RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/086736-26
Datum uitspraak : 25 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. J.L. Vermeer, advocaat te Rhenen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 april 2025 te [woonplaats]
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis tegen de schaamlippen en/of de vulva van die [minderjarige]
en/of
- het laten aftrekken en/of betasten van zijn penis door die [minderjarige] ,
terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b,
omschreven omstandigheden, te weten jegens verdachtes kind;
2.
hij op omstreeks 14 april 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland,
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele
strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt
was betrokken of schijnbaar was betrokken, in bezit heeft gehad,
te weten een Samsung telefoon met daarop een of meerdere foto’s en/of video’s
waarop te zien is dat:
die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd (afbeeldingen 1 en/of 3 en/of 4 uit de toonmap) en/of
het geslachtsdeel van die persoon wordt aangeraakt en/of
het geslachtsdeel van een ander persoon wordt aangeraakt door die persoon
(afbeeldingen 2 en/of 3 uit de toonmap) en/of
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van
kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het
geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht
(afbeeldingen 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 uit de toonmap) en/of
bij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt
gehouden (afbeelding 2 uit de toonmap);
3.
hij op omstreeks 14 april 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland,
een of meer visuele weergaven van een seksuele handeling, waarbij een mens en
een dier waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, in bezit heeft gehad,
te weten een Samsung telefoon met daarop een of meerdere foto’s en/of video’s
waarop te zien is dat een of meerdere onbekende personen seksuele handelingen
verrichten bij/met een paard en/of een hond en/of een slang en/of een aap en/of
een varken
(afbeeldingen 1 en/of 3 en/of 4 en/of 5 en/of 6 uit de toonmap).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 3 is geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Beoordeling bewijs in zedenzaken
In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen betrokken geweest bij de ten laste gelegde ontuchtige of seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het vaak om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Ook in deze zaak staat de belastende verklaring van verdachtes dochter tegenover de ontkennende verklaring van verdachte.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring wordt onder meer gelet op de consistentie, gedetailleerdheid, authenticiteit en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring.
Wanneer de verklaring betrouwbaar wordt geacht, moet de rechtbank bepalen of voldoende steunbewijs voor die verklaring in het dossier aanwezig is. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechtbank het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan namelijk niet uitsluitend baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Voor een bewezenverklaring moet dus naast de belastende verklaring van het vermeende slachtoffer sprake zijn van steunbewijs. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van de aangever voldoende bewijs opleveren. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever of het slachtoffer op specifieke (andere) punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangever of het slachtoffer.
Bewijsmiddelen
Aangeefster [aangever] , de moeder van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), heeft verklaard dat [minderjarige] om de twee weken bij haar vader, verdachte, in [woonplaats] is. Op 7 april 2025 kwam verdachte de spullen van [minderjarige] bij aangeefster terugbrengen. [minderjarige] was dat weekend bij verdachte geweest. Hij vertelde dat [minderjarige] vieze filmpjes had gezien op zijn telefoon. Aangeefster heeft [minderjarige] die middag van school gehaald. [minderjarige] zei dat ze iets wilde vertellen, maar dat ze bang was dat aangeefster boos zou worden. Binnen in de school heeft [minderjarige] aan intern begeleider [getuige] en aangeefster verteld dat het heel vies is wat ze wil vertellen, namelijk dat papa met zijn plasser tegen haar plasser is geweest en dat ze dat niet wilde, maar hij het toch deed. Hij had last van plakplas en [minderjarige] moest hem helpen. Ze heeft dat gedaan met haar handen en toen gingen ze het samen schoonmaken. [minderjarige] vertelde dat ze boven op haar slaapkamer op haar bed was. Papa en zij hadden allebei geen kleding aan en opa en oma waren niet thuis. [minderjarige] vertelde dat ze ook vieze filmpjes hadden gekeken, [minderjarige] zag een hondje dat de billen van een vrouw likte. [minderjarige] zei dat ze dit van papa niet mocht vertellen, want anders mocht ze niet meer naar papa toe. Daarna omhelsde [minderjarige] aangeefster en moest ze snikken. Toen aangeefster zei dat papa een ander verhaal had verteld, zei [minderjarige] meteen: papa liegt. Het was op de tweede dag gebeurd dat ze bij papa was. Het gebeurde toen opa en oma naar de kerk waren.
Aangeefster heeft ook verklaard over een eerder incident in juni 2024. Voor de zomervakantie vertelde verdachte dat [minderjarige] een keer zijn kamer was binnengekomen terwijl hij zichzelf aan het bevredigen was met een filmpje erbij en dat [minderjarige] dit zag. [minderjarige] had verteld dat zij haar broek naar beneden had getrokken en dat papa bij haar haar twee gaatjes aangewezen had en bij zichzelf zijn plasser aanwees. En dat zij samen filmpjes hadden gekeken over twee mensen die vieze dingen deden. Hierna heeft aangeefster de huisarts gebeld en heeft een gesprek plaatsgevonden met aangeefster, verdachte en de ouders van verdachte. De uitkomst daarvan was dat er een slot aan de binnenkant van de deur van verdachte zou komen.2
Uit het huisartsverslag van 3 juli 2024 blijkt dat de huisarts een bespreking heeft gehad met aangeefster over de dochter van aangeefster die bij de partner was en thuiskomt met verhalen over ‘piemel schoonmaken’ en ‘samen naar blote mensen kijken’.3
[minderjarige] , geboren [geboortedag] 2017, heeft tijdens de voorbereiding op het studioverhoor op 10 april 2025 verklaard dat ze over papa zou komen praten, over de plassers tegen elkaar en over dat er plakplas was.4
[minderjarige] heeft tijdens het studioverhoor op 11 april 2025 verklaard dat papa plakplas vast had en dat zij en papa met de plassers tegen elkaar aan gingen en dat kietelde. Ze verklaarde dat papa had gezegd dat [minderjarige] het niet tegen mama mocht zeggen, omdat hij anders haar papa niet meer mocht zijn. [minderjarige] heeft ook verklaard dat zij aan papa’s plasser heeft gezeten, daarbij maakte ze een handbeweging op en neer van boven naar beneden om het voor te doen. Hij deed zijn plasser tegen [minderjarige] plasser en hij had een washandje om het weg te halen. Ze wilde het eruit halen, maar ze had per ongeluk alles eruit gehaald. Het gebeurde in [minderjarige] slaapkamer, op haar bed, opa en oma waren naar de kerk. Het gebeurde op de tweede nacht. Papa keek ook nog naar vieze filmpjes van een kindje en een papa. [minderjarige] heeft verklaard dat ze dat ook heeft gezien en dat ze papa toen is gaan helpen. Dat kindje op het filmpje durfde het wel, de plasser in het gaatje, maar [minderjarige] durfde dat niet. Ze hadden eerst dat filmpje gekeken beneden in de woonkamer. En toen gingen ze naar de slaapkamer. Ze waren allebei in hun blootje. Ze deden de plassers tegen elkaar. Papa vond het lekker dat [minderjarige] aan de plasser zat. Toen kwam er een beetje uit. Hij had een meisje nodig en zo kon [minderjarige] hem helpen. Aan bovenkant bij het stipje was het een beetje nat, maar voor de rest was het droog. Zo gleden [minderjarige] handen niet weg. De plasser was hard en papa hield hem recht met zijn hand. Toen kwam er plakplas uit. Dat was helemaal wit. Een beetje onzichtbaar. De plakplas was (waarbij zij met haar hand naar haar kruis gaat) bij de zijkant gekomen, ze pakte het gauw met haar handen op en dacht ‘ieuw’. Papa heeft toen de plakplas met een washandje weggehaald.5
Getuige [getuige] , de intern begeleider van [minderjarige] school, heeft verklaard dat het afscheid tussen [minderjarige] en haar vader op maandagochtend 7 april 2025 erg kort was, nog korter dan normaal, zo was de leerkracht die dag opgevallen. Later die dag wilde [minderjarige] iets vertellen en moeder vroeg of getuige daarbij wilde aansluiten. [minderjarige] vertelde dat het heel vies is wat ze zou gaan vertellen. [minderjarige] vertelde dat papa met zijn plasser tegen [minderjarige] plasser ging. [minderjarige] zei dat ze dat niet wilde, maar hij dat toen toch deed. Hij had ergens last van en zij moest hem helpen, zo vertelde ze. [minderjarige] bewoog toen al haar vingers en wiebelde die heen en weer. [minderjarige] zei ook nog “en toen hebben wij het samen schoongemaakt”. [minderjarige] vertelde dat het op haar slaapkamer was en dat ze allebei geen kleren aan hadden. Opa en oma waren niet thuis, want die waren naar de kerk. Toen vertelde [minderjarige] dat ze rare filmpjes moest kijken. [minderjarige] zei dat ze dat ze een filmpje had gezien van een hondje die de billen van een mevrouw likte. Toen kroop ze dichter naar moeder toe en omhelsde moeder en begon een soort van te snikken. Toen moeder zei dat papa een ander verhaal had verteld, zei [minderjarige] heel hard: papa liegt. De getuige heeft van dit gesprek diezelfde dag een verslag gemaakt.6
Verdachte heeft verklaard dat [minderjarige] op 6 april 2025 bij hem was. Hij heeft wel eens naar dierenporno gekeken. [minderjarige] heeft hem een keer zien klaarkomen, dat was in 2024. Toen heeft verdachte aan [minderjarige] uitgelegd hoe het zit met plakplas. Misschien heeft [minderjarige] toen ook naar porno gekeken die verdachte open had staan. Verdachte heeft ook wel eens uitgelegd wat een plasser is. [minderjarige] heeft ook het gaatje in de piemel van verdachte gezien. Verdachte heeft toen uitgelegd dat hij daarmee plast. [minderjarige] had dat gaatje gezien toen ze binnenkwam en verdachte zag klaarkomen.7
Verder blijkt uit onderzoek naar de telefoon van verdachte dat er twee afbeeldingen van dierenporno in de cachemap werden aangetroffen. Er was een afbeelding waarbij een naakte vrouw door een paard werd gelikt aan haar billen en er was een afbeelding waarbij een vrouw met een witte jurk met kleuren voorover staat gebukt en dat er een bruine hond met zijn snuit bij de billen van de vrouw is.8
Betrouwbaarheid van de verklaring van [minderjarige]
De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of de verklaringen van [minderjarige] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
[minderjarige] heeft spontaan op 7 april 2025 tegen haar moeder (aangeefster) verteld wat er gebeurd was, waar ook de intern begeleider van school bij was, zoals blijkt uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen. [minderjarige] heeft daarnaast op 10 april 2025 ter gelegenheid van de voorbereiding op het studioverhoor verklaard en op 11 april 2025 in een studioverhoor een uitgebreide verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] op wezenlijke onderdelen consistent heeft verklaard en dat haar verklaringen specifiek en gedetailleerd zijn. Zij verklaart gedetailleerd over dingen die een achtjarige niet hoort te weten. Verder komen haar verklaringen authentiek over, nu ze bijvoorbeeld zelf ook eerlijk heeft toegegeven iets te hebben verzonnen. [minderjarige] verklaringen over het zien van filmpjes worden daarnaast bevestigd door verdachte, alleen in een volgens verdachte andere context. Een afbeelding die in een cache bestand op verdachtes telefoon is aangetroffen komt daarnaast wat betreft de voorstelling overeen met datgene waarover [minderjarige] tegenover aangeefster heeft verklaard, namelijk een hond die de billen van een vrouw likt. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [minderjarige] te twijfelen.
Steunbewijs
De rechtbank dient te beoordelen of de verklaringen van [minderjarige] voldoende steun vinden in ander materiaal. De verklaringen van [minderjarige] worden op belangrijke onderdelen ondersteund door feiten en omstandigheden zoals die blijken uit voornoemde bewijsmiddelen. [minderjarige] heeft spontaan haar verhaal, de zogenaamde disclosure, gedaan tegenover twee getuigen, haar moeder en de intern begeleider. Beiden hebben waargenomen dat [minderjarige] het verhaal kwijt wilde ondanks dat zij het heel vies vond. Zij beschrijven dat [minderjarige] bang was haar vader te verliezen als zij het verhaal zou vertellen. De disclosure vond plaats een dag nadat het gebeurd was en dus kort op de gebeurtenis.
Verder worden de verklaringen van [minderjarige] deels ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Hij heeft verklaard in het verleden dierenporno te hebben gekeken. [minderjarige] heeft verklaard over een heel specifieke afbeelding die zij met verdachte heeft gezien, waarbij de billen van een vrouw worden gelikt door een hond. In een cachemap op de telefoon van verdachte is een afbeelding aangetroffen die eenzelfde scène beschrijft.
De beide getuigen van de disclosure hebben ook verklaard over het gedrag van [minderjarige] die dag. Nadat zij haar verhaal had verteld kroop ze dichter naar haar moeder toe, omhelsde haar en begon te snikken. Het was de juf opgevallen dat het afscheid die ochtend tussen vader en [minderjarige] opvallend kort was.
