ECLI:NL:RBDHA:2026:31559

Datum uitspraak
23-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.61389
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bewaring, beroep, toetsingskader, gronden van de maatregel, lichter middel, non-refoulement, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.61389

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. van den Tillaar).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 13 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan een vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.1 In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.2

1.1.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.3 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.4

1.2.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.5

Gronden van de maatregel

2. In de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en er een onderduikrisico bestaat.

2.1.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden en de daarop gegeven toelichtingen niet heeft betwist. Hoewel de rechtbank, in het kader van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, vaststelt dat de motivering bij sommige gronden niet op alle onderdelen voor juist kan worden gehouden, is zij van oordeel dat de gronden a, k, p, r en s voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt.

Lichter middel

3. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Daartoe voert eiser aan dat hij in de veronderstelling was dat hij tot 16 oktober 2026 de tijd had om zelf naar Duitsland te vertrekken en in het gehoor heeft aangegeven dat hij wil meewerken aan zijn overdracht aan Duitsland. Ook stelt eiser dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zelf naar Duitsland te reizen. Eiser heeft spaargeld om deze reis te bekostigen.

3.1.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; een verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.6

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder wijst in de maatregel allereerst terecht op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan, en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil meewerken. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 oktober 2026 blijkt dat eiser wist dat zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond was verklaard. Niet gesteld of gebleken is dat eiser stappen heeft gezet om zelfstandig naar Duitsland te vertrekken. Verder blijkt uit het verslag dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil meewerken aan zijn overdracht aan Duitsland, dat hij in Nederland wil blijven en dat hij hier wil werken bij een familielid van hem. De regievoerder legt hem vervolgens uit dat de overdracht dan gedwongen plaats zal vinden, waarop eiser verklaart dat hij dan wil weten wanneer de politie komt om hem ‘s ochtends op te halen. Hieruit volgt duidelijk dat eiser niet wil meewerken aan zijn overdracht aan Duitsland. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser opnieuw verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland en liever in Nederland wil blijven. De enkele omstandigheid dat eiser in een vertrekgesprek op 14 oktober 2026 verklaart mee te zullen werken aan de overdracht op 22 oktober 2026, leidt niet tot een ander oordeel. Dit vertrekgesprek vond plaats toen eiser al in bewaring was gesteld en de overdracht al was gepland. Eiser heeft verder geen feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat thans een minder dwingende maatregel afdoende is om zijn uitzetting te waarborgen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.

Non-refoulement

4. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij niet naar Duitsland wil omdat hij bang is dat hij door Duitsland zal worden teruggestuurd naar Syrië.

4.1.

Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het verbod op indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar wat verweerder daarover heeft overwogen in de maatregel. Verweerder heeft gewezen op de overwegingen hierover in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 5 oktober 2026 (NL26.47990) in het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit van 19 augustus 2026. Hierin is geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de rechtbank daarom niet toekomt aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank ziet in wat eiser nu naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond niet.

Ambtshalve toetsing

5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »