RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11751152 \ CV EXPL 25-4948
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS VAN HET FLATGEBOUWENCOMPLEX TE [plaatsnaam] , [x] TE [plaatsnaam],
gevestigd te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [VvE] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.O.C.A. van Schravendijk.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 6 augustus 2025 en de hierin genoemde stukken
-
de akte overlegging aanvullende producties 6 t/m 12, tevens houdende vermeerdering van eis van [VvE] .
Op 5 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [VvE] was de heer [persoon] (beheerder) aanwezig, bijgestaan door
haar gemachtigde. [gedaagde] was in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en M.A. Meuleman heeft tevens spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2 De feiten
Van 18 maart 2021 tot medio februari 2024 was [gedaagde] eigenaar van het appartementsrecht gelegen aan de Dillenburg 14 in Doorwerth (hierna: het appartement). Van rechtswege was [gedaagde] lid van [VvE] .
Appartementseigenaren betalen maandelijks een (voorschot)bedrag voor de kosten van beheer en onderhoud van het appartementencomplex. Dit maandelijkse bedrag bestaat uit twee gedeeltes, namelijk een VvE service bijdrage en een voorschot stookkosten.
Ieder jaar wordt de hoogte van dit bedrag vastgesteld door de Vergadering van Eigenaars.
Voor de jaren 2022, 2023 en (een gedeelte van) 2024 heeft [VvE] een afrekening stookkosten opgemaakt (hierna tezamen: de afrekeningen).
[VvE] sommeerde [gedaagde] herhaaldelijk tot betaling van de afrekeningen, maar [gedaagde] laat het gehele bedrag onbetaald.
3 Het geschil
[VvE] vordert (samengevat) en na vermeerdering van eis dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
-
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 10.042,51 (bestaande uit de afrekeningen van € 9.071,09, wettelijke rente van € 1,40 en buitengerechtelijke incassokosten van € 970,02), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.071,59, vanaf 10 juni 2025 (de datum van de dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,
-
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald.
[VvE] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte de afrekeningen onbetaald heeft gelaten. Verder stelt [VvE] dat het enkele feit dat een afrekening relatief hoog uitvalt of dat het gebruik in de ene ruimte hoger is dan in de andere ruimte, niet leidt tot de conclusie dat de afrekening onjuist is.
[gedaagde] erkent dat hij de afrekeningen niet heeft voldaan maar hij betwist de hoogte van de bedragen. Volgens [gedaagde] is het verbruik voor een appartement van 42m2 onbegrijpelijk hoog en is het verbruik in de slaapkamer veel hoger dan in de woonkamer. Ook twijfelt [gedaagde] aan de controle die is uitgevoerd door [bedrijf] , zij is immers ook de partij die de afrekeningen opstelt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Betaling stookkosten
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] als voormalig appartementseigenaar zijn deel van de stookkosten jaarlijks verschuldigd is. Partijen twisten slechts over de hoogte van het bedrag van de stookkosten.
[VvE] stelt dat zij, in samenwerking met [bedrijf] , de afrekeningen juist heeft opgesteld. [VvE] heeft in haar aanvullende akte en ook tijdens de mondelinge behandeling een uitgebreide toelichting gegeven over hoe de afrekeningen van [bedrijf] tot stand zijn gekomen. [gedaagde] voert aan dat de stookkosten voor het appartement van 42m2 onbegrijpelijk hoog zijn. Voor 2022 moet [gedaagde] namelijk € 3.701,22 per jaar aan stookkosten betalen en voor 2023 is dit zelfs € 7.034,72 per jaar.
De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat een afrekening hoog uitvalt, niet direct maakt dat de berekening hiervan niet juist is. Als het verbruik van [gedaagde] namelijk wordt afgezet tegen het totale verbruik van de honderd appartementen, dan blijkt dat 1,5% van het totale verbruik aan [gedaagde] wordt toegerekend in 2022. In het jaar 2023 gaat het om een iets hoger percentage van 2,2%.
[gedaagde] voert verder aan dat het verwarmingsgebruik volgens de afrekeningen in de slaapkamer vele malen hoger is dan de woonkamer en dat hierdoor het er alle schijn van heeft dat er een probleem is met de warmtemeter in de slaapkamer.
[VvE] heeft, naar aanleiding van een melding van [gedaagde] , aan [bedrijf] de opdracht gegeven om de warmtemeters in het appartement te controleren. [bedrijf] heeft daarom in januari 2023 het appartement bezocht en de aanwezige warmtemeters gecontroleerd, ook in de slaapkamer. [bedrijf] constateert bij deze controle dat geen sprake is van afwijkingen en/of defecten. Hoewel [gedaagde] de resultaten van de controle van [bedrijf] in twijfel trekt, ziet de kantonrechter hier onvoldoende aanknopingspunten voor. Dat [bedrijf] ook de afrekeningen opstelt, leidt niet direct tot de conclusie dat de controle niet juist is uitgevoerd of de resultaten foutief zouden zijn. Het is immers niet [bedrijf] maar [VvE] die de nabetalingen van de eigenaren ontvangt. In het licht van de gemotiveerde stellingen van [VvE] , oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de afrekeningen onjuist zijn. [gedaagde] komt immers niet verder dan de stelling dat de afrekeningen niet juist kunnen zijn. Van deze stelling wordt geen nadere onderbouwing of motivering overgelegd. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van de afrekeningen van € 9.071,09 toewijzen.
Wettelijke rente
[VvE] vordert wettelijke rente over haar vordering vanaf 10 juni 2025. Deze vordering zal als onbetwist worden toegewezen. Daarnaast vordert [VvE] een bedrag van € 1,40 aan wettelijke rente. [VvE] stelt onvoldoende gemotiveerd dat [gedaagde] dit bedrag verschuldigd is. Uit niets blijkt over welke periode dit bedrag aan rente is berekend. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van € 1,40 daarmee afwijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Uit de door [VvE] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [VvE] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
De proceskosten
[gedaagde] wordt (overwegend) in het ongelijk worden gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [VvE] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
145,16 |
|
|
- griffierecht |
€ |
543,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.552,16 |
De door [VvE] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de in de beslissing genoemde wijze.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [VvE] de afrekeningen van € 9.071,09 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.552,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt [gedaagde] in betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten genoemd onder rechtsoverweging 5.3. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving van [VvE] zijn voldaan,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
68348 51588