Tot slot is in de aangifte van moeder en het verslag van de huisarts gesproken over een eerder incident waarbij sprake is geweest van aftrekken door verdachte en het zien van porno samen met verdachte.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende ondersteuning voor de verklaring van [minderjarige] om het ten laste gelegde feit 1 wettig en overtuigend bewezen te achten.
Feiten 2 en 3
Gelet op de onderlinge samenhang zal de rechtbank deze feiten gezamenlijk bespreken.
Aan verdachte is ten laste gelegd het bezit van kinderporno onder feit 2 en het bezit van dierenporno onder feit 3. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
Van slechts een tweetal bestanden, waarop dierenporno zichtbaar is, is in het dossier de locatie beschreven (bestandspad /filepaths) waarop de bestanden zijn gevonden. Dit betreft, kijkend naar de bestandslocatie, een zogenaamde cachemap. Van alle overige afbeeldingen – kinderporno en dierenporno – staat niet beschreven op welke bestandslocatie (bestandspad /filepaths) de bestanden zijn gevonden en welke format de bestanden hadden.
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de vaststelling of sprake is van opzet op het bezit van kinderpornografische afbeeldingen drie elementen kunnen worden onderscheiden: kennen (in de zin van zich in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van dergelijke afbeeldingen op een of meer van zijn gegevensdragers), kunnen (in de zin van de beschikkingsmacht hebben over de betreffende afbeeldingen) en willen (in de zin van de bedoeling hebben deze afbeeldingen te bewaren, dan wel het nemen van onvoldoende maatregelen om na ontvangst van de afbeeldingen deze weer te verwijderen). Kortom, degene op wiens harde schijf kinderporno is aangetroffen, is strafbaar wegens het opzettelijk in bezit hebben van deze kinderporno, indien hij zich bewust is van de aanwezigheid van de bestanden, hierover beschikkingsmacht heeft, en de bedoeling heeft ze in bezit te hebben (zie onder meer de conclusie van A-G Knigge bij het arrest ECLI:NL:HR:2006:AU9104).
Nu de rechtbank niet bekend is met de locatie waarop de rest van de afbeeldingen zijn aangetroffen, kan de rechtbank ook niet vaststellen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de bestanden, daarover de beschikkingsmacht had en de bedoeling had ze in bezit te hebben. Het enkele feit dat de verdachte heeft gezocht op bepaalde zoektermen, is eveneens onvoldoende. Uit die zoektermen volgt namelijk niet onomstotelijk dat hij op zoek was naar pornografisch materiaal van kindermisbruik. Bovendien is dat ook geen bewijs voor de beschikkingsmacht van verdachte over de afbeeldingen.
Hetzelfde geldt ook voor de twee afbeeldingen van dierenporno die zijn aangetroffen in de cachemap op de telefoon van verdachte. Ook van die twee bestanden kan het bezit in voornoemde zin niet worden aangetoond.
Zoals hiervoor aangegeven wordt in de jurisprudentie voor de bewezenverklaring van het bezit van kinder- dan wel dierenpornografisch materiaal namelijk tevens vereist dat verdachte over het (normaliter in bestandsvorm) opgeslagen digitale kinderpornografische materiaal kon beschikken. Dit laatste is te verstaan als: er toegang toe hebben, het kunnen openen om het te bekijken en/of er handelingen mee kunnen verrichten en het te kunnen verwijderen. Dat bezit kan niet zonder meer worden aangenomen als het gaat om bestanden die zijn gevonden in een cachemap. Door mobiele applicaties worden cachegegevens doorgaans niet opgeslagen in voor de gebruiker toegankelijke locaties. Voor het openen van dergelijke cachebestanden is niet alleen een meer dan gemiddelde computerkennis benodigd, maar ook specifieke software. Informatie over vaardigheden van de verdachte op digitaal gebied bevindt zich niet in het dossier. Evenmin blijkt uit het dossier dat bij hem de voor het openen van cachebestanden benodigde software, of sporen van eerdere aanwezigheid daarvan, zijn aangetroffen. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde afbeeldingen in zijn bezit had.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de feiten 2 en 3 ondanks dat verdachte wel heeft toegegeven in het verleden naar dierenporno te hebben gekeken. Die verklaring alleen is onvoldoende voor bewijs van het ten laste gelegde feit.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 6 april 2025 te [woonplaats]
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis tegen de schaamlippen en/of de vulva van die [minderjarige]
en/of
- het laten aftrekken en/of betasten van zijn penis door die [minderjarige] ,
terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b,
omschreven omstandigheden, te weten jegens verdachtes kind.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het contact- en locatieverbod. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel ex art. 38v gevorderd en heeft verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan uit te spreken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een werkstraf in combinatie met een gevangenisstraf die het voorarrest niet overstijgt.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn dochter, door [minderjarige] zijn penis te laten betasten en te laten aftrekken en door zijn penis tegen haar vulva te brengen. Het slachtoffer was ten tijde van deze handelingen 8 jaar oud. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke, psychische en seksuele integriteit van het slachtoffer. Verdachte is in zeer ernstige mate tekortgeschoten in zijn rol als vader en heeft het vertrouwen dat [minderjarige] in hem had ernstig beschadigd. Het misbruik heeft plaatsgevonden in de woning van [minderjarige] grootouders, waar verdachte woonde en [minderjarige] gedeeltelijk woonde, een plek waar [minderjarige] zich veilig had moeten voelen en beschermd had moeten kunnen opgroeien.
