ECLI:NL:RBGEL:2026:6538

Datum uitspraak
19-08-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
K/5002/12160731
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser vordert in deze procedure onder meer om de politie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Volgens eiser heeft hij zijn rijbewijs ingeleverd op het politiebureau als gevolg van een door de rechter opgelegde rijontzegging en is de politie zijn rijbewijs vervolgens kwijtgeraakt. De vorderingen van eiser worden afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer: 11899254 \ CV EXPL 25-3007

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

[de eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [de eiser] ,

gemachtigde: mr. C.A. Spekschoor,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE POLITIE (EENHEID OOST-NEDERLAND),

te Den Haag,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de politie,

gemachtigden: mr. A.T. Bolt & mr. S.H. Velers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verwijzingsvonnis van 24 september 2025,- de conclusie van antwoord met producties,- de conclusie van repliek met producties,- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

Op 5 februari 2019 is [de eiser] bij vonnis van de politierechter onder meer veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

2.2.

Bij brieven van 26 februari 2019 en 7 maart 2019 heeft de officier van justitie – voor zover relevant – het volgende aan [de eiser] geschreven:

“Hierbij meld ik u dat de bevoegdheid is ontzegd om motorvoertuigen te besturen.

[…]

De rijontzegging gaat in op de 21e dag na uitreiking van deze brief na 00.00 uur.

[…]

Heeft u het rijbewijs nog in bezit? Dan bent u verplicht dit in te leveren. Stuur het (aangetekend) naar het Postbusadres bovenaan deze brief. Vermeld daarbij ook het nummer dat in deze brief staat bij ‘ons kenmerk’.”

2.3.

Bij brief van 14 augustus 2019 heeft de officier van justitie aan [de eiser] medegedeeld dat uit de administratie is gebleken dat [de eiser] zijn rijbewijs nog niet had ingeleverd. Uit die brief blijkt ook dat de periode waarin hij in gebreke blijft om het rijbewijs in te leveren, automatisch bij de rijontzegging wordt opgeteld.

2.4.

Op 22 augustus 2019 heeft [de eiser] zich gemeld bij het politiebureau in Zutphen. Daar werd hij te woord gestaan door verbalisant [verbalisant] . In het mutatierapport van [verbalisant] staat – voor zover relevant – het volgende:

“Melder [de eiser] geeft aan dat hij in februari 2019 zijn rijbewijs op het bureau in Zutphen heeft ingeleverd.

Melder weet niet meer bij wie hij dit heeft gedaan. Tevens heeft melder ook geen bewijs van ontvangst enz meegekregen.

(…)

Tevens in het systeem niets kunnen vinden over het inleveren van een rijbewijs.”

2.5.

Bij brief van 25 november 2019 heeft de officier van justitie bevestigd dat (de verklaring van vermissing van) het rijbewijs van [de eiser] op 8 november 2019 is ontvangen.

2.6.

Bij brief van 1 mei 2020 heeft de officier van justitie medegedeeld dat de inhouding van het rijbewijs is geëindigd.

2.7.

Op 4 juni 2020 heeft [de eiser] de politie voor het eerst verzocht zijn schade te vergoeden. De politie heeft aansprakelijkheid herhaaldelijk afgewezen, laatstelijk op 5 maart 2021.

3 Het geschil

3.1.

[de eiser] vordert, dat de rechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de politie jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd en als gevolg daarvan schadeplichtig is. Volgens [de eiser] heeft hij zijn rijbewijs op 7 maart 2019 ingeleverd bij de politie en is de politie tekortgeschoten in het op een zorgvuldige wijze verwerken van dit rijbewijs, althans is het rijbewijs door toedoen van de politie kwijtgeraakt. Daardoor heeft de rijontzegging van [de eiser] langer geduurd en heeft hij immateriële schade geleden. [de eiser] vordert daarom ook om de politie te veroordelen tot betaling van € 2.500,00 aan voorschot op immateriële schadevergoeding en € 321,00 aan buitengerechtelijke kosten. Tot slot maakt [de eiser] aanspraak op een proceskostenvergoeding.

3.2.

De politie voert gemotiveerd verweer. Zij concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen, met – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [de eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. De politie betwist onder meer dat [de eiser] zijn rijbewijs op 7 maart 2019 heeft ingeleverd op het politiebureau te Zutphen. Dit heeft volgens de politie tot gevolg dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 6:162 BW bepaalt dat hij die jegens een ander een toerekenbare onrechtmatige daad pleegt, verplicht is om de schade die de ander daardoor lijdt te vergoeden. Voor toewijzing van de vorderingen van [de eiser] is allereerst vereist dat komt vast te staan dat de politie de verweten gedragingen heeft verricht. In dit verband wordt voorop gesteld dat het aan [de eiser] is om onderbouwd te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij zijn rijbewijs heeft ingeleverd bij de politie. De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, draagt namelijk in beginsel de bewijslast van die feiten (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.2.

[de eiser] wordt niet in zijn stelling gevolgd dat in dit geval moet worden afgeweken van het wettelijke stelsel van bewijslastverdeling. Hiervoor heeft [de eiser] namelijk geen (relevante) aanknopingspunten naar voren gebracht. Het enkele feit dat [de eiser] in bewijsnood verkeert, is voor afwijking van de bewijslastverdeling in ieder geval onvoldoende. Ook de persoonlijke omstandigheden van [de eiser] , hoe vervelend deze ook voor hem zijn, zijn geen rechtsgeldige reden voor een afwijking van de bewijslastverdeling. Kortom, op [de eiser] rust de bewijslast van zijn stelling dat hij zijn rijbewijs bij de politie heeft ingeleverd.

4.3.

Volgens [de eiser] heeft hij naar aanleiding van de brief van de officier van justitie van 7 maart 2019 telefonisch contact gezocht met ‘het Openbaar Parket’. Hierbij werd hem de mogelijkheid gegeven om zijn rijbewijs aangetekend te versturen of fysiek in te leveren bij het dichtstbijzijnde politiebureau. [de eiser] is naar eigen zeggen vervolgens diezelfde dag met zijn vader naar het politiebureau in Zutphen gegaan en heeft daar zijn rijbewijs ingeleverd. Hij heeft van het inleveren geen bewijs ontvangen. Wijkagent [agent 1] kan de geschetste gang van zaken bevestigen en agent [agent 2] heeft na intern onderzoek vastgesteld dat het rijbewijs is kwijtgeraakt, aldus [de eiser] .

4.4.

De politie betwist dat [de eiser] op 7 maart 2019 op het politiebureau in Zutphen is geweest en daar zijn rijbewijs heeft ingeleverd. Over een bezoek of het inleveren van het rijbewijs is namelijk volgens de politie in de politiesystemen niets terug te vinden. De politie hanteert bij de invordering van een rijbewijs een standaardformulier dat ter bevestiging van ontvangst aan de betrokkene wordt verstrekt. Er is geen formulier van [de eiser] in de systemen van de politie aanwezig. [de eiser] kan dit formulier ook niet overleggen. Ook betwist de politie dat agenten [agent 1] en [agent 2] de door [de eiser] geschetste gang van zaken onderschrijven.

4.5.

Gelet op het voorgaande had het op de weg van [de eiser] gelegen om te onderbouwen dat hij zijn rijbewijs op 7 maart 2019 heeft ingeleverd bij de politie. Bijvoorbeeld door stukken te overleggen waaruit blijkt op welk tijdstip hij op de bewuste dag op het politiebureau is geweest en aan welke verbalisant hij zijn rijbewijs heeft overhandigd. [de eiser] stelt dat zijn vader is meegereden naar het politiebureau en ‘ervan op de hoogte was’, maar [de eiser] heeft geen (schriftelijke) getuigenverklaring overgelegd waaruit blijkt dat vader getuige is geweest van het inleveren van het rijbewijs, ook niet nadat in de conclusie van antwoord het ontbreken van zo’n verklaring is genoemd. Evenmin heeft [de eiser] stukken overgelegd die een onderbouwing zijn van zijn stelling dat agenten [agent 1] en [agent 2] bevestigen dat [de eiser] zijn rijbewijs heeft ingeleverd. Omdat [de eiser] zijn stellingen in het licht van de betwisting door de politie onvoldoende heeft onderbouwd, zal hij niet in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren. Uit het voorgaande volgt dat niet komt vast te staan dat [de eiser] zijn rijbewijs op 7 maart 2019 heeft ingeleverd bij de politie. Dat betekent niet dat het niet zo gegaan kan zijn, maar wel dat in deze procedure niet komt vast te staan dat de stellingen van [de eiser] kloppen. Het bewijsrisico ligt bij [de eiser] .

4.6.

Nu niet komt vast te staan dat [de eiser] zijn rijbewijs heeft ingeleverd bij de politie, wordt niet toegekomen aan de vragen of de politie daarmee onzorgvuldig is omgegaan, of dit onrechtmatig is en of [de eiser] daardoor schade heeft geleden. De vorderingen van [de eiser] zullen dan ook worden afgewezen.

4.7.

In het betoog van [de eiser] dat hij op basis van toevoeging procedeert, wordt geen aanleiding gezien om af te wijken van het uitgangspunt dat de verliezende partij de proceskosten moet vergoeden. [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat de politie zich door twee gemachtigden laat bijstaan leidt niet tot een hogere proceskostenvergoeding dan het geval zou zijn bij bijstand door één gemachtigde. De proceskosten van de politie worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

506,00

(2 punten × € 253,00)

- nakosten

€

126,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

632,50.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [de eiser] af,

5.2.

veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na vandaag, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald,

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

SG

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »