ECLI:NL:RBGEL:2026:7764

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
ARN 26/1837
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw; waarschuwing en opname in openbaar raadpleegbaar register; voorlopige voorziening; zaak leent zich niet voor afdoening in de voorlopige voorziening procedure; belangenafweging; voorzieningenrechter bepaalt dat de toelatingsorganisatie de waarschuwing uit het openbare register dient te verwijderen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/1837

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijf] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.L.J. Leijendekker),

en

het bestuur van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw, de toelatingsorganisatie

(gemachtigde: mr. K. Yigit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de toelatingsorganisatie om verzoekster een waarschuwing op te leggen en deze waarschuwing in het register van de toelatingsorganisatie op te nemen. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van de gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster.

1.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze zaak zich niet leent voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure. Hij beantwoordt de vraag of een voorlopige voorziening getroffen moet worden aan de hand van een belangenafweging. De voorzieningenrechter ziet geen reden de aan verzoeker opgelegde waarschuwing te schorsen. Wel ziet hij aanleiding om te bepalen dat de toelatingsorganisatie de waarschuwing uit het openbare register dient te verwijderen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 2 april 2026 heeft de toelatingsorganisatie aan verzoekster een waarschuwing opgelegd en bepaald dat deze waarschuwing wordt opgenomen in het register van de toelatingsorganisatie. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.2.1. De toelatingsorganisatie heeft bij e-mail van 10 april 2026 aan de rechtbank bevestigd dat zij opname in het register van de waarschuwing aan verzoekster in ieder geval opschort tot na behandeling voorlopige voorziening.2.2. Met het besluit van 25 juni 2026 op het bezwaar van verzoekster heeft de toelatingsorganisatie de opgelegde waarschuwing gehandhaafd. Op 30 juni 2026 heeft zij de waarschuwing opgenomen in het register.2.3. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het al ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende een beroepsprocedure.1

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben van de zijde van verzoekster deelgenomen [persoon 1] , [persoon 2] en de gemachtigde van verzoekster. De toelatingsorganisatie heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde, [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het bestreden besluit

3. [verzoekster] is op 20 juni 2024 toegelaten als instrumentaanbieder binnen het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen (KB-stelsel) voor instrument BKapp, versie 3.4.

3.1.

Het KB-stelsel is geregeld in de Woningwet en nader uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het KB-stelsel heeft tot doel de bouwkwaliteit te waarborgen en het gerechtvaardigde vertrouwen te bieden dat een gerealiseerde bouwactiviteit voldoet aan de daarvoor geldende bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).2 De wetgever heeft binnen dit stelsel verschillende verantwoordelijkheden toegekend aan de kwaliteitsborger, de instrumentaanbieder en de toelatingsorganisatie. Deze verantwoordelijkheden sluiten op elkaar aan. De kwaliteitsborger voert de kwaliteitsborging uit, de instrumentaanbieder ziet toe op de juiste toepassing van het daarvoor toegelaten instrument en de toelatingsorganisatie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke verplichtingen van onder meer de instrumentaanbieder.

3.2.

De toelatingsorganisatie stelt dat uit de inspecties en het dossieronderzoek van de toelatingsorganisatie blijkt dat verzoekster stelselmatig en langdurig tekortschiet in de naleving van de Woningwet, het Bkl, het Bbl, de geldende beleidsregels en de voorschriften van het toegelaten instrument BKapp. Deze conclusie baseert de toelatingsorganisatie op een reeks inspecties in 2025, waaronder de nalevingsinspectie bij kwaliteitsborger SBK op 3 februari, de aanvullende inspectie bij eiseres op 30 juni, de reguliere nalevingsinspectie op 25 september en meerdere kwaliteitsinspecties op bouwplaatsen in het najaar en in december 2025.

3.2.1.

De bevindingen tonen volgens de toelatingsorganisatie aan dat verzoekster de toezichthoudende taken3 onvoldoende uitvoert. Het toegelaten instrument van verzoekster4 verplicht haar periodieke controles uit te voeren op de toepassing van het instrument volgens de gestelde eisen, geschillen tussen verzoekster en de kwaliteitsborger en tussen de kwaliteitsborger en zijn opdrachtgever af te handelen, klachten over de toepassing van het instrument te behandelen en fouten te corrigeren, en aan te geven wanneer een kwaliteitsborger een waarschuwing ontvangt of de toestemming om het instrument toe te passen wordt geschorst of ingetrokken indien de kwaliteitsborging niet aan de eisen voldoet.

Door het onvoldoende naleven van deze verplichtingen ontbreekt volgens de toelatingsorganisatie aantoonbaar bewijs dat BKapp effectief wordt toegepast en dat bouwwerken voldoen aan de bouwtechnische voorschriften van het Bbl. Hoewel verzoekster op 20 maart, 18 augustus en 13 december 2025 verbeterplannen heeft opgesteld, hebben de daaropvolgende acties de tekortkomingen na het verstrijken van de gestelde deadlines niet aantoonbaar en duurzaam verholpen. Dit brengt aanzienlijke risico’s mee voor de bouwkwaliteit en de betrouwbaarheid van het kwaliteitsborgstelsel, zo stelt de toelatingsorganisatie.