Seksueel misbruik verstoort een gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft. Dit kan leiden tot langdurige en ernstige schade voor de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Tijdens de zitting is door de moeder van [minderjarige] toegelicht welke gevolgen het handelen van verdachte voor [minderjarige] heeft gehad en tot op heden heeft. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij in het geheel geen rekening heeft gehouden met het welzijn van [minderjarige] en voorrang heeft gegeven aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 31 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 28 augustus 2026. De reclassering kan – vanwege de ontkennende verklaring van verdachte – het risico op recidive niet inschatten en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beheersing middelengebruik en eventueel daaruit voortvloeiende behandeling, vermijden digitale omgevingen seksueel kinder- en dierenmisbruik, een contact- en locatieverbod en een verbod op werkzaamheden waarin hij in direct contact staat met dieren.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een werkstraf, zoals door de raadsvrouw bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, passend. Dat is lager dan de eis van de officier van justitie nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen. De rechtbank verbindt de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering (met uitzondering van het contact- en locatieverbod en het verbod op werken met dieren) aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van drie jaar. Verdachte heeft op de zitting zich bereid verklaard zich hieraan te houden.
Ten slotte zal de rechtbank aan verdachte ter voorkoming van strafbare feiten een contactverbod met het slachtoffer, met uitzondering van contact dat plaatsvindt met behulp en door tussenkomst van hulpverleningsinstanties, en een locatieverbod voor de duur van 5 jaar opleggen. Zij zal dit doen in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. De rechtbank acht deze maatregel gelet op het voorgaande noodzakelijk om [minderjarige] tegen verdachte te beschermen. Ook wordt hiermee voorkomen dat verdachte contact heeft, nog voordat verdachte een te volgen behandeling heeft ondergaan.
Gelet op de ernst van de feiten, de jonge leeftijd van het slachtoffer en de aard van de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte, acht de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel aangewezen. De rechtbank stelt de vervangende hechtenis op 7 dagen per overtreding met een maximum van 6 maanden.
8 De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht de immateriële schade te matigen tot € 1.000,00.
Overweging van de rechtbank
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [minderjarige] . De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen van de normschending voor [minderjarige] zo voor de hand liggen dat wordt aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 5.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 6 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9 De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal beslissen dat het in beslag genomen telefoontoestel
- met behulp waarvan feit 1 mede is begaan
wordt onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
10 De toegepaste wettelijke bepalingen
11 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte feit 1, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
-
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
-
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland in Arnhem op het adres Nieuwe Oeverstraat 65, of door telefonisch contact op te nemen met het telefoonnummer 088-804-1401;
-
gedurende de proeftijd zich laat behandelen door forensische polikliniek Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is, onder andere, gericht op seksualiteit in combinatie met het delictgedrag en voorkoming van mogelijke recidive;
-
gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van
alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Mocht op basis van de middelencontroles blijken dat verdachte zijn alcoholgebruik niet onder controle heeft en de reclassering acht een ambulante behandeling binnen de verslavingszorg geïndiceerd, dan werkt verdachte hier ook aan mee;
- gedurende de proeftijd:
1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met dieren- en/of
kinderpornografisch materiaal;
2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die verdachte in gebruik heeft. Verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan
het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende
-
een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet bevindt in de [adres] te [woonplaats] ; en
-
een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met: mevrouw [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] met uitzondering van contact dat met behulp en door tussenkomst van hulpverleningsinstanties plaatsvindt;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
De beslissing op het beslag
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het telefoontoestel;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij
-
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] als wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige] van € 5.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] als wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] als wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige] een bedrag te betalen van € 5.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 50 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.