RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/472131 / KG ZA 26-379
Vonnis in kort geding van 23 september 2026
in de zaak van
RECYCLING TIEL B.V.,
gevestigd te Tiel,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Recycling Tiel,
gemachtigde: mrs. W.S. van Dijk, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ,
tegen
1 MONTEA TIEL B.V.,
2. MONTEA PANOVEN I B.V.,
3. MONTEA PANOVEN II B.V.,
4. MONTEA PANOVEN III B.V.,
5. MONTEA PANOVEN IV B.V.,
6. MONTEA PANOVEN V B.V.,
7. MONTEA PANOVEN VI B.V.,
allen gevestigd te Tilburg,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: Montea Tiel c.s.,
gemachtigden: mrs. S. van der Kamp en [gemachtigde 3] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 augustus 2026 met producties 1 tot en met 38,- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van Montea c.s., met producties 1 tot en met 4,
- de akte overlegging aanvullende producties 39 tot en met 45 van Recycling Tiel,
- de akte overlegging aanvullende producties 5 en 6 van Montea c.s.
Bij mondeling vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 9 september 2026, met zaaknummer 12304249 \ VV EXPL 26-95, heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een aantal van de vorderingen in conventie en de zaak zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie verwezen naar de voorzieningenrechter van deze rechtbank.
Na het uitspreken van het verwijzingsvonnis, is de zaak op 9 september 2026 aansluitend voortgezet bij de voorzieningenrechter. Namens Recycling Tiel zijn verschenen de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] . Recycling Tiel is bijgestaan door haar gemachtigden. Aan de zijde van Montea c.s. is de heer [persoon 3] verschenen. Ook Montea c.s. is bijgestaan door haar gemachtigden.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
Dit executiegeschil richt zich tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 3 juni 2026, bekend onder zaaknummer 11180266 \ CV EXPL 24-5337 (hierna: het bestreden vonnis).1 De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de feiten die zijn opgenomen in rov. 2.3 van dit vonnis. De feiten laten zich als volgt kort samenvatten.
Recycling Tiel houdt zich bezig met het sorteren en recyclen van materialen. Montea c.s. behoren alle tot de Belgische beursgenoteerde Montea-groep. Montea-Groep is een investeerder in en ontwikkelaar van logistiek vastgoed in Nederland, België en Frankrijk. Op 6 juli 2018 verkocht De Kellen B.V., de moedervennootschap van Recycling Tiel, een omvangrijk terrein aan de Panovenweg te Tiel aan Montea Nederland B.V. Op dezelfde dag sloten Recycling Kombinatie REKO B.V. en Montea Nederland B.V. een huurovereenkomst voor dit terrein. Montea c.s. zijn nadien ten aanzien van die huurovereenkomst aangemerkt als (uiteindelijke) verhuurders en Recylcing Tiel als (uiteindelijke) huurder. In de huurovereenkomst is de verplichting voor Recycling Tiel opgenomen om het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst in bouwrijpe staat op te leveren. Na het eindigen van de huurovereenkomst is tussen partijen een geschil ontstaan over de vraag aan welke voorwaarden die ‘bouwrijpe’ oplevering moest voldoen en of Recycling Tiel het gehuurde al dan niet bouwrijp heeft opgeleverd.
Dit geschil heeft geleid tot een aantal gerechtelijke procedures, waarvan één heeft geleid tot het bestreden vonnis. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter als volgt beslist, welke beslissingen in rov. 5.9 uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard:
“De kantonrechter
in de hoofdzaak
verklaart voor recht dat Recycling Tiel aansprakelijk is voor alle schade die het gevolg is van de opleveringsgebreken zoals vastgesteld in dit vonnis;
veroordeelt Recycling Tiel om aan Montea te voldoen een bedrag van € 44.217,00 aan schadevergoeding en € 4.266.717,12 aan voorschot op de verdere schadevergoeding / voorlopig geraamde schade;
veroordeelt Recycling Tiel om aan Montea te voldoen een bedrag van
€ 2.926.429,00 gelijk aan de huurpenningen en btw over de periode 2 april 2024 tot 1 juli 2025;
veroordeelt Recycling Tiel tot vergoeding van overige schade aan Montea, voor zover deze het hiervoor onder 5.2. reeds toegewezen bedrag van totaal (€ 44.217,00 + € 4.266.717,72=) € 4.310.934,72 te boven gaat, nader op te maken bij staat;
veroordeelt Recycling Tiel in de proceskosten van € 10.320,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij net tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
(…)”
Bij verbetervonnis van 31 juli 2026 heeft de kantonrechter het vonnis van 3 juni 2026 verbeterd, met dien verstande dat het onder rov. 5.3. toegewezen bedrag van
€ 2.926.429,00 aan huurpenningen is gewijzigd in een bedrag van € 2.134.207,81.2
Recycling Tiel heeft Montea c.s. op 6 augustus 2026 gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 792.221,19 dat zij als gevolg van het verbetervonnis onverschuldigd aan Montea c.s. had betaald. Montea c.s. heeft op 12 augustus 2026 een verrekeningsverklaring uitgebracht waarbij zij zich heeft beroepen op verrekening van haar terugbetalingsverplichting met de overige opeisbare vorderingsrechten van Montea c.s. op Recycling Tiel op basis van het bestreden vonnis.
Bij dagvaarding van 1 september 2026 heeft Recycling Tiel Montea c.s. in hoger beroep gedagvaard. De appeldagvaarding zal bij het gerechtshof worden aangebracht op 13 oktober 2026.
3 Het geschil in conventie en in reconventie
Recycling Tiel vordert dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening en bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. iedere tenuitvoerlegging schorst van het vonnis ten aanzien van de in onderdeel 5.2 in samenhang met onderdeel 5.9 bepaalde verplichting van Recycling Tiel tot betaling aan Montea c.s. van het aldaar bedoelde voorschot, tot aan de einduitspraak in de appelprocedure tegen het vonnis, voor zover nodig, Montea c.s. daartoe te gebieden op straffe van verbeurte van een dwangsom van afdoende afschrikwekkende hoogte,
ii. iedere tenuitvoerlegging schorst van het vonnis, ten aanzien van de in onderdeel 5.4 in samenhang met onderdeel 5.9 bedoelde verwijzing naar een schadestaatprocedure, tot aan de einduitspraak in de appelprocedure tegen het vonnis, voor zover nodig, Montea c.s. daartoe te gebieden op straffe van verbeurte van een dwangsom van afdoende afschrikwekkende hoogte,
iii. Montea c.s., zo mogelijk hoofdelijk, onder de voorwaarde dat de beslissing in onderdeel 5.2 van het vonnis geheel wordt opgeschort, te veroordelen tot (terug)betaling aan Recycling Tiel van € 792.221,19, te vermeerderen met wettelijke rente,
subsidiair:
iv. iedere tenuitvoerlegging schorst van het vonnis ten aanzien van de in onderdeel 5.2 in samenhang met onderdeel 5.9 bepaalde verplichting van Recycling Tiel tot betaling aan Montea c.s. van een voorschot ten bedrage van € 4.266.717,72, met dien verstande dat het voor ten uitvoer vatbare deel daarvan hoogstens € 2.046.883,06 bedraagt, tot aan de einduitspraak in de appelprocedure tegen het vonnis, en, voor zover nodig, Montea c.s. daartoe te gebieden op straffe van verbeurte van een dwangsom,
v. te bepalen dat de tenuitvoerlegging door Montea c.s. van het vonnis van de kantonrechter ten aanzien van het bepaalde onderdeel 5.2 en/of 5.4 in samenhang met onderdeel 5.9 slechts tegen zekerheidstelling aan Recycling Tiel mag plaatsvinden of worden voortgezet, na verstrekking door Montea c.s. aan Recycling Tiel van een bankgarantie (te baseren op het NVB-model Beslaggarantie 1999) ter hoogte van hetzelfde bedrag als waarvoor Montea c.s. een executoriale titel heeft verkregen uit hoofde van het vonnis, te vermeerderen met een (te begroten) opslag van 30% daarover voor rente en kosten,
vi. te bepalen dat Montea c.s. zekerheid dienen te stellen aan Recycling Tiel voor de terugbetaling van het bedrag van € 792.221,19 door middel van verstrekking aan Recycling Tiel van een bankgarantie (te baseren op het NVB-model Beslaggarantie 1999) ter hoogte van voornoemd bedrag, te vermeerderen met een (te begroten) opslag van 30% daarover voor rente en kosten,
in elk geval
vii. Montea c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Recycling Tiel legt – kort samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van een drietal misslagen in het vonnis van de kantonrechter. Allereerst is sprake van een ultra-petitaoordeel doordat de kantonrechter meer heeft toegewezen dan Montea c.s. had gevorderd. Verder is het beginsel van hoor en wederhoor driemaal geschonden, althans had de kantonrechter terughoudender moeten zijn in haar oordeelsvorming. Tot slot stelt Montea c.s. dat de kantonrechter met verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure rechtsonzekerheid heeft gecreëerd. De in een executiegeschil aan te leggen belangenafweging moet daarom in het voordeel van Recycling Tiel uitvallen. Recycling Tiel is na het vonnis van 3 juni 2026 overgegaan tot betaling van € 2.926.429,00. Tot betaling van dat bedrag is Recycling Tiel veroordeeld in het vonnis van 3 juni 2026 (beslissing in rov. 5.3). Nadien is het vonnis verbeterd en is de beslissing onder 5.3 gewijzigd, in die zin dat het te betalen bedrag € 2.134.207,81 bedraagt. Recycling Tiel vordert, uit hoofde van onverschuldigde betaling, terugbetaling van het verschil (€ 792.221,19).
Montea c.s. heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Recycling Tiel, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Recycling Tiel in de proceskosten.
In voorwaardelijke reconventie vorderen Montea c.s. – samengevat – Recycling Tiel te veroordelen om aan Montea Tiel B.V. bij wijze van voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 4.266.717,72 te betalen met veroordeling van Recycling Tiel in de proceskosten. De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de beslissing in 5.2 van het vonnis van 3 juni 2026 niet ten uitvoer kan worden gelegd, omdat dit bedrag niet bij wijze van voorschot kon worden toegewezen binnen de grenzen van de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Inleiding
Dit kort geding betreft een executiegeschil. Het spoedeisend belang bij het gevorderde volgt uit de aard daarvan.
Montea c.s. beschikt op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 3 juni 2026, althans het verbeterde vonnis van 31 juli 2026, over een executoriale titel om over te gaan tot (i) incassering van de in het vonnis toegewezen vorderingen en (ii) het starten van de schadestaatprocedure. De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de tenuitvoerlegging van een tweetal beslissingen van dat vonnis moet worden geschorst totdat op het door Recycling Tiel ingestelde hoger beroep is beslist. Deze vraag zal de voorzieningenrechter beantwoorden met toepassing van de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in zijn arrest van 20 december 2019.3
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Recycling Tiel heeft gesteld dat het bestreden vonnis berust op een drietal kennelijke misslagen. Die misslagen worden hierna achtereenvolgens beoordeeld, voordat de voorzieningenrechter toekomt aan voornoemde belangenafweging.
Ultra petita beslissing
Recycling Tiel stelt allereerst dat de kantonrechter in rov. 5.2. van het bestreden vonnis een vordering heeft toegewezen die Montea c.s. niet heeft ingesteld. De kantonrechter heeft, volgens Recycling Tiel, ten onrechte een voorschotbetaling toegewezen, terwijl dit niet was gevorderd in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter volgt Recycling Tiel, voorshands oordelend, hierin niet. Daartoe is het volgende redengevend.
Hoewel vooropgesteld moet worden dat het uitgangspunt is dat een rechter op grond van artikel 23 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet meer of anders mag toewijzen dan is gevorderd, geldt tegelijkertijd ook dat de rechter de vrijheid heeft om het petitum uit te leggen in het licht van de processtukken en het verhandelde ter zitting. De rechter moet daarbij acht slaan op hoe de ingestelde vordering door partijen begrepen kon, althans moest worden.