3.2.2.

Gelet op het stelselmatige karakter van de tekortkomingen, het uitblijven van aantoonbaar herstel en de ernst van de risico’s voor bouwkwaliteit en het stelsel acht de toelatingsorganisatie het gerechtvaardigd en noodzakelijk aan verzoekster een waarschuwing op te leggen. Deze waarschuwing heeft als doel verzoekster aan te sporen haar toezichttaak onmiddellijk op orde te brengen en te voorkomen dat de toelatingsorganisatie verdere handhavingsmaatregelen moet treffen.

Spoedeisend belang

4. Het betoog van de toelatingsorganisatie dat er geen spoedeisend belang meer is, omdat de waarschuwing inmiddels in het register is opgenomen, slaagt niet. Verzoekster wilde met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening voorkomen dat de opgelegde waarschuwing in het register zou worden gepubliceerd omdat het een stigmatiserende werking heeft. Het enkele feit dat de waarschuwing inmiddels in het register is opgenomen maakt niet dat er geen spoedeisend belang meer is. De waarschuwing kan immers na de uitspraak van de voorzieningenrechter ook weer worden verwijderd.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 7ac, tweede lid, van de Woningwet ziet de instrumentaanbieder erop toe dat de toepassing van het instrument voor kwaliteitsborging plaatsvindt overeenkomstig de in het instrument gestelde eisen aan de beoordeling en de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, en treft de instrumentaanbieder maatregelen die nodig zijn om een onjuiste toepassing van het instrument tegen te gaan.

5.1.

In artikel 7ag, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat de toelatingsorganisatie de instrumentaanbieder een waarschuwing kan geven, inhoudende dat door de toelatingsorganisatie geconstateerde tekortkomingen bij de toepassing van het instrument voor kwaliteitsborging worden onderzocht en dat aan de toelatingsorganisatie wordt gerapporteerd over de oorzaken van die tekortkomingen en de wijze waarop deze worden hersteld.

Oordeel van de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsvraag die in deze zaak speelt, of de toelatingsorganisatie aan verzoekster een waarschuwing op kon leggen en deze in het register van de toelatingsorganisatie op kon nemen, zich niet leent voor een beantwoording in deze voorlopige voorzieningenprocedure. Daarbij is van belang dat het KB-stelsel pas bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking is getreden en er nog geen rechtspraak beschikbaar is waaruit duidelijk wordt wat de verplichtingen van de instrumentaanbieder zijn en hoe ver deze verplichtingen reiken. Daarom beantwoordt de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen aan de hand van een belangenafweging.

6.1.

Bij de te maken belangenafweging weegt de voorzieningenrechter mee dat uit de overgelegde stukken, waaronder de inspectierapporten, blijkt dat er in ieder geval aanwijzingen zijn dat verzoekster onvoldoende toezicht op de kwaliteitsborger heeft gehouden. Of dat genoeg is om een waarschuwing aan verzoekster op te leggen moet in de bodemprocedure evenwel nader onderzocht worden. Omdat er wel aanwijzingen zijn dat de toelatingsorganisatie bevoegd was om een waarschuwing op te leggen, ziet de voorzieningenrechter geen reden het verzoek om voorlopige voorziening in zoverre toe te wijzen en de opgelegde waarschuwing te schorsen.

6.2.

De voorzieningenrechter stelt wel vast dat opname in een voor ieder toegankelijk openbaar register een vergaand middel is. Verzoekster stelt reputatieschade te ondervinden als gevolg van de publicatie. In de belangen van verzoekster ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat de toelatingsorganisatie de waarschuwing uit het openbaar toegankelijke register van de toelatingsorganisatie dient te verwijderen. Deze voorziening geldt tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoekster.5

6.3.

De voorzieningenrechter merkt verder op dat uit de stukken en wat op zitting is besproken, is gebleken dat bij verzoekster onduidelijkheden leven over de eisen die de toelatingsorganisatie aan haar stelt en wat de toelatingsorganisatie van haar verwacht in het kader van de uitoefening van haar taak als toezichthouder. Juist in een situatie waar een nieuw stelsel met nieuwe taken en verplichtingen in het leven wordt geroepen is het goed om met elkaar in overleg te blijven om de vereiste duidelijkheid te geven. De voorzieningenrechter roept partijen daarom met klem op met elkaar in gesprek te blijven gaan. Dit is in het belang van partijen, maar is zeker ook van belang om het doel van het KB-stelsel te kunnen blijven waarborgen.Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de toelatingsorganisatie de waarschuwing van verzoekster uit het openbaar toegankelijke register van de toelatingsorganisatie dient te verwijderen. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

7.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de toelatingsorganisatie het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907 per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;- bepaalt dat de toelatingsorganisatie de aan verzoekster opgelegde waarschuwing uit het openbaar toegankelijke register van de toelatingsorganisatie dient te verwijderen; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;- bepaalt dat de toelatingsorganisatie aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht à € 397 vergoedt;- veroordeelt de toelatingsorganisatie in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »