RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2969
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026
in de zaak tussen
[coöperatie] , uit [plaats] , de coöperatie
(gemachtigden: mr. A. Bakker en mr. J. Bax),
en
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen),
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de Minister van Defensie, Defensie
(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).
Procesverloop
1. Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister de omgevingsvergunning verleend.
Tegen dit besluit heeft onder andere de coöperatie beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Toepasselijk recht
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 juni 2023. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.1
Achtergrond
3. Defensie is al langere tijd van plan om een radarstation op te richten aan de Broekgraaf in Herwijnen, op de plek waar in het verleden een civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland heeft gestaan. Defensie wil het radarstation oprichten omdat dit volgens hem noodzakelijk is voor de bescherming van het luchtruim (een dergelijke radarinstallatie kan bijvoorbeeld de aanwezigheid van drones detecteren). Het radarstation is volgens Defensie niet alleen nodig voor de veiligheid van het grondgebied van Nederland, maar ook essentieel om te kunnen voldoen aan de verplichtingen die Nederland kent als NAVO-lidstaat.
Om het radarstation mogelijk te maken is in 2017 een ontwerpbestemmingsplan opgesteld, maar de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal (tegenwoordig de gemeente West Betuwe) heeft in 2018 besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daardoor was de bouw van het nieuwe radarstation niet mogelijk. Uiteindelijk hebben de minister en staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening besloten om zelf een rijksinpassingsplan (dat is een bestemmingsplan maar dan op rijksniveau) vast te stellen. Met het rijksinpassingsplan is de bouw en het in werking hebben van het radarstation planologisch mogelijk gemaakt.
Voor het oprichten van het radarstation is daarnaast ook een omgevingsvergunning nodig. Op 23 juni 2023 heeft Defensie deze omgevingsvergunning aangevraagd bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De aanvraag heeft betrekking op het oprichten (dus zowel op het bouwen als het gebruiken) van het radarstation. De verleende omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben ieder een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. De minister heeft op 24 februari 2025 een definitief besluit genomen en de omgevingsvergunning (met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit) verleend. In de omgevingsvergunning zijn twee activiteiten vergund: de bouw van het radarstation2 en het oprichten en in werking hebben van een inrichting.3
Bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan en de omgevingsvergunning is toepassing gegeven aan de rijkscoördinatieregeling, die is opgenomen in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het juist toepassen van deze regeling heeft onder meer tot gevolg dat deze besluiten gecoördineerd door één bestuursrechter behandeld worden. Eisers hebben tegen zowel het rijksinpassingsplan als tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In de uitspraak van 12 november 2025 heeft de Afdeling, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de rijkscoördinatieregeling in dit geval niet toegepast had mogen worden, omdat de Tweede Kamer niet heeft ingestemd met het coördinatiebesluit dat daarvoor is genomen.4 Deze instemming was wel noodzakelijk om de beroepen tegen het rijksinpassingsplan en de vergunning gecoördineerd door de Afdeling te laten behandelen. De Afdeling is daarom van oordeel dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning. Om die reden heeft de Afdeling de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning doorgestuurd ter behandeling aan de rechtbank Gelderland.
Belanghebbende-relativiteit
4. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Uit de stukken blijkt dat de coöperatie geen inwoner of rechtspersoon in of uit de omgeving van Herwijnen vertegenwoordigt en in deze procedure dus voor haar eigen belangen procedeert. Blijkens de statutaire doelstelling van de coöperatie blijkt dat geen sprake is van een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang. De coöperatie is gevestigd in [plaats] , dat hemelsbreed op ongeveer 40 km van het plangebied is gelegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel de coöperatie niet rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de realisatie van het radarstation. Dat betekent dat zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.
Het vorenstaande neemt niet weg dat de coöperatie beroep kan instellen, nu zij een zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan. In haar uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling er echter al op gewezen dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, op grond van het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in voorkomende gevallen niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.
Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
Bij de beantwoording van de vraag of voor beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is dus van belang vast te stellen of de rechtsregel strekt tot de bescherming van de belangen van de appellant. Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie daarvoor ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8. Dit betekent dat als niet-belanghebbenden een zienswijze hebben ingediend het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door haar ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. De coöperatie heeft echter geen beroepsgronden over inspraak naar voren gebracht.
Voor zover door de coöperatie een beroep wordt gedaan op een procedurele norm of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur die geen betrekking heeft op inspraak, of wanneer wordt aangevoerd dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat de relativiteit wél in de weg aan vernietiging als die rechtsregel niet strekt tot bescherming van hun belangen. De beroepsgronden die de coöperatie naar voren heeft gebracht over de ondertekening van het bestreden besluit, alternatieven, veiligheidsaspecten, straling en de gezondheidsrisico’s daarvan, storingen aan elektrische apparatuur in de omgeving, geluidsnormen en beschermde diersoorten vinden niet hun basis in een of meer rechtsregels die strekken tot bescherming van de belangen van de coöperatie. Deze beroepsgronden kunnen op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.5 De rechtbank zal deze gronden daarom niet bespreken.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond.6
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.