RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/468631 / KG ZA 26-257
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING REGIONALE INSTELLING VOOR BESCHERMD WONEN ARNHEM EN VELUWE-VALLEI (RIBW ARNHEM EN VELUWE-VALLEI),
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: RIBW,
advocaten: mrs. M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof en R.H. Burm,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. Pershad.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 24 producties- de conclusie van antwoord met een productie- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, gehouden tezamen met de mondelinge behandeling van de zaak van RIBW tegen [persoon] , zaaknummer C/05/468634 / KG ZA 26-258- de pleitnota van RIBW.
2 De feiten
RIBW biedt specialistische begeleiding en woonruimte aan mensen die langere tijd psychiatrische of ernstige psychosociale problemen hebben bij het leven, werken en wonen in de maatschappij, in Arnhem onder meer aan [adres] , [adres] en in [plaats] aan het [adres] .
[gedaagde] wordt sinds 6 oktober 1997 door RIBW begeleid, aanvankelijk in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en vanaf 3 februari 2021 met een indicatie op basis van de Wet Langdurige Zorg (wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering). [gedaagde] heeft borderline. Haar psychiatrische problemen uiten zich in automutilatie, suïcidepogingen, agitatie en verbale agressie. Daarnaast lijdt [gedaagde] aan overgewicht, artrose, incontinentie en een buikaneurysma. In 2025 heeft zij een herseninfarct gehad. Voor verplaatsingen buitenshuis is [gedaagde] aangewezen op een scootmobiel.
In 2008 is [gedaagde] in een kamer in een Beschermd wonen-locatie van RIBW gaan wonen aan [adres] . [persoon] voornoemd, die ook door RIBW wordt begeleid, bewoonde daar een andere kamer. [gedaagde] en [persoon] kregen een affectieve relatie en gebruikten de kamer van de een als woonkamer en de kamer van de ander als slaapkamer. Begin augustus 2012 hebben zij over de huisdieren die zij toen hielden (5 vogels in 2 verschillende kooien, 1 vogelspin in een terrarium, 1 hond en 4 ratten in 1 kooi) het volgende met RIBW afgesproken:
- er worden geen dieren gekocht zonder overleg met de begeleiding. Dit geldt ook voor de
situatie waarin een huisdier helaas is komen te overlijden.
- jullie hebben op dit moment 4 ratten, als er 2 ratten komen te overlijden dan worden deze
niet vervangen.
- de bovenstaande afspraken zijn ook geldig in jullie nieuwe woning in [woonplaats] .
- er worden geen huisdieren aangeschaft zonder toestemming van het RIBW
- als de afspraken niet worden nagekomen kunnen jullie het recht op huisdieren verliezen en gaat het aangekochte dier direct de woning uit.
Eind 2012 zijn [gedaagde] en [persoon] gaan samenwonen in het appartement aan [adres] in [woonplaats] , dat RIBW van een woningstichting huurt. Hoewel hun affectieve relatie inmiddels is geëindigd wonen zij daar nog samen; [gedaagde] gebruikt de slaapkamer en [persoon] de woonkamer. Zij houden nu de volgende huisdieren: een hond, vogels en een slang. [gedaagde] rookt. [persoon] heeft een longcapaciteit van 30% en gebruikt zuurstof uit flessen. Ook hij heeft een scootmobiel nodig om zich buitenshuis te verplaatsen. [gedaagde] en [persoon] zijn 69 jaar oud.
Het appartement staat letterlijk vol met spullen. Vanaf december 2018 is er bij herhaling een muizenplaag geweest. Ter bevordering van het voeren van een behoorlijke huishouding heeft RIBW meerdere keren schriftelijke afspraken met [gedaagde] gemaakt, waaronder de afspraak dat de douche moest leeg zijn zodat deze kon worden gebruikt. RIBW heeft ook een opruimhulp (hoardingcoach) ingeschakeld. In januari 2024 heeft de dochter van [gedaagde] bij RIBW gemeld dat het appartement erg vies was. In een evaluatiegesprek met [gedaagde] in augustus 2024 is afgesproken dat de begeleiding wordt opgeschaald naar iedere dag, dat zal worden bezien of de huishoudelijke hulp kan worden opgeschaald en dat de huisbezoeken weer worden opgestart. In oktober 2024 hebben verschillende medewerkers van de huishoudelijke hulp verklaard dat zij vanwege de onhygiënische omstandigheden niet meer in de woning willen komen. Ook wijkverpleging en pedicure weigeren de woning binnen te gaan. [gedaagde] liet begeleiders van RIBW op een gegeven moment niet meer binnen. [gedaagde] heeft last van mieren in huis.
Op 2 juli 2025 heeft RIBW mondeling en per brief aan [gedaagde] laten weten dat zij en [persoon] zouden worden overgeplaatst naar een andere locatie.
Het Zorgplan van 14 juli 2025, waarmee [gedaagde] heeft ingestemd, vermeldt over Geestelijke gezondheid:
Ik vind het prettig om spanningen te bespreken met begeleiding. Ik heb er behoefte aan dat er elke dag iemand langskomt om een praatje te maken. Hierdoor kan ik bespreken wat er allemaal speelt.
Ik bespreek mijn spanningen met begeleiding.
Begeleiding bespreekt met mij mijn spanningen.
Begeleiding heeft telefonisch contact met mij als dit nodig is.
Op 17 september 2025 hebben de persoonlijk begeleiders van [gedaagde] en [persoon] , twee plaatsingsfunctionarissen van RIBW met [gedaagde] en haar cliëntondersteuner van MEE Plus gesproken over de huisvestingsmogelijkheden.
Bij brief van 2 december 2025 heeft RIBW het volgende aan [gedaagde] en [persoon] bericht:
RIBW AVV heeft besloten om de huur van de woning aan [adres]
te Arnhem per 1 februari 2026 op te zeggen.
De huur van de woning aan [adres] te Arnhem, wordt per
1 februari 2026 opgezegd om twee redenen. Ten eerste past de woning niet meer binnen de
beleidsuitgangspunten van het strategisch huisvestingsplan van RIBW AVV. Daarnaast is
gebleken dat de noodzakelijke ondersteuning in deze woonvorm niet langer geboden kan
worden. Wij hebben hierover de afgelopen jaren meerdere gesprekken met u gevoerd. Hierin
zijn onze zorgen besproken, waarbij het besluit tot het opzeggen van de woning pas vanaf
juni 2025 met u is besproken. U beiden weigeren al geruime tijd structureel iedere vorm van
begeleiding, waardoor ondersteuning op het gebied van zorg, hygiëne en huishouden
onmogelijk is geworden. Gezien de verslechterde gezondheid van jullie beiden en weigering
van medische opvolging, is deze woonsituatie niet langer passend en verantwoord.
Bij brief van 3 maart 2026 heeft RIBW nogmaals, maar in eenvoudiger taal, aan [gedaagde] laten weten dat en waarom zij op 17 maart 2026 moest verhuizen naar [plaats] . [gedaagde] weigert te verhuizen.
3 Het geschil
RIBW vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om de woning aan [adres] te Arnhem te ontruimen, met afgifte van de sleutels van de woning aan RIBW, om de daar aanwezige huisdieren dan elders onder te brengen en niet mee te nemen naar de door RIBW aangeboden nieuwe woonlocatie, en om dan alleen die inboedel mee te nemen die redelijkerwijs kan worden ondergebracht in deze nieuwe locatie en de rest van de inboedel op te slaan of weg te doen. Voor het geval [gedaagde] niet voldoet aan de veroordelingen ter zake van de huisdieren en de inboedel eist RIBW rechterlijke machtiging om daartoe zelf het nodige toe (laten) doen. [gedaagde] moet volgens RIBW worden veroordeeld in de proceskosten, inclusief de wettelijke rente en de nakosten.
Aan haar vorderingen legt RIBW kort gezegd ten grondslag dat de gezondheidstoestand en de bijbehorende hulpvraag van [gedaagde] noodzaken tot verhuizing en dat RIBW haar woonzorglocaties wil centraliseren en kleine woonzorglocaties, zoals de woning aan [adres] te Arnhem, wil sluiten. De gevorderde ontruiming is erop gericht dat [gedaagde] zal verhuizen naar de locatie [plaats] van RIBW.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van RIBW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van RIBW, althans tot toewijzing onder voorwaarden, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van RIBW in de kosten van deze procedure.
Volgens [gedaagde] ontbreekt een spoedeisend belang. Daarnaast is van een gewijzigde gezondheidsproblematiek geen sprake, althans heeft RIBW dat niet onderbouwd, en is geen rekening gehouden met haar wensen ten aanzien van de wijze waarop zij haar leven wenst in te richten, te weten in volledige vrijheid en met de huisdieren samenwonen met [persoon] . De organisatorische reden voor sluiting weegt hier niet tegenop. De reden voor overplaatsing c.q. ontruiming is niet afdoende (toegelicht), aldus [gedaagde] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Voorop staat dat RIBW, zoals is bepaald in art. 8.1.1. van de Wet langdurige zorg, een weloverwogen wens van [gedaagde] met betrekking tot de wijze waarop zij haar leven wenst in te richten dient te respecteren, tenzij dit in redelijkheid niet van RIBW kan worden gevergd in verband met de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden en beperkingen van [gedaagde] . Verder is van belang dat RIBW, op grond van art. 2 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, goede zorg dient te verlenen, die onder meer cliëntgericht is en is afgestemd op de reële behoefte van [gedaagde] en de rechten van [gedaagde] zorgvuldig in acht moet nemen en [gedaagde] ook overigens met respect moet behandelen.
Niet in geschil is dat RIBW aan [gedaagde] andere verblijfsruimte kan toewijzen indien de evaluatie van het zorgplan daartoe noopt en dat [gedaagde] aan een eventuele verhuizing dient mee te werken, voor zover dat redelijkerwijs van haar kan worden gevergd. Dit staat in art. 22 van de algemene voorwaarden die RIBW hanteert. [gedaagde] betwist weliswaar dat zij deze voorwaarden heeft aanvaard, maar niet dat zij aan een verhuizing moet meewerken in deze omstandigheden. Het komt er dan op aan of RIBW, in het licht van haar hiervoor benoemde wettelijke verplichtingen, in redelijkheid tot de overplaatsing heeft kunnen besluiten. In dit kort geding is het de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vraag bevestigend zal beantwoorden.
Uit de stellingen van RIBW volgt genoegzaam dat zij, anders dan [gedaagde] heeft bepleit, een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Volgens RIBW is de situatie nu onhoudbaar en gevaarlijk. [gedaagde] weigert externe hulp en is niet in staat zelf te douchen, als de douche al kan worden gebruikt. Onduidelijk is of zij de nodige medicatie gebruikt en of zij goed eet en drinkt. De combinatie van een overvol appartement met bewoners van wie de een rookt en de ander zuurstof gebruikt levert een brandgevaarlijke situatie op, ook voor derden. Omdat [gedaagde] geen begeleiding toelaat kan haar veiligheid niet in het oog worden gehouden. Bovendien wordt RIBW nu genoodzaakt de huur van het appartement aan [adres] aan te houden en de kamer in [plaats] vrij te laten, hetgeen haar maandelijks € 630,11 extra kost en belet dat zij een ander kan begeleiden, aldus RIBW. Een beslissing van de bodemrechter kan dan niet worden afgewacht.
Inhoudelijk is het volgende van belang. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat het enkele feit dat RIBW haar beleid heeft gewijzigd en kleine woonzorglocaties, zoals het appartement van [gedaagde] , wil afstoten, niet zonder meer meebrengt dat zij de wens van [gedaagde] om daar te blijven wonen niet hoeft te respecteren. In die zin is de brief van 2 juli 2025, waarin alleen dit aspect is belicht, bepaald ongelukkig, zoals RIBW ook heeft erkend. In het destijds gevoerde gesprek en zeker in de latere schriftelijke communicatie en vervolgens in deze procedure heeft RIBW daarnaast echter gewezen op zorginhoudelijke omstandigheden die grotendeels al aan de orde waren ruimschoots voordat RIBW tot overplaatsing besloot en die volgens haar nopen tot overplaatsing. Nog afgezien van de vraag of de zorgbehoefte van [gedaagde] groter is geworden, zoals [gedaagde] heeft betwist, moet worden geconstateerd dat deze omstandigheden eraan in de weg staan dat aan [gedaagde] de zorg kon worden verleend die al nodig was en waaraan zij blijkens het recente zorgplan zelf ook behoefte heeft. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Vanaf 2018 leidt het volgepakte appartement in toenemende mate tot problemen, in de eerste plaats met de hygiëne. Niet is gebleken dat [gedaagde] tussentijdse schriftelijke afspraken met RIBW over verbetering is nagekomen. Vanwege de onhygiënische omstandigheden in het appartement zijn de huishoudelijke hulp en de thuiszorg uiteindelijk hun diensten gaan weigeren. In de loop van de jaren is vervolgens de situatie ontstaan dat niet alleen praktisch geen hulp in de huishouding en basiszorg, waaronder hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen, meer kon worden verleend, maar ook dat [gedaagde] niet meer de nodige psychische begeleiding krijgt (door iemand die dagelijks langskomt om een praatje te maken). Dat [gedaagde] dit laatste sinds een paar weken weer toelaat doet er niet aan af dat deze begeleiding al uitbleef voordat de overplaatsing aan de orde was gesteld. Er moet daarom serieus rekening mee worden gehouden dat [gedaagde] de begeleiding opnieuw zal weigeren, als de vordering van RIBW zou worden afgewezen. Gelet op haar zorgindicatie en de ernstige psychiatrische problematiek waarmee zij kampt is dat bijzonder zorgelijk. Hier komt bij dat [persoon] afhankelijk is geworden van zuurstof en dat er zuurstoftanks in het appartement staan. RIBW wijst er terecht op dat dit, gelet erop dat [gedaagde] rookt en het appartement vol staat met spullen, de brandveiligheid aantast, nog afgezien van het extra risico voor de broze gezondheid van [persoon] . Dat [gedaagde] afspraken om dit gevaar te beteugelen nakomt, is niet gebleken. Er is dus een zwaarwegend belang bij de verhuizing en ontruiming.
[gedaagde] heeft kennelijk de gang van zaken zo ervaren dat RIBW alsnog, pour besoin de la cause, een zorginhoudelijke reden voor de bestuurlijk gewenste overplaatsing heeft opgevoerd. De feiten bieden hiervoor echter, zoals gezegd, onvoldoende aanknopingspunten, maar geven er integendeel juist blijk van dat RIBW zich het welzijn van [gedaagde] naar behoren aantrekt.
Niet in geschil is dat RIBW samen met [gedaagde] en een onafhankelijke cliëntondersteuner van MEE Plus serieus de alternatieven heeft bekeken, ook buiten het aanbod van RIBW, om de bestaande woonsituatie, dus in volledige vrijheid en met de huisdieren samenwonen met [persoon] , zo veel mogelijk te continueren op een verantwoorde wijze die voldoet aan de indicatie. Geconstateerd is toen dat een volledig gelijkwaardig alternatief niet voorhanden is, en dat de locatie [plaats] het meest geschikte alternatief is. [gedaagde] en [persoon] kunnen daar ieder een eigen plek krijgen. Dit is geen (kamer in een) groepswoning, zoals [gedaagde] veronderstelt. [gedaagde] en [persoon] krijgen in het complex een eigen woonruimte met eigen faciliteiten. Zij zijn daar, behalve in de nachtelijke uren, vrij om te komen en te gaan wanner zij willen en voor hen is daar de nodige gespecialiseerde begeleiding en ondersteuning bij ADL en medicatie continu beschikbaar. Hiervan wordt in dit kort geding uitgegaan.
[gedaagde] en [persoon] wonen nu al 14 jaar samen. Van een affectieve relatie is echter al lange tijd geen sprake meer. Zij gebruiken ieder een eigen kamer. Dat zal in [plaats] ook zo zijn, met dien verstande dat de ruimtes niet meer in hetzelfde appartement zijn gelegen maar in hetzelfde gebouw. Hoewel van samenwonen dan strikt genomen geen sprake meer zal zijn, is de verandering naar voorlopig oordeel niet onoverkomelijk. Daarbij speelt ook een rol dat de nieuwe woning niet ver weg is van de oude woning, zodat de woonomgeving van [gedaagde] niet al te veel verandert.
Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat RIBW in redelijkheid tot de overplaatsing heeft kunnen besluiten, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat [gedaagde] dan geen huisdieren meer zal kunnen houden. Dit zal haar vanzelfsprekend zwaar vallen. Bedacht moet echter worden dat de hond en slang zijn aangeschaft nadat zij in 2012 over het houden van huisdieren met RIBW afspraken had gemaakt. Dat RIBW voor de aanschaf toestemming heeft verleend, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gemaakt om haar daarin te volgen. Aangenomen moet dan worden dat deze dieren in strijd met de afspraken zijn aangeschaft en dat [gedaagde] er dus sowieso al rekening mee moest houden dat deze dieren de woning uit moesten en ook dat zij het recht om huisdieren te houden zou verliezen. Bovendien hebben begeleiders van RIBW op [plaats] een allergie voor de huisdieren. Van RIBW kan dan in redelijkheid niet worden gevergd om de huisdieren mee te laten gaan.
De conclusie is dat de gevorderde veroordeling tot ontruiming zal worden toegewezen, echter binnen een termijn van vier weken na de betekening van dit vonnis. Mede gelet op de huisdieren en de overdadige inboedel komt een ontruimingstermijn van 5 dagen, zoals RIBW heeft gevorderd, praktisch ondoenlijk voor. Gegeven de psychische gesteldheid van [gedaagde] en de ingrijpende gevolgen van deze beslissing voor haar, geeft de voorzieningenrechter RIBW, waarschijnlijk ten overvloede, in overweging rondom de verhuizing te zorgen voor passende extra psychische begeleiding van [gedaagde] .
De overige vorderingen van RIBW, die met de verhuizing en ontruiming samenhangen, heeft [gedaagde] niet afzonderlijk betwist. Ook deze vorderingen zullen worden toegewezen, op na te melden wijze. Het betreft vorderingen ter zake van gedwongen ontruiming, de afgifte van sleutels bij gebreke waarvan RIBW de sloten op kosten van [gedaagde] mag vervangen, het elders onderbrengen van de huisdieren met machtiging om dat zelf te doen als [gedaagde] er niet voor zorgt, een verbod om deze dieren mee te nemen naar [plaats] (in plaats van de gevorderde veroordeling om dat niet te doen) met machtiging om de dieren elders onder te brengen als ze toch worden meegenomen, en een veroordeling om alleen die inboedel mee te nemen die daar redelijkerwijs kan worden ondergebracht en de rest op te slaan of af te voeren met machtiging van RIBW om achtergebleven inboedel op kosten van [gedaagde] gedurende vier maanden elders op te slaan en daarna te laten vernietigen. Het volgende is daarbij nog van belang. De huisdieren behoren in mede-eigendom toe aan [persoon] . Tegen hem zijn heden soortgelijke vorderingen toegewezen. [gedaagde] en [persoon] zijn dan hoofdelijk gehouden de kosten die RIBW eventueel voor opvang van de dieren zal maken aan haar te vergoeden. Beslist zal daarom worden dat [gedaagde] de kosten zal vergoeden, indien en voor zover [persoon] deze kosten niet al heeft vergoed.
Voor het verbinden van voorwaarden aan toewijzing van de vorderingen, zoals [gedaagde] heeft opgeworpen, bestaat geen aanleiding. Zoals gezegd moet worden aangenomen dat er een passende alternatieve woon- en zorgvoorziening beschikbaar is. [gedaagde] komt niet op straat te staan, zoals zij zelf lijkt te veronderstellen. Zo lang zij zorg ontvangt van RIBW, heeft zij aanspraak op verblijf in een accommodatie van RIBW. Dat RIBW de zorg en begeleiding zonder onderbreking zal voortzetten, rekening zal houden met de persoonlijke omstandigheden, de verhuizing praktisch zal verzorgen en tot die tijd op het huidige adres de voorzieningen in stand zal houden, ligt in het standpunt van RIBW al besloten. Er is geen aanleiding om te betwijfelen dat dit haar ernst is.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van RIBW worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.254,02 |
Ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd als daartegen hoger beroep zou worden ingesteld. Het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op een eventueel door haar in te stellen hoger beroep is beslist, of haar belang bij zekerheidstelling, weegt niet op tegen tegen het belang van RIBW bij de uitvoerbaarheid bij voorraad of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Daartoe wordt gewezen op het hiervoor toegelichte zwaarwegende belang dat de huidige onverantwoorde situatie snel tot een einde komt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woonruimte gelegen aan [adres] te Arnhem te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, bij gebreke waarvan op haar kosten een gedwongen ontruiming zal plaatsvinden door de deurwaarder die zo nodig de sterke arm van politie en/of justitie kan inschakelen,
veroordeelt [gedaagde] om de sleutels waarmee zij toegang heeft tot de woonruimte direct na ontruiming af te geven aan RIBW door deze te deponeren in de brievenbus van het Centraal Bureau van RIBW op [adres] te Arnhem, bij gebreke waarvan RIBW op kosten van [gedaagde] de sloten van de woonruimte zal vervangen, en gelast [gedaagde] deze kosten dan vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt op eerste verzoek aan RIBW te voldoen,
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op de dag van ontruiming zorg te dragen voor het onderbrengen van de in de woonruimte aanwezige huisdieren - te weten de hond, de vogels (waaronder papegaaien) en de slang, alsmede eventuele andere dieren - bij een erkend dierenasiel, dierenpension of andere opvang dan wel bij een derde die bereid is de dieren in zijn verzorging te nemen, bij gebreke waarvan RIBW wordt gemachtigd om de huisdieren zelf bij een erkend dierenasiel of andere opvang te doen plaatsen, waartoe RIBW de nodige handelingen mag verrichten, zulks op kosten van [gedaagde] , indien en voor zover [persoon] deze kosten niet al zal hebben voldaan,
verbiedt [gedaagde] om de in de woonruimte aanwezige huisdieren - te weten de hond, de vogels (waaronder papegaaien) en de slang, alsmede eventuele andere dieren - mee te nemen naar de door RIBW aangeboden nieuwe woonlocatie, en machtigt RIBW, in het geval dat [gedaagde] dit verbod niet naleeft, om deze huisdieren zelf bij een erkend dierenasiel of andere opvang te doen plaatsen, waartoe RIBW de nodige handelingen mag verrichten, zulks op kosten van [gedaagde] , indien en voor zover [persoon] deze kosten niet al zal hebben voldaan,
veroordeelt [gedaagde] om uitsluitend die inboedel mee te nemen naar de nieuwe woonlocatie die redelijkerwijs in de nieuwe woonruimte kan worden ondergebracht, en al het overige deel van de inboedel – te weten de inboedel die gelet op de omvang en de inrichting van de nieuwe woonruimte niet aldaar kan worden geplaatst - vóór of uiterlijk op de dag van de ontruiming zelf op te slaan in een eigen door [gedaagde] gefinancierde opslag, weg te doen of te doen vernietigen, bij gebreke waarvan RIBW wordt gemachtigd om de in de woonruimte achtergebleven inboedel gedurende een termijn van vier maanden op te slaan, alsmede om de opgeslagen inboedel na het verstrijken van voornoemde termijn van vier maanden te (laten) vernietigen, voor zover [gedaagde] de betreffende inboedel niet
binnen die termijn heeft elders heeft opgeslagen, weggedaan of doen vernietigen,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.254,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
512/635