden aangemerkt als schip. Het gebruik ervan dient daarmee te worden beschouwd als watersport zonder schip in de zin van artikel 8.08 lid 2 BPR.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de verdachte zich bevond in een gedeelte van de vaarweg dat is bestemd voor de doorgaande scheepvaart. De kantonrechter stelt vast dat verdachte zich ten tijde van de waarneming door de Waterpolitie bevond op ongeveer 35 meter uit de normaallijn. Dat gedeelte van de vaarweg is bestemd voor de doorgaande scheepvaart.7 Verdachte bevond zich aldaar ten opzichte van de scheepvaart ook in een kwetsbare positie, heeft hij ter zitting erkend. Het primair ten laste gelegde is bewezen.

Verdachte heeft verklaard dat andere beambten van de Waterpolitie hem toestemming hebben gegeven om stroomafwaarts te varen met de bellyboat. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de beambte die de boete uitschreven volgt echter dat twee personen in bellyboats omstreeks 10:30 uur door de politie zijn aangesproken en dat een van hen verklaarde dat zij al van de rivier waren gestuurd. Dat duidt niet op eerdere toestemming om in de vaarweg te blijven. Van het geven van dergelijke toestemming is ook overigens niet gebleken. Daarnaast heeft de genoemde verbalisant ambtshalve vastgesteld dat het bevoegd gezag geen vergunning of vrijstelling heeft verleend.8 Dit verweer slaagt daarom niet.

Verdachte heeft aangevoerd dat nergens was aangegeven dat het verboden was om zich op die plaats te bevinden. Hij heeft ook verklaard dat andere vissers en Sportvisserij Nederland het verbod niet kenden. Het verbod volgt uit het BPR en geldt ook zonder dat dit ter plaatse door middel van bebording wordt aangegeven. Onbekendheid met een wettelijk verbod komt voor rekening van verdachte, tenzij die onbekendheid verontschuldigbaar is. Daarvan is niet gebleken. Wie zich met een bellyboat op een rivier met intensieve beroepsvaart begeeft, mag worden geacht zich vooraf te informeren over de regels die daar gelden. Ook dit verweer faalt.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat de boete van zijn vriend is kwijtgescholden. Of wordt beboet of volstaan met een waarschuwing is echter een discretionaire bevoegdheid van de betreffende beambte en doet niet af aan het feit dat de onderhavige boete terecht is opgelegd.

Het primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Gelet op deze beslissing komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de kantonrechter is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Lent, gemeente Nijmegen, heeft gezwommen, watersport heeft bedreven zonder gebruik te maken van een schip en/of onderwatersport heeft bedreven,

in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart, te weten Waal, 886.lOOr, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 8.08 lid 2 van het Binnenvaartpolitiereglement.

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De beoordeling door de kantonrechter

De kantonrechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De kantonrechter heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte, het tijdsverloop alsmede met het feit dat de vriend die hem vergezelde eveneens in een bellyboat op dezelfde locatie voer, maar niet werd beboet. De kantonrechter zal daarom volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De hierna te nemen beslissing berust op artikel 9A van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 1.01 en 8.08 van het Binnenvaartpolitiereglement.

9 De beslissing

De kantonrechter:

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 bepaalt dat hiervoor geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Leemreize, bijgestaan door de griffier, F.M Deias, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »