RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/454508 / HA ZA 25-297
Vonnis in incident van 15 oktober 2025
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [plaats 1] ,2. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eiser] en [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. M.L. Dingemans,
tegen
1 [gedaagde] ,
te [plaats 1] ( [land] ),2. [bedrijf 2],
te [plaats 3] ( [land] ),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde] en [bedrijf 2] ,
advocaat: mr. T.M. Munnik.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025
- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser] en [bedrijf 1] met producties 1 tot en met 26
- de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie tot partiële exceptie van onbevoegdheid van de zijde van [gedaagde] en [bedrijf 2] met producties 1 tot en met 21
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident tevens wijziging van eis in de hoofdzaak van de zijde van de zijde van [eiser] en [bedrijf 1] .
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
2 Waar gaat de hoofdzaak over?
[eiser] en [gedaagde] zijn beiden bestuurders van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is een Nederlandse vennootschap die in 2010 is opgericht en zich bezighoudt met het exploiteren van een uitzendbureau gericht op de vleeswerkende industrie. Eerst vonden de activiteiten van [bedrijf 1] met name plaats in Nederland en later alleen nog in Noorwegen.
Volgens [eiser] en [bedrijf 1] hield [gedaagde] zich binnen [bedrijf 1] vooral bezig met het bezoeken van de Noorse klanten en was [eiser] verantwoordelijk voor de HR-activiteiten die vanuit Nederland werden verricht. [eiser] en [bedrijf 1] stellen dat zij door [gedaagde] buiten spel zijn gezet. Zij verwijten [gedaagde] dat [gedaagde] op enig moment eenzijdig drie belangrijke Noorse klanten van [bedrijf 1] naar zijn Noorse vennootschap [bedrijf 2] heeft overgeheveld. Ook betogen zij dat personeel van [bedrijf 1] voor [bedrijf 2] is gaan werken. Dit heeft er toe geleid dat [bedrijf 1] op dit moment een vrijwel lege vennootschap is. Zij houden [gedaagde] en [bedrijf 2] aansprakelijk voor de door hen geleden en nog te lijden schade. Primair en subsidiair vorderen [eiser] en [bedrijf 1] betaling van schade door [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en door [bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 BW (het profiteren van andermans onrechtmatig handelen). Indien deze vorderingen niet toewijsbaar zijn, vorderen [eiser] en [bedrijf 1] meer subsidiair de vernietiging van de door [gedaagde] genomen besluiten die het leeghalen van [bedrijf 1] mogelijk hebben gemaakt.
[gedaagde] en [bedrijf 2] voeren gemotiveerd verweer. Kort samengevat betwisten zij dat [gedaagde] ongeoorloofd de activiteiten van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] heeft overgeheveld. Volgens [gedaagde] en [bedrijf 2] hebben drie Noorse klanten de contracten met [bedrijf 1] beeindigd/opgezegd, omdat [bedrijf 1] onvoldoende voorbereid was op regelgeving die vanaf 2021 in Noorwegen zou wijzigen op het gebied van het uitzenden van arbeidskrachten. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in die periode ook te kennen gegeven dat zij geen investeringen meer in [bedrijf 1] wilde doen om de onderneming van [bedrijf 1] op deze gewijzigde wetgeving voor te bereiden. Partijen waren van plan om de activiteiten van [bedrijf 1] in Noorwegen te staken, aldus [gedaagde] en [bedrijf 2] . Hoewel [gedaagde] en [bedrijf 2] erkennen dat de drie Noorse klanten vervolgens een overeenkomst met [bedrijf 2] zijn aangegaan, betwisten zij dat zij de Noorse klanten daartoe hebben aangespoord of bewogen. Hiervan is geen sprake geweest. In het verlengde daarvan betwisten [gedaagde] en [bedrijf 2] ook dat [bedrijf 2] heeft geprofiteerd van het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Tot slot voeren zij over de meer subsidiaire vordering van [eiser] en [bedrijf 1] aan dat deze onvoldoende is onderbouwd.
