RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462832 / HA ZA 26-66
Vonnis in incident van 8 april 2026
in de zaak van
1 [naam eiser in hoofdzaak & incident 1] , 2. [naam eiser in hoofdzaak & incident 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. R.A. Rila te Amersfoort,
tegen
[naam gedaagde in hoofdzaak / verweerder in incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. S.H.M. Koeleman te ‘s-Hertogenbosch.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
-
de incidentele conclusie van antwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 Feiten in het incident
Partijen zijn buren van elkaar. [de eiser] is eigenaar van het perceel aan het [adres 1] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk] twee percelen tuingrond (nummers [kadasternummer] en [kadasternummer] ) en een perceel pad (nummer [kadasternummer] ).
[de gedaagde] is eigenaar van het perceel aan de [adres 2] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk] . Hij is ook eigenaar van het perceel met schuur aan de [adres] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk] .
3. Het geschil
Het geschil in de hoofdzaak ziet (kort gezegd) op de vraag of [de eiser] het recht heeft om over het perceel van zijn buurman [de gedaagde] (hierna: perceel [kadasternummer] ) te rijden, zodat hij vanaf de openbare weg zijn percelen kan bereiken. Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of een recht van erfdienstbaarheid bestaat, welke uitleg hieraan dient te worden gegeven, en of [de eiser] in de uitoefening van het gestelde recht belemmerd wordt. Daarnaast heeft [de eiser] gevorderd een verbod op te leggen aan [de gedaagde] om de percelen van [de eiser] te betreden.
[de eiser] vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de gedaagde] verbiedt om – totdat in de hoofdzaak vonnis is gewezen – op het geel gearceerde deel van het dienende erf (zoals aangegeven in productie 17 bij dagvaarding) geheel of ten dele voertuigen of andere obstakels te parkeren / plaatsen, alsmede dit aan zijn bezoekers toe te staan, dan wel om de ten gunste van [de eiser] gevestigde erfdienstbaarheid van overweg op welke andere wijze dan ook (door zijn bezoekers) te (laten) belemmeren of te blokkeren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding van dit verbod, met een maximum van € 250.000,00;
II. [de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten van dit incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[de eiser] stelt dat ten behoeve van de aan hem toebehorende percelen een recht van overweg is gevestigd ten laste van perceel [kadasternummer] althans dat een zodanig recht door bevrijdende verjaring is ontstaan. Volgens [de eiser] heeft hij het recht om via het perceel van [de gedaagde] met een motorrijtuig zijn percelen te bereiken om daar te parkeren. [de eiser] en zijn rechtsvoorgangers hebben voorheen onbelemmerd gebruik kunnen maken van die erfdienstbaarheid. Sinds [de gedaagde] eigenaar is geworden, wordt [de eiser] voortdurend belemmerd c.q. geblokkeerd in de uitoefening van zijn recht van overweg, doordat er door [de gedaagde] , zijn partner en bezoekers auto’s of andere voertuigen op het dienende erf worden geparkeerd, aldus [de eiser]
[de gedaagde] voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel afwijzing van de vordering in incident, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling in het incident
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Dit wordt hierna toegelicht.
[de eiser] heeft een provisionele vordering ingesteld op grond van artikel 223 Rv. Op grond van dit artikel kan iedere partij tijdens een aanhangige procedure vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure, als de vordering samenhangt met de hoofdvordering. Uit wat partijen naar voren hebben gebracht, blijkt van het bestaan van de hiervoor bedoelde samenhang met de hoofdprocedure. Het gevorderde verbod in het incident is namelijk gebaseerd op het gestelde (in de hoofdzaak te beoordelen) recht van erfdienstbaarheid. Dat betekent dat [de eiser] ontvankelijk is in zijn provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv.
Voor de toewijzing van een provisionele vordering moet de eiser in die zin voldoende belang bij de vordering hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. De rechter dient de belangen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin.
De gevraagde voorziening betreft een verbod om voertuigen en andere obstakels te (laten) parkeren of plaatsen op een deel van het perceel van [de gedaagde] , of op een andere manier de uitoefening van de volgens [de eiser] ten gunste van hem gevestigde erfdienstbaarheid van overweg te belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
De rechtbank is van oordeel dat [de eiser] in de gegeven omstandigheden onvoldoende belang heeft bij toewijzing van de door hem gevraagde voorziening. Uit de videobeelden en foto’s die [de eiser] in het geding heeft gebracht, blijkt dat het moeilijker is om van en naar de carport te rijden als [de gedaagde] een auto voor de witte schuur op zijn perceel parkeert. Dit geldt ook als [de gedaagde] een auto naast de schuur parkeert die uitsteekt voor de voorgevel van die schuur. Het is echter niet onmogelijk om van en naar de carport te rijden. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat hij maatregelen heeft genomen waardoor [de eiser] zo min mogelijk gehinderd wordt bij het parkeren in zijn carport, dus in de uitoefening van zijn gestelde recht van overweg. Zo parkeert [de gedaagde] de oldtimer steevast in zijn schuur, waardoor deze geen ruimte inneemt op perceel [kadasternummer] . Ook parkeert [de gedaagde] één auto vlak naast de witte schuur, zodat deze niet meer uitsteekt. [de gedaagde] heeft aangegeven dat de afstand tussen de grens van perceel [kadasternummer] en de op dat perceel geparkeerde auto 2,80 meter bedraagt en daarmee betwist dat er te weinig ruimte zou zijn voor [de eiser] om zijn auto te parkeren in de carport. Tot slot heeft [de gedaagde] erop gewezen dat de auto van [de eiser] momenteel niet in de carport geparkeerd is en dat [de eiser] vermoedelijk gebruikmaakt van de vele (gratis) parkeermogelijkheden aan de voorzijde van de woning.
Daar komt bij dat de rechtbank uitsluitend kan vooruitlopen op de in de hoofdzaak te nemen beslissing, als aannemelijk is dat de vordering in de hoofdzaak (gedeeltelijk) zal worden toegewezen. Gelet op zowel de stellingen van [de eiser] als de verweren en betwistingen van [de gedaagde] staat nog onvoldoende vast dat er (door vestiging of verjaring) een recht van erfdienstbaarheid bestaat. Ook dient nog in de hoofdzaak te worden beoordeeld welke reikwijdte het gestelde recht van erfdienstbaarheid heeft, welke uitleg hieraan dient te worden gegeven en wat de minst bezwarende wijze van uitoefening is van de gestelde erfdienstbaarheid. Het in het incident gevorderde verbod is daarentegen erg ruim en zou ertoe leiden dat [de gedaagde] en zijn bezoekers gedurende de looptijd van de procedure geen enkel voertuig of ander obstakel geheel of gedeeltelijk op perceel [kadasternummer] kunnen plaatsen, terwijl nog onvoldoende vaststaat dat hij hier geen recht op heeft. Mede gelet op het feit dat [de gedaagde] nog een conclusie van antwoord moet nemen en dat in de hoofdzaak nog een mondelinge behandeling (en mogelijk bewijslevering) moet plaatsvinden met betrekking tot de bovenstaande punten, is het vooralsnog onvoldoende zeker dat de vordering van [de eiser] in de hoofdzaak (volledig) wordt toegewezen.
Gelet op het voorgaande dient [de eiser] de afloop van de bodemzaak af te wachten en zal daar niet op worden vooruitgelopen. De provisionele vordering zal worden afgewezen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat [de gedaagde] de in 4.5 genoemde maatregelen, zoals hij heeft aangegeven, treft en gedurende de bodemzaak zal blijven treffen.
[de eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
5 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [de eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [de gedaagde] tot op heden begroot op € 653,00 (1 punt x tarief II).
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 mei 2026 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. |
||
|
\ |
1906 / 162