RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60792
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Verweerder kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Werkwijze in strijd met het Unierecht
2. Eiser voert aan dat de huidige werkwijze van verweerder, waarbij iedere asielaanvraag die aan de grens wordt ingediend in de asielgrensprocedure wordt behandeld, niet in overeenstemming is met het Unierecht. Eiser doet in dit kader een beroep op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26975, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de gehanteerde werkwijze. Eiser verwijst in het bijzonder naar rechtsoverweging 5 van deze tussenuitspraak, waaruit de strijdigheid van de gehanteerde werkwijze met het ultimum remedium-karakter van de bewaringsmaatregel blijkt.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, volgt dat door verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Uit rechtsoverwegingen 1.1 en 4.1. van deze Afdelingsuitspraak volgt dat de werkwijze van verweerder waarbij asielaanvragen die aan de grens worden gedaan en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld en de grensdetentie wordt opgeheven wanneer de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, in overeenstemming is met de Procedureverordening. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Dat de tussenuitspraak van latere datum is, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Loungemaatregel
3. Eiser betoogt dat het onduidelijk is op welke grondslag eiser zich heeft moeten ophouden in de internationale lounge op Schiphol.
De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft eiser opgedragen zich voor de nacht op te houden in de internationale lounge op Schiphol op grond van artikel 4.6. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4201, volgt dat dit artikel voorziet in een grondslag voor de oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen van individuele vreemdelingen bij een grensdoorlaatpost als gevolg van een relatief grote toestroom van vreemdelingen waarvan het vermoeden bestaat dat die vreemdelingen geen van allen aan de voorwaarden voor toegang voldoen. Uit deze uitspraak volgt verder dat het verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Voor zover er bij gemachtigde van eiser onduidelijkheid zou zijn over de wettelijke grondslag van de loungemaatregel, is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot onrechtmatigheid hiervan kan leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Overlap screening en asielgrensprocedure
4. Eiser voert aan dat de screeningsprocedure nog niet was geëindigd toen de grensdetentie aanving. De screeningsprocedure en grensprocedure zijn verschillende trajecten. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte de screeningsprocedure niet afgewacht. De detentiemaatregel die op beide grondslagen steunt is derhalve onrechtmatig.
De rechtbank constateert dat in de vrijheidsontnemende maatregel een kruisje is gezet bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure en bij vrijheidsontneming ten aanzien van de asielgrensprocedure. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt immers dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Hierin ziet de rechtbank echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, r.o. 7 en 7.1. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtsbijstand
5. Eiser voert aan dat het lange tijd duurt voordat iemand in grensdetentie rechtsbijstand krijgt aangeboden. Er is voor deze procedure geen piketregeling.
Voor zover eiser betoogt dat de grensprocedure onrechtmatig is gelet op het gebrek aan een piketregeling en rechtsbijstand bij het gehoor voorafgaand de maatregel overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6222, welke in hoger beroep is bevestigd door de Afdeling op 8 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2286 volgt dat weliswaar sprake is van een op relevante onderdelen vergelijkbare positie met vreemdelingen van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw de vrijheid wordt ontnomen, maar dat voor het ontbreken van een piketregeling in procedures zoals onderhavige een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen “in het land” wel. Daarnaast overweegt de rechtbank in de uitspraak van 24 juni 2022 dat vreemdelingen die aan de grens asiel hebben aangevraagd en over wie de beslissing tot toegang daarom is uitgesteld, een folder krijgen uitgereikt met informatie over rechtsbijstand en in het kader van die asielprocedure een raadsman krijgen toegewezen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen in zaken waarin de vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure anders te oordelen. Ook in het geval van eiser is een folder met informatie over rechtsbijstand uitgereikt in een voor hem begrijpelijke taal en is een raadsman toegewezen in het kader van de asielprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
6. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
7. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.