RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/515
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026
in de zaak tussen
Zorgkode B.V. als bewindvoerder van [persoon] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het persoonsgebonden budget (pgb) van [persoon] over 2024. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb van [persoon] over 2024 van € 704,28. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nog nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Aan [persoon] is een indicatie verleend voor een zorgzwaartepakket VG03 (Wonen met begeleiding en verzorging) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Vanaf 2011 ontvangt [persoon] zorg van I Care in de vorm van zorg in natura (ZIN). Vanaf 2014 verleende I Care alleen nog zorg op grond van een pgb. Daarom heeft [persoon] in december 2013 een aanvraag gedaan voor een pgb. Dat is ook toegekend. Sindsdien ontvangt [persoon] de zorg van I Care in de vorm van een pgb. [persoon] ontvangt verder een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
[persoon] is ook onder bewind gesteld. Een eerdere aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb is door het college bij besluit van 1 augustus 2022 afgewezen, omdat eiseres met de door haar ingediende bewijsstukken niet heeft onderbouwd dat zorg in de vorm van een pgb voor [persoon] noodzakelijk is en zij niet kan kiezen voor zorg in de vorm van ZIN. Na een nieuwe aanvraag is eenzelfde besluit genomen op 14 maart 2023.
Op 12 april 2024 heeft eiseres weer een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb voor € 704,28. Bij besluit van 18 april 2024 is deze aanvraag afgewezen omdat het college de kosten niet noodzakelijk acht; [persoon] had immers kunnen kiezen voor ZIN. In bezwaar is eiseres in de gelegenheid gesteld om met bewijsstukken te onderbouwen dat ZIN voor haar niet mogelijk is. Eiseres heeft een verklaring van I Care overgelegd. Daarmee heeft zij volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat [persoon] is aangewezen op zorg door I Care in de vorm van een pgb en dat zij niet kan overstappen naar een andere zorgaanbieder die ZIN verleent. Vervolgens is het bestreden besluit genomen.
Zijn de kosten voor beheer van het pgb noodzakelijk?
4. Eiseres voert aan dat de kosten voor beheer van het pgb wel noodzakelijk zijn. [persoon] ontvangt al 14 jaar zorg van I Care. [persoon] is op jonge leeftijd uithuisgeplaatst en heeft in diverse pleeggezinnen, leefgroepen en crisisplaatsen gewoond. Op (bijna) alle plekken waar ze heeft gewoond is ze weggelopen. [persoon] heeft een ernstige hechtingsstoornis en geen vertrouwen in zorginstellingen. Hierdoor heeft ze veel moeite met het opbouwen en behouden van een vertrouwensrelatie. Bij I Care is de vertrouwensrelatie goed. [persoon] kan niet ergens anders terecht zonder haarzelf te beschadigen. Het zou medisch onverantwoord zijn voor haar om te verhuizen. Het is algemene kennis dat het een ingrijpende gebeurtenis voor haar zal zijn als haar zorg zou wijzigen. Er is voor [persoon] geen andere plek waar zij de zorg kan krijgen die zij nodig heeft. Het is eerst aan het college om te bewijzen dat ZIN voor [persoon] wel mogelijk is. Het is verder onzorgvuldig dat het college niet heeft uitgezocht waar [persoon] dan wel terecht kan. Ook is het onzorgvuldig dat het college onvoldoende heeft meegenomen dat [persoon] de zorg nodig heeft op grond van de aan haar toegekende Wlz-indicatie, dat er een door het zorgkantoor goedgekeurd pgb is toegekend en is bepaald dat eiseres de kosten daarvan bij [persoon] in rekening mag brengen. Daardoor maakt [persoon] deze noodzakelijke kosten.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie beoordelingsruimte.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).2
Niet in geschil is dat de kosten voor beheer van het pgb zich voordoen. In geschil is alleen of de kosten noodzakelijk waren.
De rechtbank stelt voorop dat het hier niet gaat om de vraag of het beheren van het pgb in het geval van [persoon] noodzakelijk was, maar om de vraag of het pgb zelf noodzakelijk was. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw als deze kosten vermijdbaar zijn, omdat betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN en daarom niet was aangewezen op een pgb.3 Daarom kan het enkele feit dat [persoon] een pgb heeft gekregen op grond van een Wlz-indicatie, dit pgb na toestemming van de kantonrechter door eiseres wordt beheerd en deze de kosten daarvan bij [persoon] in rekening mag brengen, er niet toe leiden dat het college bijzondere bijstand voor de beheerkosten had moeten verlenen. Het betoog dat het college deze omstandigheden onvoldoende heeft meegenomen slaagt dan ook niet.
Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ZIN in het geval van [persoon] niet mogelijk is. In het kader van haar aanvraag om bijzondere bijstand lag het op haar weg om onderzoek te doen naar andere oplossingsmogelijkheden dan zorg die wordt ingekocht met een pgb.4 Haar betoog dat het aan het college was om dit uit te zoeken slaagt dus niet. Dat [persoon] een hechtingsstoornis heeft, bij eerdere instellingen is weggelopen, al jarenlang zorg ontvangt van I Care en met hen een vertrouwensrelatie heeft opgebouwd is onvoldoende om aan te nemen dat zij de voor haar benodigde zorg niet ook bij een andere instelling via ZIN kan krijgen noch dat zij daarvoor zal moeten verhuizen. Ook heeft eiseres niet met stukken onderbouwd dat het overstappen naar een andere zorgverlener voor [persoon] medisch onverantwoord is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
5. Eiseres voert aan dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [persoon] wordt hard getroffen door het besluit. Ook komt zij door de betaling van het pgb-beheer qua inkomen onder de beslagvrije voet. Het college heeft onvoldoende gekeken naar de hechtingsstoornis van [persoon] , haar medische geschiedenis en haar traumatische jeugd.
De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee een beroep doet op de hardheidsclausule zoals die was opgenomen in artikel 3 van de Beleidsregel van het college houdende regels omtrent de bijzondere bijstand.5 Op grond daarvan kan het college in individuele bijzondere situaties ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregel, als toepassing van de beleidsregel tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van tegenwettelijk beleid. Dat is beleid dat in strijd is met een wettelijk voorschrift. Iemand kan immers, ondanks dat hij op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw geen bijzondere bijstand kan krijgen, dat onder omstandigheden toch krijgen op grond van artikel 3 van de Beleidsregels. Tegenwettelijk beleid wordt als een gegeven aanvaard waarbij de rechtbank toetst of het college dat beleid juist heeft toegepast.6 Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat [persoon] vanwege de kosten van het beheer in financiële problemen komt die niet op een andere wijze zijn op te lossen. Daarbij heeft het college er onweersproken op gewezen dat [persoon] bij het doen van haar aanvraag de beschikking had over een vermogen van € 8.000. Dat het college de andere door eiseres genoemde omstandigheden in het kader van een beroep op de billijkheid niet nogmaals heeft meegewogen maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is of onvoldoende gemotiveerd, omdat eiseres deze omstandigheden in het kader van een beroep op de billijkheid/de hardheidsclausule in bezwaar niet heeft genoemd. Het college is hier in het verweerschrift in beroep op ingegaan en heeft haar beleid juist toegepast door er op te wijzen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zorg in de vorm van een pgb voor [persoon] noodzakelijk was, waarmee blijft staan dat zij de vrije keus heeft (gehad) om te kiezen tussen zorg in de vorm van een pgb en ZIN. Deze vrije keus is ook de uitdrukkelijke bedoeling geweest van de wetgever. Daarmee komen ook de gevolgen van die vrije keus om te kiezen voor een pgb, voor haar rekening. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb van [persoon] over 2024 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.