RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.59623 en NL26.60054
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P. Ghosh als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
NL26.59623
3. Eiser heeft op 7 oktober 2026 beroep ingediend tegen de ophouding. Dit beroep is geregistreerd onder NL26.59623.
De rechtbank stelt vast dat er bij het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring evenwel geen sprake was van een ophouding. Desgevraagd heeft eiser ter zitting uitgelegd dat zijn beroep moet worden opgevat als een beroep tegen de feitelijke handeling van eisers verplaatsing ten behoeve van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een feitelijk handelen wat gelijk kan worden gesteld met een besluit en waartegen beroep ingesteld kan worden. Reeds omdat eiser niet is verplaatst. Hij zat al in het detentiecentrum Rotterdam op grond van de vorige maatregel en daar is hij gebleven. Het door eiser ingediende beroep tegen de ophouding wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.
NL26.60054
4. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.5
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser voert als eerste grond aan dat er een spoedige rechterlijke toetsing plaats moet vinden. Volgens eiser moet deze toetsing binnen drie dagen en vijftien uren plaatsvinden. Eiser verwijst hierbij naar artikel 5 van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden en een uitspraak van het Europees Hof ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.6 Eiser heeft hierbij zelfstandig en snel beroep ingediend tegen de maatregel, zodat dit eerder behandeld kon worden dan met de kennisgeving het geval zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet volgt dat de rechtbank binnen ten hoogste vijftien dagen uitspraak doet. Dat in het strafrecht wordt uitgegaan van drie dagen en vijftien uur, maakt dit niet anders. De kennisgeving voor een maatregel moet onverwijld worden verzonden, namelijk binnen zes uur na de oplegging van de maatregel. Dit is gebeurd. De kennisgeving is op 8 oktober 2026 verzonden. Op
13 oktober 2026 is dit op zitting gepland, maar omdat er geen tolk was, is de zaak verplaatst naar 20 oktober 2026. Vervolgens is een dag later, en daarmee binnen de termijn van vijftien dagen, uitspraak gedaan. Dat eiser zelf twee uur voor de kennisgeving al beroep had ingediend, maakt dit niet anders. Er is nu immers ook voldoende voortvarend een uitspraak gekomen over eisers bewaringsmaatregel.
7. Eiser voert verder aan dat er geen sprake is van een onderduikrisico, waarbij eiser verwijst naar het arrest Mahdi7. Eiser betwist hierbij de gronden. Volgens eiser kan de grond onder b niet worden tegengeworpen, omdat hij een gegronde reden heeft om niet naar Bangladesh terug te keren en deze grond voor elke derdelander geldt die na de beëindiging van het verblijfsrecht niet terugkeert. Volgens eiser kunnen ook de gronden onder p en r niet worden tegengeworpen, omdat dit kenmerkend is voor iedereen die hier illegaal verblijft en eisers verblijfsdocumenten zijn afgepakt door zijn ex-vrouw. De grond onder s ziet volgens eiser op toelating. Ten slotte zijn de gronden onder h en j volgens eiser geen bewijs of onderbouwing voor het onderduikrisico.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser aanvoert zijn de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De minister mag de grond onder b aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Op eiser rust een vertrekplicht. Zijn asielaanvraag is afgewezen en eiser heeft hiertegen geen beroep ingediend. Er is dus geen gegronde reden om niet terug te keren. Ook de gronden onder h, j, p, r en s mocht de minister tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist zijn en de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom dit bijdraagt aan een onderduikrisico. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen en dat is voldaan aan het arrest Mahdi. Hiermee ligt ook het onderduikrisico vast.
8. Ten slotte voert eiser aan dat niet is voldaan aan de toets uit het arrest Adrar8, omdat in de maatregel niet is gebleken van een beoordeling van het beginsel van non-refoulement.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan een de beoordeling van het beginsel van non-refoulement. De minister heeft in de maatregel opgenomen dat er vanwege het beginsel van non-refoulement niet hoeft te worden afgezien van uitzetting en dat eiser verder geen zwaarwegende en op feiten berustende redenen heeft aangevoerd. Op 6 oktober heeft eiser een negatieve beschikking op zijn asielaanvraag gekregen. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, is hierbij ook gekeken naar het verbod op refoulement. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de huidige inbewaringstelling heeft eiser desgevraagd geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld. Het onderzoek naar het verbod op refoulement en de motivering in het besluit volstaan daarmee. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.9
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.