ECLI:NL:RBGEL:2024:9895

Datum uitspraak
13-05-2024
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05-157791-23
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg tot een taakstraf van 20 uur. Verwerping beroep op noodweer. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Uitgaansgeweld.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/157791-23

Datum uitspraak : 13 mei 2024

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. E. Albayrak, advocaat in Heerenveen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 december 2022 te Harlingen [aangever] heeft mishandeld door voornoemd persoon (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken jukbeen/oogkas en/of oogletsel ten gevolge heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Verdachte zag dat de aangever een vriend van hem sloeg en nogmaals wilde slaan. Dit levert een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de vriend van verdachte, en dus een noodweersituatie, op. Vervolgens heeft verdachte één klap uitgedeeld. Zijn handelen was noodzakelijk en geboden. Verdachte had op dat moment geen andere mogelijkheid om zijn vriend uit de situatie te onttrekken.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het causaal verband tussen de klap die verdachte heeft gegeven en het letsel van de aangever onvoldoende blijkt uit het procesdossier, nu er mogelijk nog een klap door een ander dan verdachte is gegeven. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het letsel van de aangever niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer zal eerst ingaan op de bewijsmiddelen en op basis daarvan de feitelijke gang van zaken van die bewuste avond vaststellen. Vervolgens zal de militaire kamer ingaan op het letsel van de aangever en hoe dit moet worden gekwalificeerd. Ten slotte zal de militaire kamer het beroep op noodweer bespreken.

De bewijsmiddelen

[aangever] , de aangever, heeft verklaard dat hij zich op 25 december 2022 in café Shamrock te Harlingen bevond. Op enig moment zag hij dat zijn vriend [getuige 1] werd belaagd en iemand op afstand probeerde te houden. Opeens werd er over en weer geslagen. Het leek een chaos. [aangever] werd naar achteren geduwd. Een persoon sloeg met zijn gebalde vuist met kracht in de richting van het hoofd van [aangever] en raakte zijn linkeroog. [aangever] voelde meteen pijn en merkte direct dat het zicht in zijn linkeroog weg was.2

Vóór de klap had [aangever] naar eigen zeggen 40 procent van zijn visus in zijn linkeroog. Daarna zag hij alles een stuk donkerder en was het zicht in zijn linkeroog 20 à 25 procent. Op 3 januari 2023 had zijn linkeroog nog fors slechte visus. De oogarts concludeerde op 30 maart 2023 dat sprake is van blijvend visusverlies. [aangever] kreeg het advies om een bril aan te schaffen.3

[getuige 1] heeft verklaard dat zijn vriendin [naam] bij de bar stond. Twee jongens maakten gebaren achter haar rug om. [getuige 1] sprak de jongens aan. Hij kreeg op agressieve toon een reactie terug. Ze begonnen te duwen. [getuige 1] heeft één van deze jongens richting de deur geduwd. Toen [getuige 1] bij de deur stond, werd hij van achteren vastgepakt. Er werd een arm om zijn nek en hals geklemd en deze klem werd aangetrokken. [getuige 1] zag dat er een jongen uithaalde naar [aangever] . [aangever] werd met een vuistslag op zijn oog geraakt. [getuige 1] kon de klap zelfs horen.4

[getuige 2] heeft verklaard dat zijn broertje [getuige 3] voor de grap het drinken van een vrouw pakte. Vervolgens werd [getuige 1] daar boos om en is de boel geëscaleerd. [getuige 1] wilde [getuige 3] aanvliegen en deed wat agressief. Hierop ging [getuige 2] er naartoe. Hij greep [getuige 1] van achteren vast om iedereen uit elkaar te halen, maar hij werd van de zijkant twee keer geslagen door [aangever] . [getuige 2] liet [getuige 1] los en beschermde zijn gezicht. Toen ging het snel. [verdachte] heeft [getuige 2] later verteld dat hij, [verdachte] , de man die hem, [getuige 2] , had geslagen, terug had geslagen. Toen was het chaos en kwamen er allemaal mensen bij.5

[getuige 3] heeft verklaard dat hij als grapje een biertje probeerde te pakken van een vrouw die voorbij liep. Daarna kwam er opeens een oudere man boos naar hem toe. [getuige 3] vertelde dat het een grapje was, maar de man bleef boos. Vervolgens kwam er een andere man op [getuige 3] af die begon te schreeuwen en te duwen. Vervolgens probeerden zij met zijn tweeën [getuige 3] te duwen en te slaan. Hierop is [getuige 3] achteruit gelopen tot hij niet meer verder kon. Vervolgens heeft hij zelf een klap gegeven, waarbij de jongere man heeft geraakt. Het ging helemaal los. Deze man werd vervolgens door [getuige 2] van achter vast gepakt en naar achteren getrokken. De jongere man had [getuige 2] vast en de andere man probeerde op hem in te slaan.6

[getuige 4] was op voornoemde datum aan het werk als barman in de Shamrock. Hij zag dat verdachte [aangever] een vuistslag gaf die landde op de neus van [aangever] .7

Verdachte heeft verklaard dat hij hoorde dat er voorin ruzie was. Hij is er naartoe gelopen. [getuige 1] en [getuige 3] begonnen te duwen en te trekken. [getuige 2] trok [getuige 1] weg, waarop [aangever] op [getuige 2] begon in te slaan. [aangever] had al één of twee klappen uitgedeeld. Op dat moment kwam verdachte erbij. Verdachte heeft [aangever] één keer op zijn gezicht geslagen om [getuige 2] te verdedigen. Verdachte heeft gericht op zijn gezicht geslagen. Met de klap wilde verdachte de-escalerend optreden. Verdachte heeft meerdere opties overwogen, maar zag de klap als zijn enige mogelijkheid om in te grijpen. Vervolgens heeft hij [getuige 2] uit de situatie getrokken en zijn ze weg gegaan.8

Vaststelling feiten

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat het incident als volgt is verlopen. Hierbij gebruikt de militaire kamer voor de duidelijkheid en de leesbaarheid de voornamen van de betrokkenen.

Tussen [getuige 1] en [getuige 3] ontstond duw- en trekwerk. [getuige 3] werd richting de deur geduwd en liep achteruit. Toen [getuige 3] niet meer verder kon, heeft hij [getuige 1] geslagen. [getuige 2] pakte [getuige 1] vast, al dan niet in een nekklem, en trok hem naar achteren met als doel hen uit elkaar te halen. [aangever] sloeg [getuige 2] één of twee keer. Vervolgens heeft verdachte [aangever] één keer op zijn gezicht gestompt. Dit moet met kracht geweest zijn, nu [getuige 1] heeft verklaard dat hij deze klap kon horen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, vóór de situatie uit de hand liep, een gesprek heeft gevoerd met [aangever] , waarin over en weer werd aangegeven dat ze beter uit elkaar konden gaan en dat ruzie niet nodig was.

De militaire kamer acht deze verklaring niet aannemelijk, nu verdachte deze verklaring voor het eerst ter terechtzitting heeft afgelegd en deze verklaring wordt weerlegd door de verklaringen van de getuigen, die geen van allen verklaren dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden.

Het letsel van [aangever]

heeft oogletsel opgelopen, te weten zichtverlies in zijn linkeroog van 40 naar 20-25 procent. Daarnaast ziet hij alles een stuk donkerder. Er wordt geen verbetering meer verwacht.

De militaire kamer is van oordeel dat dit letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. [aangever] heeft immers gedeeltelijk een zintuigelijk vermogen verloren en daarvan valt geen herstel meer te verwachten. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen verklaard.

De militaire kamer is van oordeel dat uit het procesdossier onvoldoende blijkt dat [aangever] een gebroken jukbeen heeft opgelopen. Dat [aangever] een gebroken oogkas heeft opgelopen, blijkt afdoende uit het procesdossier, maar deze breuk draagt niet bij aan het zwaar lichamelijk letsel, omdat het een eenvoudige botbreuk betrof die zonder operatief ingrijpen is geheeld. Deze onderdelen van de tenlastelegging kunnen dus niet bewezen worden verklaard.

Uit de verklaring van [aangever] blijkt dat de stomp van verdachte op het linkeroog van [aangever] landde, waarna [aangever] direct het zicht in zijn linkeroog verloor. In het licht van deze verklaring kan het niet anders dan dat het de stomp van verdachte is geweest die bovengenoemd letsel heeft veroorzaakt. Verder verklaart geen enkele getuige dat iemand anders geweld tegen [aangever] heeft gebruikt. Het is naar het oordeel van de militaire kamer dan ook niet aannemelijk dat een ander dan verdachte dit letsel heeft veroorzaakt.

Noodweer

De militaire kamer gaat uit van de feitelijke toedracht zoals deze hiervoor is vastgesteld. Uit die feiten blijkt dat verdachte pas ter plaatse kwam toen er over en weer al fysiek geweld werd gebruikt. Op dat moment zag hij dat [aangever] [getuige 2] één of twee keer sloeg. Daarom heeft hij [aangever] één keer met kracht in zijn gezicht gestompt. Hierdoor heeft [aangever] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten oogletsel bestaande uit permanent zichtverlies in zijn linkeroog.

Naar het oordeel van de militaire kamer kunnen de gedragingen van de aangever weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf, te weten dat van [getuige 2] , maar is op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte passend en geboden waren om zijn vriend te verdedigen.