Montea c.s. heeft in de inleidende dagvaarding, die heeft geleid tot het bestreden vonnis, de veroordeling van Recycling Tiel gevorderd tot betaling van een bedrag van € 11.900972,50 aan voorlopig geraamde schade. Daarnaast heeft zij gevorderd om Recycling Tiel te veroordelen tot vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat. Ook heeft Montea c.s. bij wijze van voorlopige voorziening, een voorschot op de schadevergoeding gevorderd voor het geval de kantonrechter niet zou toekomen aan enige vorm van begroting.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat een aantal schadeposten reeds definitief uitgekristalliseerd waren en heeft die schadeposten onder rov. 5.2. van het vonnis toegewezen. Tegelijkertijd heeft de kantonrechter geoordeeld dat een deel van de gevorderde schade nog niet definitief is vast te stellen. Wel zijn die schadeposten te begroten, althans te schatten. De kantonrechter heeft die schade, bij wijze van voorschot aan Montea c.s., toegewezen. De kantonrechter oordeelt daarover in het bestreden vonnis:
“4.141. Voor de overige posten geldt dat deze niet met facturen zijn onderbouwd, maar veelal met een offerte, inschrijfstaat, opdrachtbevestiging of e-mailbericht. Nu de definitieve hoogte van de schade daarmee niet vast staat, zullen deze vorderingen bij wijze van voorschot worden toegewezen.(…)”
Hoewel de toewijzing van de schadevergoeding bij wijze van voorschot niet als zodanig door Montea c.s. in haar petitum in de hoofdzaak was gevorderd, was dit wel in het kader van de eveneens ingestelde incidentele vordering het geval. In het licht van het gehele petitum heeft de kantonrechter kennelijk aanleiding gezien om, gebruikmakend van de haar toekomende begrotings- althans schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), reeds een deel van de schade bij voorschot toe te kennen. Op grond van dit artikel begroot de rechter in beginsel de schade in zijn vonnis voor zover dit mogelijk is, zelfs als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Eerst als deze begroting niet mogelijk is spreekt de rechter een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit (artikel 612 Rv). De keuze daartoe maakt de rechter desnoods ambtshalve.4 Het oordeel of begroting van de schade mogelijk is, is in beginsel van feitelijke aard en dus overgelaten aan de rechter.5
Van een situatie dat de kantonrechter ultra petita heeft beslist en dat daardoor sprake is van een kennelijke misslag door het bedrag van € 4.266.717,12 bij wijze van voorschot toe te kennen is, in het licht van het voorgaande, dan ook geen sprake. Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is bovendien pas sprake als het evident is dat het bestreden vonnis op een onjuistheid berust. Het moet gaan om een zodanig duidelijke fout of vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Dat is iets anders dan dat ook een andere beslissing mogelijk was geweest of dat sprake is van een motiveringsgebrek. Daarvoor leent zich bij uitstek de hoger beroepsprocedure.
Schending van het beginsel van hoor en wederhoor
Recycling Tiel stelt ten tweede dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor in het bestreden vonnis driemaal heeft geschonden. De eerste schending zou eruit bestaan dat de kantonrechter Recycling Tiel ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te laten over het, door Recycling Tiel gestelde, ultra petita oordeel. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld was van een dergelijk oordeel geen sprake. Dit klachtonderdeel over het bestreden vonnis kan daarom verder onbesproken blijven.
De tweede schending van het beginsel van hoor en wederhoor betreft volgens Recycling Tiel de gebrekkige begroting door de kantonrechter van de schadepost die ziet op de verwerken van de ecofiller op locatie (rov. 4.47. t/m 4.49. van het bestreden vonnis). Meer specifiek stelt Recycling Tiel dat de kantonrechter Recycling Tiel ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de akte van Montea c.s. van 5 november 2025, terwijl de kantonrechter een stelling van Montea c.s. uit deze akte wel heeft gebruikt bij de begroting van de betreffende schade. Het gaat concreet over de stelling dat de gevorderde schade € 750.000,00 lager uitvalt omdat een alternatieve (en goedkopere) methode zal worden gebruikt voor het verbeteren van de grond van een gedeelte van het gehuurde. Na genoemde akte van 5 november 2025 is datum voor vonnis bepaald.
Het beginsel van hoor en wederhoor, dat is geborgd in artikel 19 Rv, dient ertoe te waarborgen dat de rechter zijn beslissingen alleen baseert op feiten en omstandigheden waarover beide partijen zich hebben kunnen uitlaten. In het bijzonder volgt uit artikel 19 Rv dat de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet baseert op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Dat beginsel is, voorshands oordelend en anders dan Recycling Tiel heeft betoogd, echter niet geschonden. Daarvoor is redengevend dat de kantonrechter in het bestreden vonnis, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, gebruik heeft gemaakt van haar schattings- althans begrotingsvrijheid bij de vaststelling van de geleden schade. In het licht van het tussen partijen gevoerde debat, heeft de kantonrechter in het kader van de rechterlijke begrotingsvrijheid, de stelling van Montea c.s. kunnen gebruiken dat de, als voorschot begrote schade, € 750.000,00 lager uitvalt wegens het gebruik van een alternatieve en goedkopere methode. Niet valt in te zien op welke wijze Recycling Tiel is benadeeld doordat zij zich over die stelling niet heeft kunnen uitlaten. Dat zij is benadeeld, heeft Recycling Tiel niet onderbouwd gesteld.
De derde schending van het beginsel van hoor- en wederhoor betreft volgens Recycling Tiel de verwijzing naar de schadestaatprocedure. Volgens Recycling Tiel heeft de kantonrechter bepaalde verweren gericht op de schadeplichtigheid van Recycling Tiel reeds afgewezen, terwijl het partijdebat daarover nog niet was afgerond. Daarmee heeft de kantonrechter Recycling Tiel ernstig beperkt in haar verweermogelijkheden in de op handen zijnde schadestaatprocedure.
Deze klacht van Recycling Tiel volgt de voorzieningenrechter evenmin. Een rechter in de schadestaatprocedure is gebonden aan hetgeen in de hoofdzaak over de aansprakelijkheidsgrondslag is beslist en de uitspraak in de hoofdzaak moet daartoe worden uitgelegd aan de hand van het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.6 Het is derhalve aan de schadestaatrechter om per geschilpunt vast te stellen welke beslissingen in het bestreden vonnis bindend zijn en welke aspecten van de omvang van de schade nog ter beoordeling voorliggen. Daarbij geldt dat in dit executiegeschil geen ruimte bestaat om te motivering van de voorzieningenrechter inhoudelijk te beoordelen. Dat de kantonrechter bepaalde verweren gericht op de schadeplichtigheid van Recycling Tiel reeds heeft afgewezen, behelst een dergelijk inhoudelijk oordeel waarvoor dit executiegeschil zich niet leent.
Er is rechtsonzekerheid gecreëerd
Recycling Tiel heeft tot slot gesteld dat de tenuitvoerlegging van het vonnis gedeeltelijk moet worden geschorst omdat het vonnis rechtsonzekerheid heeft gecreëerd met de verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ook voor deze klacht geldt echter dat het de kantonrechter vrijstond om de begroting van de schade als gevolg van de aansprakelijkheidsstelling, uitvoerbaar bij voorraad, te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De wetgever heeft deze mogelijkheid immers niet enkel voorbehouden tot procedures waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat. Daarbij geldt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis in een hoofdzaak tot verwijzing naar de schadestaatprocedure slechts tot doel heeft om te bewerkstelligen dat de eiser, in dit geval Montea c.s., de schadestaatprocedure kan beginnen en voortzetten, ondanks de omstandigheid dat tegen het vonnis in de hoofdprocedure hoger beroep is ingesteld. Ook al is in de hoofdprocedure de veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat uitvoerbaar bij voorraad verklaard, is het aan de rechter in de schadestaatprocedure om dan, aan de hand van de vaststelling van de voor schadevergoeding vatbare posten bij zijn veroordeling tot voldoening van de vastgestelde schade te beoordelen of en in hoeverre hij die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Ook kan de rechter in de schadestaatprocedure in de regievoering waar nodig rekening houden met de hoger beroepsprocedure. Daarbij geldt dat de tenuitvoerlegging van een niet onherroepelijk vonnis voor risico van de executant is, mocht een hogere rechter anders oordelen. Voorshands kan dit echter niet tot het oordeel leiden dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure berust op een kennelijke misslag.
Tussenconclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een kennelijke fout of misslag als gevolg waarvan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis moet worden opgeschort.
Belangenafweging
De kantonrechter heeft niet gemotiveerd waarom zij het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Dat maakt dat er plaats is voor een afweging van de belangen van partijen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging niet in het voordeel van Recycling Tiel hoeft uit te vallen. Daarvoor geldt dat, naast hetgeen hiervoor reeds is geoordeeld ten aanzien van de door Recycling Tiel gestelde misslagen in het bestreden vonnis, Recycling Tiel niet concreet gemaakt welk nadeel zij lijdt door de executie van de veroordeling, althans de aanstaande aanvang van de schadestaatprocedure, anders dan het financiële nadeel dat zij lijdt. Dit financiële nadeel is echter inherent aan de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat in dit geval in het nadeel van Recycling Tiel is uitgevallen.
Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de executie van het bestreden vonnis leidt tot onomkeerbare gevolgen aan de zijde van Recycling Tiel. Als daarvan al sprake zou zijn geweest, dan is dat enkel het gevolg van het beginsel dat Montea c.s. in beginsel bevoegd is het vonnis te executeren. Dat de schadestaatprocedure kan worden opgestart hangende een hoger beroepsprocedure is, zoals hiervoor reeds is overwogen, een uitvloeisel van de door de wetgever gemaakte keuze voor de mogelijkheid om deze procedures parallel te laten lopen. Dat is op zichzelf onvoldoende voor toewijzing van de gevorderde schorsing.
Tegenover het belang van Recycling Tiel staat het reële belang van Montea c.s. bij betaling. Niet in geschil is dat Montea c.s. aanzienlijke kosten moet maken in verband met de sanering van het terrein in kwestie als gevolg van de daar aanwezige ecofiller. Dat Montea c.s. mogelijk een aansprakelijkheidsrisico loopt in het geval de uitkomst in de hoger beroepsprocedure een andere is dan die in de procedure die heeft geleid tot het bestreden vonnis, neemt het belang van Montea c.s. om over te kunnen gaan tot executie van het bestreden vonnis niet weg.
Voor zover Recycling Tiel zich beroept op het restitutierisico, is dit risico in het bestek van deze procedure niet komen vast te staan. Montea c.s. heeft toegelicht dat zij over voldoende liquide middelen beschikt om een eventueel aan Recycling Tiel terug te betalen bedrag te voldoen. Montea c.s. heeft daar tijdens de mondelinge behandeling aan toegevoegd dat de moedervennootschap van Montea c.s. een borgstelling heeft aangeboden ter hoogte van € 200 miljoen. Daar tegenover staat dat Recycling Tiel niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ernstig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad door de executie van het vonnis. Voor een veroordeling tot zekerheidsstelling, althans verlaging van het in het bestreden vonnis toegewezen voorschot, zoals door Recycling Tiel onder IV. en V. van haar petitum is gevorderd, bestaat dan ook geen aanleiding.
Conclusie in conventie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat voor toewijzing van de door Montea c.s. zowel primair als subsidiair ingestelde vorderingen.
Ten aanzien van de vordering onder III. stelt de voorzieningenrechter vast dat de voorwaarde waaronder die vordering is ingesteld niet is vervuld. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat een eventuele schorsing van de beslissing onder rov. 5.2 van het bestreden vonnis geen afbreuk doet aan het bestaan van de betalingsverplichting waarmee Montea c.s. het door Recycling Tiel betaalde bedrag van € 792.221,19, met het uitbrengen van haar verrekeningsverklaring op 12 augustus 2026, heeft verrekend. Een grond voor toewijzing van deze vordering zou dan ook ontbreken.
De procedure in reconventie
Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, is de voorwaarde voor de ingestelde vordering in reconventie niet in vervulling gegaan. Deze vordering behoeft daarom geen beoordeling.
Proceskosten in conventie
Recycling Tiel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Montea c.s. worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
7.062,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.428,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in voorwaardelijke reconventie
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt de eis in voorwaardelijke reconventie een redelijke vorm van verdediging en dienen de kosten daarvan op die grond ten laste te komen van de in conventie in het ongelijk gestelde partij.7 Recycling Tiel moet op dit punt in reconventie beschouwd te worden als de in het ongelijk gestelde patij. Gelet op de nauwe samenhang met de procedure in conventie, worden de proceskosten in reconventie zijdens Montea c.s. begroot op nihil.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen van Recycling Tiel af,
veroordeelt Recycling Tiel in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Recycling Tiel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Recycling Tiel tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in voorwaardelijke reconventie
verstaat dat de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet is vervuld,
veroordeelt Recylcing Tiel in de proceskosten, aan de zijde van Montea c.s. tot aan deze uitspraak begroot op nihil,
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
34124 / 51588