RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.12667 en NL24.12668
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , v-nummer: [x] ,
[eiser 2] , v-nummer: [x] ,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
1. De minister heeft met de bestreden besluiten van 4 maart 2024 de asielaanvragen van eisers buiten behandeling gesteld.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.1
Beoordeling door de rechtbank
De procedure
2. Op 15 juni 2023 hebben eisers zich gemeld bij het loket van de IND. Eisers hebben die dag een besluit ontvangen waarin staat dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming2 en dat, indien zij de asielprocedure wensen voort te zetten, zij zich binnen twee weken moeten melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. De minister heeft op 30 januari 2024 een voornemen uitgebracht, waarin staat dat de minister voornemens is de asielaanvragen van eisers buiten behandeling te stellen, omdat zij zich niet bij het aanmeldcentrum in Ter Apel hebben gemeld. Eisers hebben geen zienswijze ingediend en zich ook niet gemeld en daarom heeft de minister de asielaanvragen bij besluit van 4 maart 2024 buiten behandeling gesteld.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Mocht de minister de asielaanvragen van eisers buiten behandeling stellen?
3. Eisers voeren aan dat zij op 15 juni 2023 bij het loket van de IND een verzoek om tijdelijke bescherming hebben ingediend. Op diezelfde dag is dat verzoek afgewezen. Het besluit of iemand wel of geen tijdelijke bescherming krijgt wordt normaliter genomen, nadat het model M35-H is ondertekend. Daarvan moet in dit geval dus ook sprake zijn geweest. De minister heeft de aanvraag opgevat en geregistreerd als asielverzoek en voor zover bekend is deze ook in persoon door eisers ondertekend.
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Op grond van artikel 3.108, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) moet een asielaanvraag persoonlijk worden ingediend op een door de minister te bepalen plaats. In artikel 28, eerste lid, van de Procedurerichtlijn – dat is geïmplementeerd in artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000 – staat onder meer dat de beslissingsautoriteit kan besluiten de behandeling van een asielverzoek te beëindigen als er een gegronde reden is om aan te nemen dat de vreemdeling impliciet van dat verzoek heeft afgezien.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat er bij het loketbezoek van eisers op 15 juni 2023 geen M35-H formulier door hen is ondertekend en dat (toen) geen formele indiening van de asielaanvraag heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Eisers hebben verder niet voldaan aan artikel 3.108, eerste lid, van het Vb 2000. Zij hebben zich na het besluit van 15 juni 2023 niet in persoon gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel om de asielprocedure (verder) te doorlopen. Ook na het voornemen van 30 januari 2024 – waarin zij een hersteltermijn hebben gekregen van twee weken om zich alsnog te melden – hebben zij dat niet gedaan. Niet in geschil is dat in het besluit van 15 juni 2023 en in het voornemen van 30 januari 2024 eisers is meegedeeld dat zij zich voor het doorlopen van de asielprocedure dienen te melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Door zich niet te melden hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank impliciet van hun asielverzoeken afgezien. De minister heeft daarom de asielaanvragen buiten behandeling kunnen stellen.
Het gegeven dat eisers stellen dat zij belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun aanvraag van 15 juni 2023 vanwege de ingangsdatum en het beoordelingskader bij een opvolgende asielaanvraag, leidt niet tot een ander oordeel. De vraag of eisers belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling doet namelijk niet af aan het gegeven dat de minister, zoals hiervoor is overwogen, op goede gronden de asielaanvragen buiten behandeling heeft gesteld omdat eisers deze niet hebben gecompleteerd door in persoon te verschijnen in Ter Apel. Bovendien heeft de minister in het verweerschrift aangegeven dat de nadien op 19 maart 2024 alsnog ingediende asielaanvragen als eerste asielaanvragen zijn aangemerkt en ook zo zijn behandeld.
Had aan eisers rechtshulp moeten worden toegekend?
4. Eisers betogen dat aan hen een rechtshulpverlener had moeten worden toegekend. Het uitgebrachte voornemen in de Nederlandse taal was voor eisers onvoldoende duidelijk, nu deze taal door hen niet voldoende wordt beheerst. Daarbij komt dat dit hun eerste asielaanvraag was. Eisers hadden gelet op die omstandigheid recht op begeleiding door een rechtshulpverlener. Van de regeling die hiervoor bestaat bij de Raad voor Rechtsbijstand is ten onrechte geen gebruik gemaakt. Toekenning van rechtshulp had in ieder geval moeten gebeuren bij het uitbrengen van het voornemen. Pas nadat eisers door de Raad voor Rechtsbijstand naar een advocaat zijn verwezen op 11 maart 2024, hebben eisers zich van deskundige hulp kunnen voorzien.
De beroepsgrond slaagt niet. Er is geen wettelijk recht op rechtsbijstand in de fase waarin van een vreemdeling wordt verwacht om zich op grond van artikel 3.108, eerste lid, van het Vb 2000 in persoon te melden en een onvolledige asielaanvraag te completeren. Voor het vervolg was ook geen rechtshulp noodzakelijk omdat de aard van de gevraagde handeling – het in persoon melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel – dat niet vereist.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het voornemen moeilijk te begrijpen was voor eisers, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn. Maar het is de verantwoordelijkheid van eisers om dan tijdig hulp te zoeken, voor zover het ze zelf niet lukt om de inhoud van het voornemen met bijvoorbeeld een vertaalapp te achterhalen.
Conclusie en gevolgen
5. De minister heeft de aanvragen terecht buiten behandeling gesteld.
De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.