Als militair is verdachte niet alleen getraind in het gebruik van geweld, maar ook in het koel en rationeel blijven nadenken in verhitte en chaotische situaties. Gelet hierop, mag naar het oordeel van de militaire kamer meer van hem worden verwacht dan van een gemiddelde burger.

De ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [aangever] was niet gericht tegen verdachte, maar tegen zijn vriend. Verdachte was, toen hij aan kwam, in eerste instantie dus een toeschouwer, waardoor hij meer overzicht had dan degenen die al in de ruzie en het fysiek geweld verzeild waren geraakt. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat verdachte de tijd en de ruimte had om zijn mogelijkheden af te wegen. Hij heeft er voor gekozen om in te grijpen door [aangever] met kracht in het gezicht te stompen.

Naar het oordeel van de militaire kamer heeft hij hierbij een verkeerde afweging gemaakt. Ook al was het café smal en druk, er stonden minder vérgaande mogelijkheden tot zijn beschikking, zoals bijvoorbeeld [aangever] wegduwen, vastpakken, op een ander deel van het lichaam slaan. Dat deze opties in de gegeven omstandigheden geen resultaat zouden hebben opgeleverd, is niet komen vast te staan.

De militaire kamer verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Conclusie

De militaire kamer acht het feit bewezen, zoals hieronder bewezenverklaard.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 25 december 2022 te Harlingen [aangever] heeft mishandeld door voornoemde persoon (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken jukbeen/oogkas en/of oogletsel ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit, gelet op de eigen rol van de aangever, de reden waarom verdachte hem heeft geslagen, het feit dat verdachte niet het opzet had om hem ernstig te verwonden en gelet op zijn blanco strafblad.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Verdachte hoorde dat één van zijn vrienden betrokken was bij een ruzie in een kroeg, zag dat deze vriend werd geslagen door het slachtoffer en heeft vervolgens het slachtoffer hard in zijn gezicht gestompt ten gevolge waarvan deze nu permanent minder ziet met zijn linkeroog.

Dit is een ernstig feit. Hoewel verdachte in principe zijn vriend mocht verdedigen, heeft hij een verkeerde keuze gemaakt in de manier waarop en is hij hierin veel te ver gegaan. Het op deze wijze handelen van verdachte, te weten hard slaan met de vuist in het gezicht, was mede gelet op zijn vaardigheden als (actief) militair onder de hiervoor genoemde omstandigheden in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De militaire kamer rekent hem dit aan.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Verdachte is, zoals gezegd, militair. Hij heeft een blanco strafblad.

Conclusie

Alles afwegende en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, komt de militaire kamer tot de volgende straf. Gelet op de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer is een geheel voorwaardelijke straf, zoals de verdediging heeft bepleit, niet passend. De militaire kamer is van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf in dit geval passend en geboden is en zal aan verdachte een taakstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis, opleggen.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 949,53 aan materiële schade, € 16.000,- aan smartengeld en de over deze schadeposten berekende wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.449,53, bestaande uit de gehele materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, dan wel omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair doet de verdediging een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.

De beoordeling door de militaire kamer

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De militaire kamer overweegt dat de opgevoerde materiële schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. Deze schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van permanent verminderd en donkerder zicht in het linkeroog opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.

Begroting van schade berust steeds op een vergelijking tussen de huidige situatie van de benadeelde en de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, die de schade heeft veroorzaakt, zou zijn uitgebleven.

Een dergelijke vergelijking kan in de gegeven omstandigheden echter niet worden gemaakt. De militaire kamer kan op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing voor zijn vordering of de feiten en omstandigheden uit het dossier niet vaststellen wat het exacte percentage van het zichtverlies is.

Het had op de weg van de benadeelde partij gelegen om ten minste, bijvoorbeeld door resultaten van oogmetingen te overleggen, te onderbouwen wat het zicht in zijn linkeroog voorafgaand aan de mishandeling was en hoe zich die resultaten verhouden tot de huidige situatie. Het dossier biedt echter wel voldoende aanknopingspunten voor significant zichtverlies. De oogarts concludeert immers dat sprake is van fors visusverlies. In het licht van die omstandigheden zal de militaire kamer het smartengeld naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,- vaststellen.

De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering, zodat de benadeelde partij in een civiele procedure het gevorderde bedrag gebaseerd op het percentage van het zichtverlies nader kan onderbouwen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 25 december 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Schadevergoedingsmaatregel

De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 44 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 20 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 949,53 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 3.449,53, bestaande uit € 949,53 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 44 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.W. van de Meerakker (voorzitter) en mr. R.M.H. Pennings, rechters, en Kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2024.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »