RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: 11999825 \ CV EXPL 25-9684
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
STICHTING VIVARE,
gevestigd in Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: Vivare,
gemachtigde: mr. B.H.H.M. Ramakers,
tegen
1 [gedaagde 1] , en2. [gedaagde 2] ,
beiden wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] c.s. en gezamenlijk [gedaagden]
gemachtigde: mr. W.P.G. Verstappen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 1 april 2026 en de daarin vermelde processtukken.
Op 3 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren [persoon 1] en [persoon 2] (wijkregisseurs) namens Vivare aanwezig. Vivare werd verder bijgestaan door haar gemachtigde. Ook [gedaagden] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verder waren enkele belangstellenden aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Met ingang van 23 juni 1998 verhuurt (de rechtsvoorgangster van) Vivare aan [gedaagden] de woning, zijnde een appartement met berging, aan het adres [adres] in [woonplaats] .
Op de huurovereenkomst is het huurreglement van 22 april 1993 van de rechtsvoorgangster van Vivare (hierna: het huurreglement) van toepassing.
Artikel 6 leden 1 en 5 van het huurreglement luiden als volgt:
“Artikel 6 Verplichtingen van huurder ten aanzien van het gebruik
1. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en uitsluitend overeenkomstig de daaraan bij huurovereenkomst gegeven bestemming gebruiken.
(…)
5. Huurder zal de gemeenschappelijke ruimten (o.a. trappehuis, lift, galerijen, tuinen)
slechts overeenkomstig hun bestemming gebruiken met inachtneming van door verhuurder gegeven aanwijzingen.
(…)”
Het gehuurde maakt deel uit van een (senioren)complex met in totaal veertien woningen en is gelegen op de derde verdieping. Op die verdieping bevinden zich drie andere (vrijwel) identieke woningen. Het complex is voorzien van een lift. Daarnaast zijn de verschillende verdiepingen ontsloten via twee trappenhuizen.
[gedaagde 2] is mindervalide en maakt al vóór aanvang van de bewoning van het gehuurde gebruik van een scootmobiel en rolstoel. Zij is meermaals aan haar nek geopereerd. Zij kan haar nek nauwelijks bewegen en een val kan fatale gevolgen hebben. Naast haar fysieke uitdagingen, kampt [gedaagde 2] met verschillende (psychische) stoornissen.
Op 1 april 2024 heeft Vivare de volgende brief naar alle bewoners van het
appartementencomplex verstuurd:
“Beste bewoner(s),
Er zijn nieuwe regels voor brandveiligheid in woongebouwen. Een belangrijk onderdeel van deze regels is dat vluchtwegen altijd vrij moeten zijn. Dit betekent dat er geen fietsen, scootmobielen (en andere vervoersmiddelen), grofvuil, meubilair en overige decoraties in de openbare ruimtes geplaatst mogen worden. Zo zijn er voor hulpdiensten én bewoners geen obstakels in geval van nood.
Vivare vindt het heel belangrijk dat huurders het pand snel kunnen verlaten
We zijn al langere tijd bezig om samen met u ervoor te zorgen dat de vluchtroutes vluchtveilig worden. Maar we moeten nu nog een stap verder gaan vanwege deze nieuwe regelgeving over brandveiligheid in woongebouwen. In deze brief leggen we uit wat u moet doen.
Zorgt u ook voor een vrije en veilige doorgang?
Om veilig te kunnen vluchten en vanwege brandgevaar moeten de gang en galerijen leeg zijn. Verwijder uw persoonlijke spullen en plaats deze in uw woning of berging. Zet ook uw scootmobiel in uw eigen woning of in uw berging.
Dank voor uw medewerking
Wij informeren u voor uw veiligheid en die van uw buren en omdat de wet dit van ons vraagt.
(…)”
Sinds deze brief heeft Vivare meermaals geconstateerd dat de scootmobiel en rolstoel van [gedaagde 2] naast de voordeur van het gehuurde in de gemeenschappelijke hal op de derde verdieping van het complex geplaatst stonden. Vivare heeft [gedaagden] daarom herhaaldelijk mondeling en schriftelijk verzocht deze zaken, in het bijzonder de scootmobiel, uit de gemeenschappelijke hal te verwijderen.
Op die verzoeken hebben [gedaagden] per handgeschreven brief en per e-mail afwijzend gereageerd.
Op 17 maart 2025 heeft drs. [klinisch psycholoog] en psychotherapeut bij wie [gedaagde 2] onder behandeling staat, de (WMO-functionaris van de) gemeente Westervoort en Vivare per brief benaderd. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:
“Beschrijvende Diagnose:
Als ‘klassieke’ oudste dochter heeft zich altijd behoorlijk verantwoordelijk gevoeld voor het welbevinden en welzijn van haar zus en broers in een ouderlijk gezien waarin het niet altijd veilig was door o.a. hun vader die zelf leed aan complexe problematiek.
Na de geboorte van haar eigen dochter en zoon kreeg ze ernstige lichamelijke klachten c.q. stoornissen (zie bijlage) boven op haar mentale gesteldheid die al geruime tijd daardoor periodiek labiel kon zijn. In 2017 werd ze door de huisarts bij ons aangemeld. Wij stelden een ernstige depressieve stoornis vast waarbij de dysforie en een negatieve levensverwachting er nadrukkelijk bij uitsprongen. Daarnaast voldeed zij aan de criteria van een posttraumatische stress-stoornis die ontstaan is uit haar vroege late puberteit. Dit alles heeft haar persoonlijkheidsopmaak sterk bezwarend beïnvloed.
Actuele situatie:
Door de dreiging dat mevrouws scootmobiel in haar nabijheid verdwijnt, is de impact op haar fysieke en mentale gesteldheid zeer groot en kan er sprake zijn van zeer ernstige risico’s. Een val kan zeer ernstige botbreuken bij mevrouw veroorzaken (nek breken) en op psychisch gebied zullen de depressieve klachten toenemen maar ook is de kans groot dat de PTTS zich weer volledig kan ontwikkelen. De suïcide-ideatie zal toenemen en tot daadwerkelijke zelfsuïcide kunnen leiden.
Mijn dringend advies als verantwoordelijke behandelaar is: gedoog de huidige inpandige parkeerplaats van haar scootmobiel.
(…)”
Bij brief van 30 april 2025 heeft (de gemachtigde van) Vivare [gedaagden] gesommeerd om de scootmobiel vóór 14 mei 2025 uit de gemeenschappelijke hal te verwijderen en verwijderd te houden. In de brief staat onder meer het volgende:
“Huurreglement en wet
Artikel 6 lid 5 huurreglement bepaalt:
Huurder zal de gemeenschappelijke ruimten (o.a. trappehuis, lift, galerijen, tuinen)
slechts overeenkomstig hun bestemming gebruiken met inachtneming van door verhuurder gegeven aanwijzingen.
U hebt in strijd met deze bepaling gehandeld.
Met ingang van 1 juli 2024 is het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna ook: Bbl, voorheen het Bouwbesluit, gewijzigd en zijn nadere eisen aan onder meer vluchtroutes in woongebouwen gesteld. Op grond van de artikelen 6.15a lid 1 Bbl en 6.23a Bbl mogen geen brandgevaarlijke objecten respectievelijk geen belemmerende objecten op een vluchtroute van een woongebouw aanwezig zijn. In dit kader acht Vivare het relevant te vermelden dat op 16 april 2025 in Arnhem een scootmobiel heeft vlamgevat, met aanzienlijke schade aan het complex tot gevolg. De betreffende scootmobiel stond overigens in een berging gestald, waardoor de hulpdiensten snel hebben kunnen interveniëren. Het is derhalve van belang dat zaken als scootmobielen in de daartoe bestemde ruimte(n) worden gestald.
U hebt ook voornoemde bepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving geschonden. Tevens, meer in het algemeen, hebt u in strijd gehandeld met goed huurderschap in de zin van de artikelen 7:213 Burgerlijk Wetboek en 6 lid 1 huurreglement.”
Op 13 mei 2025 heeft (een beleidsadviseur Sociaal Domein van) de gemeente Westervoort als volgt gereageerd op een verzoek van [gedaagden] om een uitzondering te maken op de aangescherpte brandveiligheidsregels:
“(…) Wij begrijpen dat uw scootmobiel voor u van groot belang is voor uw mobiliteit en zelfstandigheid. Toch is Vivare genoodzaakt u te verzoeken uw scootmobiel niet langer op de galerij te stallen, op basis van de nieuwe regelgeving. Vivare heeft u tot en met woensdag 14 mei 2025 de mogelijkheid gegeven uw scootmobiel op een andere plek te stallen.
We hebben het probleem met het stallen van uw scootmobiel en uw verzoek om voor u een uitzondering te maken op 12 mei 2025 besproken met de wethouders [wethouder 1] en [wethouder 2] . Vanuit de gemeente is er geen mogelijkheid om voor u een uitzondering te maken.
Wij denken graag met u mee en zien de volgende drie oplossingen om (deels) uw mobiliteit en zelfstandigheid te behouden:
1. U stalt uw scootmobiel beneden in de berging waarbij uw partner u ondersteunt om de scootmobiel in en uit de berging te krijgen.
2. U stalt uw scootmobiel in een ‘scootersafe’ buiten het wooncomplex.
3. Uw scootmobiel wordt vervangen door een elektrische rolstroel (Elro). Deze kan in uw woning worden gestald. Een Elro is comfortabeler, maar heeft een lagere snelheid en iets minder bereik dan uw scootmobiel.
(…) Zonder uw medewerking kunnen wij oplossingsmogelijkheden twee en drie niet realiseren. Graag ontvangen wij uw reactie op de voorgestelde oplossing voor 31 mei 2025.
(…)”
Aangezien [gedaagden] geen gehoor hadden gegeven aan de sommatie van 30 april 2025, heeft de gemachtigde van Vivare op 21 augustus 2025 aan [gedaagden] schriftelijk aangekondigd dat aan hen een dagvaarding zal worden betekend.
De volgende dag heeft tussen [gedaagde 1] en Vivare telefonisch contact plaatsgevonden. [gedaagde 1] liet (onder meer) weten dat [gedaagde 2] niet tot verwijdering van de zaken (scootmobiel en rolstoel) zal overgaan, omdat de door Vivare geboden alternatieven voor [gedaagde 2] vanwege haar fysieke beperkingen niet werkbaar waren.
3 Het geschil
Vivare vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [gedaagden] zal verbieden om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de in de gemeenschappelijke ruimten van het complex nog zaken, meer in het bijzonder een of meer (elektrische) voertuigen, te doen of te laten stallen/plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per (gedeeltelijke) dag dat [gedaagden] handelen in strijd met dit verbod, met een maximum van € 10.000,00,
II. als [gedaagden] niet binnen 105 dagen na betekening van dit vonnis voldaan aan het onder I vermelde verbod, Vivare zal machtigen de in de gemeenschappelijke ruimtes van het complex door [gedaagden] geplaatste/gestalde zaken te laten afvoeren, een en ander te verrichten door een daartoe gespecialiseerd bedrijf, en [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die werkzaamheden, een en ander op vertoon van een door de deurwaarder te verstrekken kostenopgave,
III. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), met wettelijke rente.
Vivare legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] in strijd handelen met artikel 6 lid 5 van het huurreglement. Ook handelen zij in strijd met artikel 7:213 BW, gelezen in combinatie met artikel 6 lid 1 van het huurreglement (goed huurderschap). Vivare wijst erop dat de scootmobiel en rolstoel van [gedaagde 2] , ondanks herhaalde aanwijzingen, verzoeken en sommaties van Vivare, niet uit de gemeenschappelijke hal zijn verwijderd. De huidige situatie is in strijd met de aangescherpte brandveiligheidsregels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: het Bbl). Vivare heeft er belang bij dat scootmobiel en rolstoel worden verwijderd, omdat zij wil voldoen aan haar zorgplicht om brandgevaar te voorkomen. Bovendien loopt zij het risico om (bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk) te worden gesanctioneerd. Vivare is als gebouweigenaar immers verplicht te voldoen aan de regels van het Bbl.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Vivare in haar vorderingen althans afwijzing daarvan en een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskostenveroordeling (inclusief nakosten) van Vivare, met wettelijke rente.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, (nader) ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter staat voor de vraag of [gedaagde 2] haar scootmobiel en rolstoel moet verwijderen uit de gemeenschappelijke hal op de derde verdieping van het appartementencomplex (of andere gemeenschappelijke ruimten). De kantonrechter zal die vraag beantwoorden aan de hand van de geldende regels en de door [gedaagden] gevoerde verweren.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving
Voor de beoordeling van dit geschil zijn de regels uit het Bbl relevant. Op 1 juli 2024 is het Bbl in werking getreden. Het Bbl bevat nadere regels uit hoofde van de Omgevingswet. Uit de met het Bbl aangescherpte brandveiligheidsregels (vastgelegd in onder meer artikel 6.15a en 6.23a) volgt dat het verboden is om in een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert brandgevaarlijke of belemmerende objecten aanwezig te hebben. Voornoemde bepalingen luiden – voor zover relevant – als volgt:
artikel 6:15a
1. In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandgevaarlijke objecten aanwezig. Onder brandgevaarlijke objecten worden in ieder geval verstaan:
a. meubilair;
b. fietsen en scootmobielen;
c. afvalstoffen en kratten; en
d. decoratie.
(…)
2. Het is eerste lid is niet van toepassing op:
a. objecten voor bewegwijzering en informatie aan de bewoners;
b. een foto, een schilderij of een andere afbeelding met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning; en
c. een deurmat met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning.
artikel 6.23a
In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die het vluchten belemmeren. Onder objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt, tenzij er ten minste een beschikbare breedte van 0,85 m overblijft.”
Voornoemde artikelen zijn opgenomen in een wijzigingsbesluit van 21 november 2023.1 Deze algemene maatregel van bestuur bevat, voor zover relevant, de volgende toelichting van de minister:
In hoofdstuk 6 (Gebruik van bouwwerken) van het Bbl zijn in afdeling 6.2 (Brandveiligheid) daarom twee artikelen toegevoegd die concrete eisen stellen aan het brandveilig gebruik van vluchtroutes in een gemeenschappelijke verkeersruimte in woongebouwen. Er wordt een (niet-limitatieve) lijst gegeven van brandgevaarlijke objecten die niet in de vluchtroute aanwezig mogen zijn:
(…)
• fietsen en scootmobielen;
(…)
Het gaat om objecten die geen onderdeel zijn van het woongebouw, maar die daarin door bewoners of eigenaar worden geplaatst. Objecten kunnen om diverse redenen brandgevaarlijk zijn. Het gaat om objecten die eenvoudig tot ontbranding worden gebracht met bijvoorbeeld een vlam van een aansteker. Maar ook om objecten die bij een eenmaal ontstane brand een bijdrage kunnen leveren aan de rookontwikkeling en branduitbreiding. Verder gaat het om objecten die zelf een ontstekingsbron kunnen zijn. Dit laatste betreft bijvoorbeeld scootmobielen waarbij de accu kan ontbranden. Het stallen van scootmobielen in vluchtroutes was overigens al niet toegestaan uitgaande van de functionele eisen en de specifieke zorgplicht. Bij nieuwbouwwoningen is de in beginsel verplichte buitenberging (artikel 4.171 van het Bbl) daarom ook mede bedoeld voor scootmobielen. Bij bestaande bouw zal voor scootmobielen ook gezocht moeten worden naar stallingsruimten anders dan in de gemeenschappelijke verkeersruimten. Eventueel kan op basis van het gelijkwaardigheidsprincipe een oplossing worden gevonden om met aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen scootmobielen alsnog in de gemeenschappelijke vluchtroute te plaatsen. Op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Bbl is voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag niet vereist. Wel kan het bevoegd gezag achteraf alsnog niet akkoord gaan met de gelijkwaardige oplossingen eventueel tot handhaving overgaan. Het ligt daarom in de rede om bij een gelijkwaardige oplossing voor het stallen van scootmobielen vooraf overleg te hebben met het bevoegd gezag. (onderstreping kantonrechter)”2
De VNG geeft aan samen met Brandweer Nederland deze wijzigingen te ondersteunen. Wel vraagt de VNG aandacht voor scootmobielen, die niet in vluchtroute mogen worden gestald. In reactie hierop wordt er allereerst op gewezen dat het stallen van scootmobielen in de vluchtroutes van woongebouwen door gemeenten en brandweer in het algemeen eerder ook niet is toegestaan op grond van de functionele eisen die golden in het Bouwbesluit 2012. Verder geldt er voor nieuwbouw al de eis dat er een buitenberging moet zijn voor fietsen en scootmobielen. Bij bestaande bouw zal bij ieder afzonderlijk woongebouw een maatwerkoplossing moeten worden gezocht als bewoners gebruik maken van een scootmobiel. Dit is primair aan de eigenaar van het woongebouw, maar er ligt ook een rol voor de gemeente. Een gemeente kan bijvoorbeeld toestaan dat scootmobielen buiten worden gestald al dan niet overkapt. Ook kan een gemeente een gelijkwaardige brandveilige oplossing toestaan voor het stallen van scootmobielen in de vluchtroute.”3
De specifieke zorgplicht in artikel 6.4 ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken wordt met artikel 6.23a concreet gemaakt voor wat betreft de gemeenschappelijke verkeersruimtes in woongebouwen waardoor een vluchtroute voert. Artikel 6.23a valt onder § 6.2.2 Veilig vluchten bij brand. Artikel 6.23a beoogt dat de gemeenschappelijke verkeersruimtes vrij worden gehouden van objecten die het vluchten kunnen belemmeren. Met de laatste zin van het artikel wordt aangegeven welke objecten in ieder geval niet in vluchtroutes geplaatst mogen worden. De gemeenschappelijke verkeersruimten in een woongebouw waardoor een vluchtroute voert moeten op grond van bestaande artikelen in het Bbl een bepaalde minimum bouwkundige vrije breedte hebben in relatie tot het vluchten bij brand. Voor bestaande bouw geldt een minimum van 0,5 meter (artikel 3.59) en voor nieuwbouw 1,2 meter (artikel 4.78). In bestaande woongebouwen is in het algemeen sprake van een vrije breedte die hoger is (rechtens verkregen niveau) dan de eisen voor bestaande bouw. Dit rechtens verkregen niveau moet in stand worden gehouden. Het nieuwe artikel 6.23a ziet niet op de bouwkundige vrije breedte, maar het op plaatsen van objecten waardoor deze vrije breedte bij gebruik wordt ingeperkt. In artikel 6.23a is het uitgangspunt gehanteerd dat de aanwezige vrije breedte in principe niet minder mag worden door deze objecten. Alleen als de bouwkundige vrije breedte meer is dan de 0,85 meter mogen er objecten zijn zolang de beschikbare breedte ten minste 0,85 meter is. Daarbij is aangesloten bij de tenminste vereiste breedte van een toegang van 0,85 m die geldt voor nieuw te bouwen gebouwen (artikel 4.78, eerste lid). Dit betekent dat men geen objecten mag plaatsen in de gemeenschappelijke gang, trap of hal, tenzij deze breder is dan 0,85 meter. (onderstreping kantonrechter)”4
De kantonrechter stelt vast dat scootmobielen in artikel 6.15a lid 1 sub b Bbl expliciet worden aangemerkt als brandgevaarlijke objecten. Die mogen zich dan ook niet bevinden in een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert. Dat dit bij bestaande bouwwerken mogelijk tot problemen kan leiden, is door de minister onderkent. Gewezen is op de mogelijkheid tot het bieden van een alternatieve oplossing op basis van het gelijkwaardigheidsprincipe. Door de minister is niet uitgewerkt hoe dat principe concreet ingevuld moet worden. Mogelijk moet gedacht worden aan oplossingen waarmee het brandgevaarlijke karakter van een scootmobiel wordt weggenomen, zoals het wegnemen van accu’s die op een brandveilige locatie bewaard moeten worden. Ook zou gedacht kunnen worden aan het parkeren van de scootmobiel in een brandveilige kast (‘scootersafe’).
Over belemmerende objecten bepaalt het Bbl in artikel 6.23a dat daaronder in ieder geval worden verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt. Concreet geldt dat een vrije ruimte van tenminste 0,85 meter beschikbaar moet zijn. Inden de gang breder is dan 0,85 meter, dan is het uit hoofde van het Bbl niet verboden objecten te plaatsen in een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert. Objecten mogen dan aanwezig zijn, zolang te allen tijde een vrije doorgang aanwezig is van 0,85 meter.
De situatie ter plekke van het appartement van [gedaagden]
Tussen partijen is niet in geschil dat voornoemde regels uit het Bbl, sinds 1 juli 2024, gelden voor het gebouw waarin het appartement van [gedaagden] is gelegen. [gedaagden] hebben niet betwist dat de gang waaraan de voordeur van hun appartement is gelegen, in het licht van het Bbl, moet worden beschouwd als een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een vluchtroute voert. Weliswaar heeft hun gemachtigde ter zitting opgemerkt dat uit de door Vivare ter zitting overgelegde plattegrond niet blijkt dat de gemeenschappelijke hal als vluchtroute wordt gebruikt, maar daaraan kan geen zelfstandige betekenis toekomen. Ook de door de gemachtigde benoemde omstandigheid dat in de gemeenschappelijke hal geen zichtbare tekens, zoals ‘groene bordjes boven de deur’, aanwezig zijn die duiden op het gebruik van de ruimte als vluchtroute, betekent niet dat de gemeenschappelijke hal niet als vluchtroute kan worden aangemerkt. Immers, uit de door Vivare overgelegde plattegrond van de verdiepingsvloer blijkt onmiskenbaar dat de twee trappenhuizen hebben te gelden als vluchtroute. Die trappenhuizen zijn enkel bereikbaar via de gang waaraan de voordeur van het appartement van [gedaagden] is gelegen. Bij de verdere beoordeling neemt de kantonrechter daarom tot uitgangspunt dat de gang voor de voordeur van [gedaagden] heeft te gelden als een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een vluchtroute voert.
Geen van partijen heeft inzicht verschaft over de breedte van de gang. Wel hebben [gedaagden] foto’s overgelegd, waaruit volgt dat als de scootmobiel geparkeerd staat in de gang, er een vrije ruimte beschikbaar is van circa 1,65 meter.
Vivare heeft toestemming verleend.
De kantonrechter acht de door [gedaagden] aangevoerde omstandigheid dat in het verleden door (de rechtsvoorgangster van) Vivare (mogelijk) toestemming aan hen is gegeven voor het stallen van zaken in de gemeenschappelijke ruimten van het complex in dit geval niet van belang. Ook al zou die toestemming zijn gegeven, dan staat het Vivare naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel vrij deze in te trekken als een onrechtmatige situatie zou ontstaan in verband met veranderende (dwingende) wet- en regelgeving. Daarvan is hier gedeeltelijk sprake, zoals zal blijken uit het navolgende.
Stalling rolstoel in gang is niet strijdig met Bbl
Over de rolstoel overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen staat vast dat de rolstoel van [gedaagde 2] niet brandgevaarlijk is. Het betreft namelijk een ‘normale’ rolstoel, niet zijnde een elektrische rolstoel. Een gewone rolstoel wordt in artikel 6.15a Bbl niet aangemerkt als brandgevaarlijk object. Dat een normale rolstoel moet worden gelijkgesteld met de wél in het Bbl genoemde categorie van ‘fietsen en scootmobielen’ is niet door Vivare aangevoerd en blijkt bovendien nergens uit.
Dan rest de vraag of de rolstoel van [gedaagde 2] moet worden aangemerkt als een belemmerend object als bedoeld in het Bbl. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. In dit geval gaat de ‘tenzij-bepaling’ uit artikel 6.23a Bbl op. Ter zitting is namelijk door [gedaagden] aangevoerd dat zeker 1,65 meter aan bouwkundige vrije breedte van de gemeenschappelijke hal overblijft als de scootmobiel daar staat geparkeerd. Door [gedaagden] is niet de vrij beschikbare ruimte gemeten tot de rolstoel, maar de kantonrechter acht het onwaarschijnlijk dat de rolstoel van [gedaagde 2] breder is, laat staan 0,8 meter (1,65 – 0,80 = 0,85) breder, dan haar scootmobiel. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat altijd ten minste 0,85 meter aan bouwkundige vrije breedte overblijft in de gemeenschappelijke hal als de rolstoel daar staat gestald, zodat deze niet als belemmerend object in de zin van artikel 6.23a Bbl moet worden aangemerkt. De rolstoel van [gedaagde 2] kan aldus in de gemeenschappelijke hal gestald worden.
Stalling scootmobiel in gang is strijdig met Bbl
Het bepaalde in artikel 6:15a lid 1 van het Bbl is duidelijk. In een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn. Een scootmobiel is als een brandgevaarlijk object aangemerkt. Waar het Bbl voorziet in een uitzonderingsclausule (de ‘tenzij-bepaling’) voor belemmerende objecten, geldt dat niet voor brandgevaarlijke objecten zoals scootmobielen. Het gegeven dat scootmobielen in artikel 6.15a lid 1 sub b Bbl expliciet worden aangemerkt als brandgevaarlijke objecten, maakt daarom dat alle overige omstandigheden, zoals de mate van afhankelijkheid van de gebruiker van de scootmobiel in zijn/haar mobiliteit, de brandgevaarlijkheid van de in de scootmobiel aanwezige accu, de resterende bouwkundige vrije breedte of het gegeven dat medebewoners geen last hebben van de aanwezigheid van de scootmobiel in de gemeenschappelijke hal, in beginsel niet ter zake doen. Het uitgangspunt is dus dat de scootmobiel van [gedaagde 2] niet in de gemeenschappelijke hal mag worden gestald.
Uit de Nota van Toelichting bij het Bbl blijkt dat is onderkend dat met de invoering van de aangescherpte brandveiligheidsregels bij bestaande woongebouwen mogelijk problemen ontstaan. Specifiek voor scootmobielgebruikers die de scootmobiel gewoonlijk in de gemeenschappelijke verkeersruimten stallen, zie de hiervoor in rov. 4.3.1 opgenomen passage uit de toelichting bij het Bbl. Een uitzondering lijkt dus (toch) mogelijk, zolang voldoende aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen worden getroffen.
Ter zitting heeft de kantonrechter uitvoerig met partijen verkend of hierin een oplossing voor deze zaak kan worden gevonden. De oplossing zou dan zijn dat de scootmobiel van [gedaagde 2] in de gemeenschappelijke hal kan blijven staan, nadat aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen worden getroffen. Zo is gesproken over het opslaan van de scootmobiel in een brandwerende ‘scootersafe’ die zou worden geplaatst op de plek in de hal waar de scootmobiel gewoonlijk staat geparkeerd. Over deze optie hebben partijen verklaard dat daarvoor onvoldoende ruimte is. Ook het gebruik van een brandwerende hoes, die om de scootmobiel heen kan worden geritst, was volgens [gedaagde 2] geen reële mogelijkheid. Zij wees hierbij op haar medische beperkingen (bukken is onmogelijk). ‘Een alternatief is er niet’, zo concludeerde [gedaagde 2] . Uit de brief van 13 mei 2025 van de gemeente Westervoort aan [gedaagden] kan verder worden afgeleid dat ook het bevoegd gezag geen ruimte ziet voor een gelijkwaardige oplossing voor het stallen van de scootmobiel in de gemeenschappelijke hal. Al het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat een uitzondering op het uitgangspunt dat de scootmobiel van [gedaagde 2] niet in de gemeenschappelijke hal mag (blijven) staan in haar geval onmogelijk is gebleken. Vivare staat, in zoverre, dan ook in haar recht om [gedaagden] aan te spreken op de stallingssituatie van de scootmobiel. Aangezien [gedaagden] de door Vivare gegeven instructies niet wil naleven, handelen zij in strijd met de algemene norm van goed huurder.
[gedaagden] hebben ter zitting bepleit dat [gedaagde 2] , gelet op haar belangen, bij hoge uitzondering zou moeten worden vrijgesteld van de aangescherpte brandveiligheidsregels (ook zonder dat aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen worden getroffen). [gedaagden] hebben in dit verband ook erop gewezen dat de andere bewoners op de derde verdieping van het complex geen last ondervinden van de scootmobiel en de rolstoel in de gemeenschappelijke hal, omdat de hal breed genoeg is. Voor zover zij zich hiermee beroepen op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid in de contractuele rechtsverhouding tussen partijen, overweegt de kantonrechter als volgt.
De belangen van [gedaagde 2] bij het mogen blijven parkeren van haar scootmobiel in de gemeenschappelijke hal zijn evident. Zij is als gevolg van medische beperkingen mindervalide en in haar mobiliteit sterk afhankelijk van de scootmobiel. Uit de overgelegde verklaring van haar behandelaar blijkt bovendien dat de verwachting is dat de depressieve en suïcidale gedachten die [gedaagde 2] ervaart, zullen toenemen als zij haar scootmobiel niet meer in de gemeenschappelijke hal mag parkeren. De kantonrechter heeft oog voor deze belangen en vindt deze zwaarwegend. Echter, zij wegen niet zo zwaar dat daaruit volgt dat van Vivare kan worden verwacht dat zij een brandonveilige situatie die in strijd is met dwingende regelgeving (het Bbl) moet laten voortduren, met alle risico’s van dien. Risico’s voor Vivare, maar ook voor haar huurders (met inbegrip van [gedaagden] ). Vivare loopt als eigenaar van het appartementencomplex bovendien het risico dat zij vanwege de brandonveilige situatie, die ook strijdig is met het Bbl, bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Verder heeft Vivare een verantwoordelijkheid naar haar huurders om brandonveilige situaties te voorkomen. De kantonrechter kent ook gewicht toe aan de omstandigheid dat er alternatieven bestaan voor het stallen van de scootmobiel, zoals het stallen van de scootmobiel in het gehuurde of in de berging. Weliswaar hebben [gedaagden] ter zitting hun bedenkingen geuit over het moeten stallen van de scootmobiel in het gehuurde (struikelgevaar en weinig ruimte), maar dat het mogelijk is hebben zij niet althans onvoldoende weersproken. En voor de mogelijkheid van het stallen van de scootmobiel in de berging heeft Vivare concrete oplossingen aangedragen. Zo heeft zij toegezegd dat zij, in overleg met de ergotherapeut van [gedaagde 2] , (technische) voorzieningen zal treffen zodat [gedaagde 2] zelfstandig in haar rolstoel, al dan niet ondersteund door haar echtgenoot [gedaagde 1] , de berging kan bereiken.
De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding om daaraan de conclusie te verbinden dat Vivare misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot verwijdering van de scootmobiel over te gaan, zoals wel door [gedaagden] is betoogd. Uit het voorgaande volgt dat Vivare een gerechtvaardigd belang heeft bij verwijdering van de scootmobiel en bovendien blijkt nergens uit dat Vivare van haar bevoegdheid gebruikmaakt met als doel om [gedaagden] te schaden.
Uit het een en ander volgt dat geen ruimte bestaat voor een uitzondering voor [gedaagde 2] . De kantonrechter zal de vorderingen van Vivare daarom toewijzen, met inachtneming van het volgende. Aangezien is geoordeeld dat de rolstoel van [gedaagde 2] in de gemeenschappelijke hal mag blijven staan, zal de kantonrechter [gedaagden] ‘enkel’ verbieden om de scootmobiel en andere brandgevaarlijke of belemmerende objecten als bedoeld in het Bpl in de gemeenschappelijke ruimten van het complex te (laten) plaatsen.
Vivare vordert dat de kantonrechter aan het verbod een dwangsom verbindt. Ter zitting heeft [gedaagde 2] stellig naar voren gebracht dat zij niet vrijwillig aan een op te leggen verbod zal voldoen en verbeurde dwangsommen niet zal gaan betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt de gevorderde dwangsom daarmee geen reële althans doeltreffende prikkel tot nakoming meer, maar draagt zij enkel een punitief karakter. Daar is een dwangsom niet voor bedoeld. De kantonrechter ziet in deze omstandigheden dan ook aanleiding de gevorderde dwangsom af te wijzen.
De vordering van Vivare onder II. zal worden toegewezen. De kantonrechter zal Vivare dus machtigen om de in de gemeenschappelijke ruimten van het complex door [gedaagden] geplaatste zaken op kosten van [gedaagden] te laten afvoeren door een daartoe gespecialiseerd bedrijf. Echter, omdat (1) Vivare haar vordering heeft ingesteld onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 105 dagen na betekening van dit vonnis aan het verbod voldoen en (2) de kantonrechter niet meer mag toewijzen dan is gevorderd, zal die machtiging pas vanaf het gevorderde moment ingaan (105 dagen na betekening van dit vonnis) en niet eerder.
De proceskosten
[gedaagden] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vivare worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
146,43 |
|
|
- griffierecht |
€ |
135,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
823,93 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden door een gespecialiseerd bedrijf als bedoeld in rov. 4.18 en de proceskostenveroordeling worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Vivare.
Vivare heeft gevorderd dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. [gedaagden] zijn het daarmee oneens. De kantonrechter betrekt in de belangafweging de belangen die zijn weergegeven in rov. 4.14 en komt hier tot hetzelfde oordeel. De belangen van [gedaagden] zijn niet van dien aard, dat daaruit volgt dat van Vivare kan worden verwacht dat zij een brandonveilige situatie die in strijd is met dwingende regelgeving moet laten voortduren, met alle risico’s van dien voor Vivare en haar (andere) huurders. Het vonnis zal dan ook uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5 De beslissing
De kantonrechter
verbiedt [gedaagden] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de in de gemeenschappelijke ruimten van het complex nog de scootmobiel van [gedaagde 2] en andere brandgevaarlijke of belemmerende objecten als bedoeld in het Bbl te (laten) plaatsen,
machtigt Vivare, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 105 dagen na betekening van dit vonnis voldoen aan het onder rov. 5.1. vermelde verbod, om de in de gemeenschappelijke ruimtes van het complex door [gedaagden] geplaatste zaken te laten afvoeren, een en ander te verrichten door een daartoe gespecialiseerd bedrijf,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden zoals bedoeld in rov. 5.2., een en ander op vertoon van een door de deurwaarder te verstrekken kostenopgave,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de één betaalt, de ander voor datzelfde bedrag bevrijd zal zijn, in de proceskosten van € 823,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de veroordelingen uit deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
61512/51588