3 Het geschil
[eiser] en [bedrijf 1] vorderen na wijziging eis in de hoofdzaak – verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair en subsidiair
i. voor recht zal verklaren (primair) dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft bestuurd (in strijd met artikel 2:9 BW) en heeft gehandeld in strijd met artikel 2:8 BW, alsmede (subsidiair) dat [gedaagde] en [bedrijf 2] onrechtmatig hebben gehandeld, en [gedaagde] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen om de schade te betalen die [eiser] en [bedrijf 1] hierdoor geleden hebben en nog zullen lijden, begroot op respectievelijk € 1.641.094 en € 3.282.188, dan wel nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente,
meer subsidiair
[gedaagde] zal veroordelen om alle besluiten met betrekking tot het leeghalen van [bedrijf 1] ten gunste van [bedrijf 2] terug te draaien en teruggedraaid te houden, alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van alle schade die [eiser] en [bedrijf 1] in de tussentijd hebben geleden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente,
primair, subsidiair en meer subsidiair
[gedaagde] en [bedrijf 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775, de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[gedaagde] en [bedrijf 2] hebben voor alle weren een partiële bevoegdheidsincident opgeworpen, strekkende tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen die door [bedrijf 1] tegen [bedrijf 2] zijn ingesteld. [bedrijf 2] voert aan dat de activiteiten van [bedrijf 1] in Noorwegen plaatsvinden. Van activiteiten in Nederland was al jaren geen sprake meer. [bedrijf 2] meent dan ook dat de gestelde schade van [bedrijf 1] in Noorwegen is geleden, nu in de hoofdzaak de opzegging van de contracten van de Noorse opdrachtgevers en een vermeende overheveling naar [bedrijf 2] centraal staan.
[bedrijf 1] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten in het incident. Volgens [bedrijf 1] is haar schade wel degelijk in Nederland geleden en zijn er ook andere aanknopingspunten op grond waarvan kan worden aangenomen dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bevoegdheid is om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.
4 De beoordeling in het incident
Vooropgesteld wordt dat het bevoegdheidsincident alleen ziet op de vorderingen die door [bedrijf 1] tegen [bedrijf 2] zijn ingesteld. Voor de overige ingestelde vorderingen wordt de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist.
Zoals hiervoor reeds weergegeven, is de vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] gebaseerd op het profiteren van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] .
Nu [bedrijf 2] in Noorwegen is gevestigd en [bedrijf 1] in Nederland, is voor de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter, en in het bijzonder de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem rechtsmacht toekomt, het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke handelszaken van toepassing (hierna: Verdrag van Lugano/EVEX-verdrag 2007).
De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van artikel 5 lid 3 van het EVEX-verdrag 2007 bevoegd is om van het geschil tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kennis te nemen. Artikel 5 lid 3 van het EVEX-verdrag 2007 bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad het gerecht van de plaats bevoegd is waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Onder de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen wordt verstaan de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan alsmede de plaats van de gebeurtenis die daartoe aanleiding heeft gegeven. Dit houdt in dat [bedrijf 1] de keuze had om [bedrijf 2] voor het gerecht van een van deze twee plaatsen te dagvaarden.
Vastgesteld wordt dat [bedrijf 1] een vennootschap is naar Nederlands recht. De statutaire vestigingsplaats van [bedrijf 1] is Nijmegen. Uit artikel 22.1 van de statuten van [bedrijf 1] volgt dat de algemene vergadering van aandeelhouders in Nijmegen (de plaats waar [bedrijf 1] haar zetel heeft) wordt gehouden. Dit betekent dat de bestuurders voor het door hen gevoerde beleid ook in Nederland verantwoording dienen af te leggen en dat daarmee voldoende vast staat dat de informatie over het door het bestuur gevoerde beleid in Nederland aanwezig dient te zijn. Nu [bedrijf 1] stelt dat zij door het handelen van [gedaagde] met een lege vennootschap is achtergelaten waarvan [bedrijf 2] heeft geprofiteerd, acht de rechtbank – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – voldoende gebleken dat de vermeende schade van [bedrijf 1] in Nederland is ingetreden. Dat [gedaagde] zijn werkzaamheden als bestuurder van [bedrijf 1] vanuit Noorwegen verrichtte en dat de opdrachtgevers van [bedrijf 1] uit Noorwegen kwamen waardoor de feitelijke bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] grotendeels in Noorwegen plaatsvonden, doet aan het voorgaande niet af. Dit betekent dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. De conclusie is dat de door [bedrijf 2] opgeworpen incidentele vordering wordt afgewezen.
[bedrijf 2] is de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt daarom in de proceskosten van [bedrijf 1] (inclusief de nakosten) veroordeeld, te begroten op een bedrag van € 792,00 (€ 614,00 (1 punt x liquidatietarief II) + € 178,00 (het forfaitaire nasalaris advocaat).
5 De beoordeling in de hoofdzaak
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De hoofdzaak zal dan ook worden verwezen naar de rol voor opgave verhinderdata.
6 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vordering van [bedrijf 2] af,
veroordeelt [bedrijf 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van [bedrijf 1] tot op heden begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 2] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
beveelt een mondelinge behandeling op de terechtzitting van mr. E. Boerwinkel in het gerechtsgebouw te Arnhem aan de Walburgstraat 2 – 4 op een nader vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [eiser] en [gedaagde] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 oktober 2025 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari 2026 tot en met maart 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. S.J. Peerdeman op 15 oktober 2025. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |