RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/331294-24
Datum uitspraak : 28 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] (hierna: verdachte of [verdachte]),
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] te [woonplaats].
Raadsman: mr. M.L. van Gaalen, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Arnhem, te weten de Varkensstraat, de Korenmarkt, de Munterstraat en/of de Pauwstraat, in elk geval openlijk op of aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere (onbekend gebleven) personen en/of een of meerdere goederen door- een of meerdere stenen op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een (ijzeren) staaf/buis, althans een hard voorwerp, op/tegen, althans in de richting van, verbalisanten en/of een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een fiets op/tegen, althans in de richting van, verbalisanten en/of een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen en/of verbalisanten (meermaals) te duwen,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen vast te pakken en/of bij het lichaam te grijpen,- op/tegen, althans in de richting van, het lichaam van een of meerdere (onbekend gebleven) personen te schoppen en/of te trappen,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen naar de grond te werken,- meermaals een tafel en/of stoel op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te slaan en/of te stompen,- met een riem op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te slaan,- meermaals een ton op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een klinker en/of tegel op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een parasol op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een reclamepop op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een beker (met inhoud) op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een of meerdere (onbekend gebleven) goederen op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien, en/of- meermaals op/tegen, althans richting het hoofd van, een (onbekend gebleven) persoon te schoppen en/of te trappen;
2hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Arnhem, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer](met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, te schoppen en/of te trappen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en onder 2 subsidiair tenlastegelegde en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een poging zware mishandeling nu [naam] beperkt letsel had en niet naar het ziekenhuis is gegaan.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen
Op 19 mei 2024 vond in het GelreDome in Arnhem een voetbalwedstrijd tussen Vitesse en Ajax plaats. Verdachte was samen met zes anderen, te weten medeverdachte [medeverdachte 1], medeverdachte [medeverdachte 2], [naam], [naam], [naam] en [naam] (hierna aangeduid als: de minderheidsgroep)2, uitgenodigd door getuige [getuige 1] om in de skybox de wedstrijd te kijken. Getuige [getuige 1] ontving de minderheidsgroep in de hal van het Gelredome. [getuige 1] kijkt zelf al jarenlang naar de wedstrijden van Vitesse vanuit de skybox3. Het was gezellig en na de wedstrijd is aan de minderheidsgroep gevraagd of ze mee gingen de stad in om nog wat te eten en drinken4. Een paar uur na de wedstrijd was op de Korenmarkt in Arnhem sprake van een vechtpartij tussen aanhangers van Vitesse (hierna aangeduid als: de Vitessegroep) en de minderheidsgroep.5 Verdachte was betrokken bij deze vechtpartij. Hij is op de camerabeelden herkend door drie verbalisanten en verdachte herkent zichzelf ook op de stills.6
Op camerabeelden van stadstoezicht, café Bloopers en Dumpert is te zien dat de minderheidsgroep, waaronder [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en verdachte, tussen 19.20 uur en 19.25 uur aankomt bij het café Bloopers. Er zijn veel Vitesse supporters aanwezig. Dit is te zien aan de vele Vitesse shirtjes die door de bezoekers worden gedragen. Om 19.49 uur worden door [slachtoffer], horend bij de Vitessegroep, de eerste klappen uitgedeeld aan verdachte. Het gaat om twee rechtse directe vuistslagen waardoor verdachte naar de grond gaat. Vlak voordat deze eerste klappen worden gegeven verlaten [slachtoffer] en verdachte samen café Bloopers. Kort daarna slaat de vlam in de pan en raken meerdere bezoekers van het café in gevecht met de minderheidsgroep ter hoogte van de kruising van de Pauwstraat met de Munterstraat. Daaropvolgend wordt [slachtoffer] geslagen door [naam], horend bij de minderheidsgroep. [slachtoffer] haalt daarna ook uit en raakt [naam] ter hoogte van zijn borst. Daarna wordt verdachte weggeduwd en komt hij hierbij ten val tegen een rode scooter die hierdoor ook ten val komt.
Vervolgens zijn er twee verschillende gevechten aan de gang. Aan de ene kant is te zien dat [medeverdachte 1] twee vuistslagen uitdeelt aan vermoedelijk [slachtoffer] en [slachtoffer] bewusteloos op de grond valt. [medeverdachte 1] probeert daarna tegen het hoofd van [slachtoffer] aan te trappen, maar mist het hoofd van [slachtoffer] doordat hij uit balans raakt. Verdachte is dan opgestaan en deelt vervolgens een trap uit aan [slachtoffer] maar het is niet te zien of het hoofd van [slachtoffer] wordt geraakt, omdat er een omstander voor staat. Verdachte haalt daarna nog een keer uit met zijn linkerbeen maar mist. Daarna raakt verdachte het hoofd van [slachtoffer]. Te zien is dat het hoofd van [slachtoffer] opzij klapt door de trap.
Aan de andere kant is tegelijkertijd te zien dat drie man van de Vitessegroep ([naam], [naam] en [naam]), achter [naam] aangaan. [naam] probeert zichzelf te beschermen door achter een parasol te gaan staan. [naam] deelt een rechtse directe uit aan [naam] en ook [naam] en [naam] raken in gevecht met [naam]. [naam] deelt twee keer een stoot met rechts uit. [naam] lijkt weg te willen rennen en [naam] geeft hem een voorwaartse trap, waarna [naam] zich achter een Mexicaanse pop van restaurant [benadeelde 1] verschuilt. Ook is te zien dat [medeverdachte 2] met links uithaalt tegen een onbekend gebleven persoon, die daarna naar de grond gaat en dat hij daarna [naam], horend bij de Vitessegroep slaat en raakt in zijn hals of tegen zijn kaak. [naam] gaat door de klap onderuit en valt tegen de gevel van Chico’s Place.
Daarna is te zien dat de minderheidsgroep met hun rug naar de Varkensstraat staat. Vanuit café Bloopers verzamelen zich steeds meer mensen tegenover de minderheidsgroep. Er wordt een kort moment niet gevochten, maar wel wordt heen en weer geroepen. [naam] trekt zijn shirt uit en wordt in bedwang gehouden door [naam], onderdeel van de Vitessegroep. [naam] heeft zijn beide armen om het middel van [naam] geslagen. [naam] lijkt hier niet van gediend te zijn en duwt met beide handen [naam] van zich af. De minderheidsgroep verplaatst zich achterwaarts de Munterstraat in. Te zien is dat iemand uit de Vitessegroep bier gooit richting de minderheidsgroep. [medeverdachte 1] pakt een stuk tegel. Dan wordt er vanuit de Vitessegroep weer bier gegooid en richt een grote groep van Vitesse zich tegen de minderheidsgroep door op hen af te lopen. [naam] vanuit de Vitessegroep komt opvallend in beeld door zich zo te gedragen dat hij de hele Vitessegroep lijkt op te jutten. Hij maakt met name bewegingen met zijn armen en lijkt zich op te laden. De minderheidsgroep trekt zich nog meer terug en gaat achterwaarts tot net over de kruising Pauwstraat/Munterstraat. Iemand uit de Vitessegroep pakt een tafel van het café Bloopers en loopt richting de minderheidsgroep. Ook [naam] pakt een tafel en gooit deze naar de minderheidsgroep. Iemand krijgt de tafel in zijn nek en gaat gestrekt naar de grond. [naam] gooit een tafel terug, waarna [naam] uit de Vitessegroep de tafel opvangt en teruggooit in de minderheidsgroep.
Daarna verplaatst het gevecht zich naar de Rozemarijnsteeg en de Munterstraat. [naam] uit de minderheidsgroep gaat achterwaarts de Rozemarijnsteeg in en wordt aangevallen door meerdere personen uit de Vitessegroep. [naam] uit de Vitessegroep slaat meerdere malen met een tafel om zich heen en [naam] en nog iemand anders uit de Vitessegroep slaan met hun riem richting [naam]. [naam] haalt uit richting [naam] waarna [slachtoffer] uithaalt naar [naam]. [naam] raakt verdachte met een tafel in het gezicht, waarna verdachte uithaalt naar het hoofd van [naam]. [medeverdachte 2] pakt dan een fiets en duwt de Vitessegroep naar achteren. Over en weer worden er tafels naar elkaar gegooid. Ondertussen is [medeverdachte 1] in gevecht met [naam] in de Rozemarijnsteeg en er wordt over en weer richting de ander getrapt. Ze belanden samen op de grond en [naam] lijkt het tasje van [medeverdachte 1] kapot te trekken. [naam] wil dan opstaan en gaat op handen en knieën zitten. Dan slaat [medeverdachte 2] [naam] met een gebalde linkervuist op het achterhoofd. Direct daarna schopt hij [naam] in het gezicht. Door deze trap draait [naam] honderdtachtig graden naar links. Dan haalt [medeverdachte 2] nogmaals uit door in het gezicht van [naam] te trappen. Hierbij vliegt de schoen van [medeverdachte 2] uit. [naam] is bewusteloos en komt knock-out op zijn rug terecht. [medeverdachte 2] raapt zijn schoen op en gaat de Munterstraat in. Over en weer wordt er met tafels gegooid en vanuit de Vitessegroep wordt gegooid met een rode ton en een stuk metaal. De Vitessegroep gaat voorwaarts richting de minderheidsgroep terwijl er door hen nog een tafel wordt gegooid. [naam] loopt vooraan met een riem in zijn handen.7
De minderheidsgroep staat dan in een straat tegenover de Vitessegroep met een aantal meter ruimte tussen de groepen in. [medeverdachte 1] slaat met een tafel tegen een persoon met een geel shirt aan en verdachte en andere leden van de minderheidsgroep gooien een tafel richting de Vitessegroep. Op de beelden is ook te zien dat [getuige 1] twee keer een ton gooit richting de Vitessegroep en dat de ton personen raakt. Verder is op de beelden meermalen te zien dat er over en weer wordt vastgepakt, gegrepen, geduwd en naar de grond gewerkt.8 Daarnaast is op camerabeelden te zien dat een persoon uit de minderheidsgroep een fiets gooit in de richting van personen van de Vitessegroep.9 De minderheidsgroep verplaatst zich ondertussen via de Varkensstraat naar de Hoogstraat en de Vitessegroep blijft hen volgen en er worden ook stenen naar de minderheidsgroep gegooid. Uit de beelden opgenomen door [getuige 2] vanuit haar auto is te zien dat een grote groep Vitesse supporters achter de minderheidsgroep aangaat. Vanuit de Vitessegroep worden er dingen gegooid, waaronder een fiets.
[naam] heeft aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij dronken was en op een gegeven moment hoorde dat er buiten een opstootje was. Hij is naar buiten gelopen en heeft een aantal personen uit de minderheidsgroep naar achteren geduwd, Hij hoorde een van die personen zeggen: “Jullie nodigen ons uit en dan vallen jullie ons aan”. Toen kreeg [naam] klappen tegen zijn hoofd en voelde daardoor pijn, vervolgens werd hij vastgepakt en meegetrokken waardoor hij op zijn handen en knieën op de grond terechtkwam. Op dat moment kreeg hij een harde trap in zijn gezicht. Hij voelde dat zijn neus kraakte en hij voelde hevige pijn in zijn gezicht en zijn hoofd. Vervolgens voelde hij een harde klap tegen zijn achterhoofd aan. Hierdoor voelde hij weer hevige pijn in zijn hoofd. Daarna voelde hij wederom een harde trap, waardoor hij heel veel pijn voelde ter hoogte van zijn rechteroogkas. Ten slotte voelde hij nog een trap in zijn gezicht en vanaf dat moment weet hij niets meer. Door die laatste trap is hij buiten bewustzijn geraakt. Verdachte heeft last gehad van hevige pijn in zijn hoofd als hij zijn kiezen op elkaar bijt.10 Blijkens de geneeskundige verklaring was het zicht van [naam] prima, zijn de concentratie en het geheugen goed, maar is de balans moeizaam. Het advies van de arts is om het nog een week aan te kijken. De genezingsduur wordt geschat op zes tot twaalf weken.11
Verdachte heeft verklaard dat hij knock-out werd neergeslagen zonder reden en het daarna voor hem een grote waas was. Hij weet zich niet alles te herinneren. Het is een grote black-out geweest. Zijn lip was gescheurd en zijn tanden zaten los. Hij heeft blijvend letsel overgehouden.12
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zichzelf heeft beschermd. Hij zat in het nauw en heeft zichzelf moeten verdedigen. Hij heeft met angsten daar gestaan en moest overleven. Hij had een snee naast zijn oog, beurse plekken op zijn lichaam en zijn kleding was kapot.13
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat, eenmaal in de stad, zijn vriend meteen naar de grond werd geslagen en ze vanaf toen werden belaagd door een grote groep, hij denkt 40 tot 50 man, maar het leken er voor hem wel 100. Ze gooiden met glazen en stoelen en sloegen met riemen. Hij kreeg vrij snel een ijzeren pijp in zijn oog en kon vanaf dat moment niet meer zien met het oog. Hiervoor is hij later naar het ziekenhuis gegaan. Het was heel angstaanjagend om maar met een oog te kunnen kijken. Hij heeft alleen maar in de overlevingsstand gestaan. Ze gingen voor de gezelligheid naar de stad maar ineens sloeg de vlam in de pan en konden ze geen kant meer op. Na 30 tot 40 minuten konden ze ontkomen en vervolgens zijn ze voor een tweede keer belaagd. Uiteindelijk hebben ze zich anderhalf uur in een bos of park verstopt. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft blijvend letsel, zijn oog blijft kleiner en hij heeft een litteken.14
Getuige [getuige 3] zat in een sushitent te eten en zag opeens veel mensen naar buiten stormen bij Bloopers. Hij zag meerdere bekende gezichten (de rechtbank begrijpt: van Vitesse) en aan de andere kant zag hij een minderheid staan die niet wist wat ze moeten doen. Hij zag het ook zo van, wij willen dit niet wij willen weg. Maar zij stonden met een kleine groep van vijf tot zes man tegenover een grote groep van zeker twintig man. In de ogen van getuige koos de minderheid ervoor zichzelf te verdedigen, want weglopen en omdraaien zou een aanval in de rug zijn geweest. Uiteindelijk zijn allebei de groepen een kant uit gegaan en werd er vervolgens nog met stenen gegooid, bij de Mandelabrug werd de minderheidsgroep nog met stenen bekogeld. 15
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij zat te eten aan de Rijnkade en een man zag langslopen met bloed aan zijn gezicht en een gescheurd shirt aan. Twee minuten later zag getuige een groep van vier tot vijf personen dezelfde richting oplopen als de man. Later herkende hij de man op beelden als iemand uit de minderheidsgroep.16
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij vrienden van hem had uitgenodigd in de skybox en dat ze na de wedstrijd de stad zijn ingegaan. Ze kwamen aan in een café en werden daar aangevallen door een grote groep, zeker 40 tot 50 man. Getuige kent deze mensen, het zijn jongens van Vitesse. Hij zei tegen de jongens, laat ze met rust, het zijn vrienden van mij. Maar het was de jonge garde van Vitesse en het lukte getuige niet om ze rustig te houden. Hij voelde zich in het nauw gedreven, omdraaien en weglopen was geen optie. Het enige dat ze konden doen was de groep op afstand houden totdat de politie kwam.17
[slachtoffer] (behorende tot de Vitessegroep) heeft verklaard dat hij met anderen bij Bloopers was en zag dat er mensen binnenkwamen. [slachtoffer] kent iedereen bij Vitesse en het was voor hem duidelijk dat die mensen niet van Vitesse waren. Toen is hij naar ze toe gelopen en heeft wat gevraagd, maar hij weet niet meer wat. Hij kreeg een bijdehand antwoord terug en haalde hierop direct uit. Heel dom achteraf. Na het tonen van de stills heeft verdachte verklaard: “als ik het zo zie denk ik ook echt ‘waar ben je mee bezig’. En dan bedoel ik echt mijn eigen actie. Wat dacht ik op dat moment om die gozer te slaan. Ik begrijp hun reactie ook wel. Actie reactie”. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij letsel heeft opgelopen, namelijk een blauw oog, een bult op zijn achterhoofd, een hersenschudding en een kapotte lip. Hij heeft twee weken hoofdpijn gehad.18
Verbalisant [verbalisant 1], officier van dienst ten tijde van de incidenten, zag ter plaatse behoorlijk veel mensen in een geel shirtje (Vitesse dresscode van die dag). Zij zag heel wat meubilair liggen en de sfeer was opgefokt. Rond de hoek bij Bloopers, rond het Nieuwe Plein, de Luthersestraat en de Varkensstraat zag zij tientallen mannen tussen de 20 en 45 jaar die duidelijk uit waren op ongeregeldheden en vechtpartijen. Er was een grimmige sfeer. Zij zag veel shirtjes in het geel. Zij zag geen zichtbare Ajax aanhangers. Zij heeft in de 17 jaar bij de politie nooit eerder uit het niets zo’n explosie van geweld op grote schaal meegemaakt.
Tussenconclusie
Verdachte heeft blijkens de voornoemde bewijsmiddelen, te weten de verschillende beelden en de aangifte van [naam], een bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld tegen goederen en personen, door te slaan en te stompen en door [slachtoffer] te trappen.
Openlijke geweldpleging (feit 1)
De rechtbank concludeert dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarbij wijst de rechtbank er op dat bij openlijke geweldpleging in vereniging het in beginsel niet uitmaakt wie welk geweld heeft gebruikt, zodat het geweld gepleegd door de mededaders ook voor rekening van verdachte komt. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Uit het dossier en de camerabeelden blijkt niet dat door de ‘minderheidsgroep’ is gegooid met stenen, een staaf/buis, een parasol, een reclamepop en bekers of dat is geslagen met een riem. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van deze handelingen partieel vrijspreken.
Poging tot zware mishandeling (feit 2 primair)
Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen aan [slachtoffer].
De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. Op grond van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] tweemaal tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft getrapt. Door meerdere keren te trappen tegen het onbeschermde hoofd van [slachtoffer], terwijl deze bewusteloos op de grond ligt en algemeen bekend is dat het hoofd een kwetsbaar, vitaal en essentieel onderdeel is van het lichaam, wordt de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand hierdoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.
De gedragingen van verdachte zijn naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat daaruit blijkt dat hij (op zijn minst) de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard en dat zijn opzet in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest. De rechtbank acht dan ook de onder 2 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van openlijke geweldpleging tegen personen en goederen en poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, nu de onder 2 primair ten laste gelegde handelingen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer] volledig vallen onder de reikwijdte van de onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Arnhem, te weten de Varkensstraat, de Korenmarkt, de Munterstraat en/of de Pauwstraat, in elk geval openlijk op of aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere (onbekend gebleven) personen en/of een of meerdere goederen door- een of meerdere stenen op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een (ijzeren) staaf/buis, althans een hard voorwerp, op/tegen, althans in de richting van, verbalisanten en/of een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een fiets op/tegen, althans in de richting van, verbalisanten en/of een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen en/of verbalisanten (meermaals) te duwen,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen vast te pakken en/of bij het lichaam te grijpen,- op/tegen, althans in de richting van, het lichaam van een of meerdere (onbekend gebleven) personen te schoppen en/of te trappen,- een of meerdere (onbekend gebleven) personen naar de grond te werken, - meermaals een tafel en/of stoel op/tegen, althans en in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien, - op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te slaan en/of te stompen,- met een riem op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te slaan,- meermaals een ton op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een klinker en/of tegel op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een parasol op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een reclamepop op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een beker (met inhoud) op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien,- een of meerdere (onbekend gebleven) goederen op/tegen, althans in de richting van, een of meerdere (onbekend gebleven) personen te gooien, en/of- meermaals op/tegen, althans richting het hoofd van, een (onbekend gebleven) persoon te schoppen en/of te trappen;
2hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en feit 2 primair:
de eendaadse samenloop van
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen
en
poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Standpunt verdediging
De raadsman heeft primair gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en subsidiair dat verdachte een beroep doet op noodweerexces.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het incident kan worden opgedeeld in twee delen, namelijk het deel rond café Bloopers en het deel daarna, en dat ten aanzien van het eerste deel geen sprake was van een noodweersituatie en dat ten aanzien van het tweede deel sprake was van een noodweersituatie.
Beoordeling door de rechtbank
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag voorts de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan.
Nu er verschillende geweldshandelingen door verdachte zijn verricht, te weten de handelingen ten aanzien van de openlijk geweldpleging en de handelingen ten aanzien van het schoppen en trappen tegen het hoofd van [slachtoffer], en de rechtbank beide handelingen anders beoordeelt, zal de rechtbank in het hiernavolgende de beide handelingen los van elkaar beoordelen.
De geweldshandelingen met betrekking tot het openlijk geweld (feit 1)
De rechtbank is van oordeel dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de zeven mannen uit de minderheidsgroep op uitnodiging van een Vitessesupporter de wedstrijd vanuit de skybox hebben bekeken. Daarna zijn ze, eveneens op uitnodiging, meegegaan naar de stad om iets te eten en drinken. De zeven mannen waren onbekend in Arnhem. Verder merkt de rechtbank op dat aan het uiterlijk en de kleding van de mannen niet zichtbaar was of zij supporter van een voetbalclub waren. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de sfeer in café Bloopers rustig oogt. Het is druk en er staan veel mannen en enkele vrouwen. Op een gegeven moment verlaat verdachte samen met [slachtoffer] café Bloopers en gaan naast het terras van het café staan. [slachtoffer] slaat een arm om verdachte heen en ze zijn met elkaar in gesprek. Na een aantal seconden haalt [slachtoffer] uit en slaat hij verdachte meerdere keren met zijn vuist, waardoor verdachte op de grond valt. Daarna schopt [slachtoffer] verdachte. In een korte tijd staan er drie personen uit de Vitessegroep rondom verdachte, die op de grond ligt en zichzelf probeert te verdedigen. De leden van de minderheidsgroep proberen daarna verdachte te helpen. Ook komen er vanaf het terras van Bloopers personen uit de Vitessegroep naar het incident en zij gaan ook deelnemen aan de vechtpartij. De vechtpartij duurt daarna voort zoals vermeld in de bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer] worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waartegen verdachte, alsmede zijn vrienden, zich mocht verdedigen. [slachtoffer] heeft verdachte uit het niets meermaals geslagen. Hij geeft verdachte twee rechtse directe vuistslagen, waarna verdachte naar de grond gaat. [slachtoffer] geeft hier tijdens zijn verhoor zelf over aan dat hij dom heeft gehandeld en dat hij de reactie van de minderheidsgroep begrijpt, actie reactie. Verder blijkt uit het dossier dat er sprake was van een onevenwichtige situatie. De minderheidsgroep bestond uit slechts zeven man en de Vitessegroep was in grote getale aanwezig. Ook blijkt dat de Vitessegroep steeds groter werd en er steeds meer Vitesse aanhangers vanuit verschillende hoeken van de binnenstad naar het incident kwamen. Van belang hierbij is dat de minderheidsgroep op meerdere momenten heeft geprobeerd uit de situatie weg te komen. Uit de beelden komt op verschillende momenten naar voren dat de minderheidsgroep zich naar achteren beweegt of achterwaartse bewegingen maakt, terwijl de Vitessegroep groter wordt en voorwaarts treedt. Zo probeert [naam] uit de minderheidsgroep al direct na het incident bij café Bloopers weg te komen, maar gaan drie man van Vitesse ([naam], [naam] en [naam]) achter hem aan. Hij verschuilt zich achter een parasol, maar [naam] haalt uit naar [naam] en hij wordt door de drie mannen aangevallen. Ook blijkt dat de minderheidsgroep zich achterwaarts verplaatst de Munterstraat in en daarna zich achterwaarts terugtrekt tot net over de kruising. Vervolgens gaan ze achterwaarts de Rozemarijnsteeg in, via de Varkensstraat naar de Hoogstraat. Dan vertrekt de minderheidsgroep naar de Oude Oeverstraat, naar de Weerdjesstraat en naar het Roermondsplein. De Vitessegroep blijft ze achtervolgen door in grote getale voorwaarts te gaan en veelvuldig te gooien met onder andere klinkers en tafels. Zelfs als de minderheidsgroep richting Rijnkade en Mandelabrug beweegt, blijft de Vitessegroep ze achtervolgen en met stenen bekogelen. Ook de getuige [getuige 3], die door de rechtbank wordt beschouwd als objectieve getuige nu hij zowel Vitesse aanhanger is als bevriend met de minderheidsgroep, heeft verklaard dat de minderheidsgroep niet heeft kunnen vluchten, immers weglopen en omdraaien zou een aanval in de rug zijn geweest.
Gelet op het feit dat de Vitessegroep uit het niets met het geweld is begonnen, dat het een zeer grote groep tegen een zeer kleine groep betrof, de minderheidsgroep veelvuldig heeft getracht weg te komen en de Vitessegroep ze bleef achtervolgen, sloeg en schopte en met spullen naar ze gooide, is de rechtbank van oordeel dat de minderheidsgroep zich hiertegen heeft mogen verdedigen.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de vechtpartij tussen [slachtoffer] en verdachte/de minderheidsgroep niet moet worden beoordeeld als een op zichzelf staande gebeurtenis, maar dat dit incident onderdeel uitmaakt van een groter geheel. De rechtbank is van oordeel dat dit grotere geheel dient te worden beoordeeld, waarbij alle feiten en omstandigheden, zoals blijkt uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen worden meegewogen. De officier van justitie heeft gesteld dat er een moment niet werd gevochten na het geweld in de omgeving van café Bloopers en dat verdachte zich toen had kunnen onttrekken. De rechtbank is van oordeel dat het incident is begonnen met de wederrechtelijke aanranding van verdachte en dat de aanranding heeft voortgeduurd, zelfs toen de minderheidsgroep al was verplaatst tot aan de Rijnkade. Dat er een moment is geweest waarin niet werd gevochten (na het geweld bij Bloopers) maakt niet dat de aanranding op dat moment is gestopt. Immers, zoals hierboven reeds overwogen bleef de Vitessegroep groeien en zich voorwaarts bewegen richting de minderheidsgroep. De minderheidsgroep blijft zich naar achteren bewegen. Er wordt vanuit de Vitessegroep meermaals met bier gegooid en [naam] vanuit de Vitessegroep lijkt de Vitessegroep op te jutten. De minderheidsgroep blijft zich terugtrekken en achterwaarts bewegen, waarna er vanuit de Vitessegroep met een tafel wordt gegooid, iemand deze tafel in zijn nek krijgt en gestrekt naar de grond gaat. De rechtbank is van oordeel dat dit geen situatie is waaraan de minderheidsgroep zich had kunnen onttrekken. De groep bestond uit slechts zeven personen die niet bekend was in de binnenstad van Arnhem en zij stond tegenover de in aantal veel grotere Vitessegroep waarvan de leden wel bekend waren in de binnenstad van Arnhem. Bovendien was op dat moment de dreiging van geweld nog steeds aanwezig. Dit blijkt mede uit het feit dat er over en weer werd geroepen en het geweld kort daarna in alle hevigheid wederom is losgebarsten, doordat door een van de personen uit de Vitessegroep een tafel werd gegooid naar de minderheidsgroep. De officier van dienst ter plaatse heeft hierover verklaard dat zij alleen veel gele shirtjes zag en er tientallen mannen rondliepen die duidelijk uit waren op vechtpartijen en ongeregeldheden. Deze grimmige sfeer bevond zich door de hele binnenstad.
Verdachte heeft zich gelet op het voorgaande niet kunnen onttrekken door bijvoorbeeld te vluchten. Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door verdachte gebruikte geweld inzake de openlijke geweldpleging voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er was sprake van een noodweersituatie waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen.
Nu het beroep op noodweer slaagt acht de rechtbank ten aanzien van dat deel van het bewezene verdachte derhalve niet strafbaar, en verdachte dient wegens het bestaan van een rechtvaardigingsgrond te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De geweldshandelingen met betrekking tot het schoppen en trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] (feit 2 primair)
Ook in deze situatie is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen. Immers, uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [slachtoffer] uit het niets de eerste klappen uitdeelt aan verdachte. Het gaat om twee rechtse directe vuistslagen op zijn hoofd waardoor verdachte naar de grond gaat. Hij is knock-out en als hij bijkomt herinnert hij zich niet veel meer. Daaropvolgend wordt [slachtoffer] geslagen door [naam], horend bij de minderheidsgroep. [slachtoffer] haalt daarna ook uit en raakt [naam] ter hoogte van zijn borst. Daarna wordt verdachte weggeduwd en komt hij hierbij ten val tegen een rode scooter die hierdoor ook ten val komt. Tegelijkertijd wordt [naam] uit de minderheidsgroep achterna gezeten door drie personen uit de Vitesse groep. Hierna is te zien dat [medeverdachte 1] twee vuistslagen uitdeelt aan vermoedelijk [slachtoffer] en [slachtoffer] bewusteloos op de grond valt. [medeverdachte 1] probeert daarna tegen het hoofd van [slachtoffer] aan te trappen, maar mist. Verdachte is dan opgestaan en deelt vervolgens een trap uit aan [slachtoffer] maar het is niet te zien of het hoofd van [slachtoffer] wordt geraakt, omdat er een omstander voor staat. Verdachte haalt daarna uit met zijn linkerbeen maar mist. Daarna raakt verdachte het hoofd van [slachtoffer]. Te zien is dat het hoofd van [slachtoffer] opzij klapt door de trap. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er sprake was van een noodweersituatie waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen, de gedragingen van de verdachte – het meermaals schoppen en trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] – als verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Hierbij betrekt de rechtbank het feit dat [slachtoffer] ten tijde van de trappen bewusteloos op de grond lag. Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.
De verdediging van de verdachte tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf was weliswaar noodzakelijk, maar niet proportioneel. Naar het oordeel van de rechtbank was aldus sprake van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging.
Noodweerexces
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, hetgeen vereist is voor een geslaagd beroep op noodweerexces. Daarvoor is nodig dat de verweten gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
-
de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was of
-
op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een ‘dergelijk onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en het navolgende is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat het trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding van verdachte en de andere leden van de minderheidsgroep. Hierbij weegt de rechtbank de gehele context van de dreigingen en het geweld mee. Verbalisant [verbalisant 1], officier van dienst die avond, heeft geverbaliseerd dat sprake was van een zeer grimmige sfeer, dat zij nog nooit eerder uit het niets zo’n explosie van geweld op grote schaal heeft meegemaakt in de zeventien jaar dat zij bij de politie werkt en dat de situatie ook zeer bedreigend was voor de politie. [getuige 1] heeft verklaard dat ze werden aangevallen door een groep van veertig à vijftig man en dat hij heeft geprobeerd zichzelf in leven te houden. Verder heeft [slachtoffer] (van de Vitessegroep), na het tonen van stills van camerabeelden, verklaard dat hij zich afvraagt waar hij zelf mee bezig was. Ook begrijpt hij de reactie van de minderheidsgroep en verklaart hij dat het anders af had kunnen lopen. Getuige [getuige 3] zag een grote groep tegenover een kleine groep van vijf, zes man staan. De kleine groep wist niet wat ze moesten doen. [getuige 3] zag dat de kleine groep dit niet wilde en weg wilde. Weglopen en omdraaien zou voor de kleine groep een aanval in de rug zijn geweest. Voorts heeft verdachte verklaard dat de omgeving op een oorlogsgebied leek. De Vitessegroep was de agressor en er kwam volgens verdachte vijandigheid uit heel veel hoeken. Door de eerste klap was hij out gegaan, had hij zijn hand gebroken was hij duizelig. Sinds dat moment is verdachte in een hogere gemoedstoestand gekomen. Hij liep dizzy rond en het is voor hem een grote black-out geweest. Daarnaast was zijn lip gescheurd, zijn tanden zaten los, hij had een scheur bij zijn oog en zijn neus was gekneusd.
De rechtbank stelt op grond van al het voorgaande vast dat verdachte door het handelen van de Vitessegroep totaal onverwacht en op gewelddadige wijze werd geconfronteerd met gevoelens van angst, paniek, verwarring, stress en pijn. Vanuit deze hevige gemoedsbeweging heeft verdachte twee keer tegen het hoofd van [slachtoffer] getrapt, terwijl [slachtoffer] op de grond lag. Dit geweld was een direct gevolg van de hevige gemoedsbeweging ontstaan door de daaraan voorafgaande en voortgaande wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte niet de tijd en de rust had om na te denken over zijn handelen en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht deze overschrijding verontschuldigbaar. Het beroep op noodweerexces slaagt dan ook. De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het meermaals trappen tegen het hoofd van [slachtoffer], zoals bewezen is verklaard onder feit 1 en feit 2 primair, omdat hem vanwege de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond het feit niet kan worden toegerekend.
Conclusie
De rechtbank acht het bewezenverklaarde gelet op het bovenstaande niet strafbaar. De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.
7 De beoordeling van de civiele vorderingen
[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met het onder 2 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.490,75 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, namelijk de posten van de e-bike, de privé-racefiets, de fiets van de [naam], de bezorgfiets en reclamepop, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard wegens het ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de schade. Ook is niet gebleken dat [naam] gemachtigd is om namens [benadeelde 1] op te treden. Daarnaast is de gevorderde schade niet onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij, gelet op artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en ook geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat brengt mee dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met het onder 2 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 150,00 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat verdachte niet aansprakelijk is voor de schade wegens een geslaagd beroep op noodweer.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de schade.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij, gelet op artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en ook geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
8 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2026.
Mr. R.M.H Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.