RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3557 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer 1]
mede namens zijn minderjarige zoon
[minderjarige zoon] ,
V-nummer: [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie,1 verweerder,
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn zoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [tolk] is opgetreden als tolk.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1989 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Zijn zoon is geboren op [geboortedag 2] 2016 en heeft ook de Colombiaanse nationaliteit.
2. Eiser heeft op 27 maart 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser had in Colombia een eigen onderneming waarmee hij machines voor de koffieproductie maakte, installeerde en verhandelde. Hij heeft deze machines ook geleverd aan groeperingen als de dissidente FARC, de ELN en Dagoberto Ramos.2 Deze groeperingen gebruikten de machines van eiser voor het drogen van cocabladeren en de productie van cocaïne. Eiser is door één van deze groeperingen, Dagoberto Ramos, afgeperst en bedreigd. Ze hebben geprobeerd eiser te ontvoeren en hebben gedreigd zijn zoon te ontvoeren. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser voor zijn leven, niet alleen door de groepering van Dagoberto Ramos, maar ook door de dissidente FARC omdat hij door zijn vertrek uit Colombia de afgesproken levering van machines niet heeft kunnen nakomen. De Colombiaanse autoriteiten kunnen hem niet beschermen.
3. Verweerder heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Verweerder acht aannemelijk dat eiser met zijn onderneming één tot anderhalf jaar machines heeft gefabriceerd, verkocht en geleverd aan de dissidente FARC, waarmee die groepering cocabladeren kon drogen en verwerken tot cocaïne. Ook heeft hij deze machines zes tot zeven maanden geleverd aan de ELN, met hetzelfde doel. Eiser wordt zodoende in verband gebracht met (grensoverschrijdende) handel en smokkel in verdovende middelen. Dit zijn misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.3 Na toepassing van de “knowing and personal participation-test” heeft verweerder geconcludeerd dat eiser wist of had moeten weten dat hij bijdroeg aan de illegale activiteiten van de dissidente FARC en de ELN. Omdat eiser deze illegale activiteiten heeft gefaciliteerd, en daar zodoende een wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd, houdt verweerder hem individueel voor dit misdrijf verantwoordelijk. Omdat eiser onder de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag valt heeft verweerder eiser niet aangemerkt als verdragsvluchteling. Ook heeft verweerder hem geen verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).4 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij terugkeer naar Colombia sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM5 omdat voor hem een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Omdat eiser een zwaar inreisverbod heeft gekregen, wordt hij ook gesignaleerd in het Nederlandse systeem Executie & Signalering (E&S), en in het Schengeninformatiesysteem (SIS) voor de duur van tien jaar. Het inreisverbod en de signalering gelden niet voor het minderjarige kind.
4. Eiser heeft het volgende aan zijn beroep ten grondslag gelegd. Primair voert eiser aan dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte is tegengeworpen. Er is geen sprake van ‘knowing and personal participation’. Uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd blijkt duidelijk dat hij niet wist dat sommige van zijn klanten tot de dissidente FARC behoorden en dat zij de machines mogelijk zouden gebruiken voor andere doeleinden dan voor de koffieproductie. Daarnaast heeft eiser zich in elk geval niet zelf bezig gehouden met de handel in verdovende middelen. Voor zover zijn klanten de machines van eiser hebben gebruikt voor criminele activiteiten valt dit in elk geval buiten de (strafrechtelijke) aansprakelijkheid van eiser. In juridische zin kan zijn handelen niet worden aangemerkt als handelingen in het kader van handel en smokkel in verdovende middelen. Waar er geen strafbaarheid kan zijn, is er ook geen ruimte om bestuursrechtelijk artikel 1F tegen te werpen. Subsidiair voert eiser aan dat hij een reële vrees heeft voor ernstige schade bij terugkeer omdat hij bedreigd wordt door gewapende groeperingen als de dissidente FARC, ELN en Dagoberto Ramos, terwijl de Colombiaanse autoriteiten aan eiser en de leden van zijn gezin geen bescherming kunnen bieden. Eiser kan derhalve onmogelijk gevolg geven aan het terugkeerbesluit. Ook verzet hij zich tegen het inreisverbod omdat hij een asielverzoek heeft gedaan en geen misbruik maakt van procesrecht. De duur van tien jaar is bovendien disproportioneel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
‘Knowing and personal participation’
5. Op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van het Verdrag onder meer niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling6 dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag restrictief moet worden uitgelegd. Het ligt op de weg van verweerder om aan te tonen dat ernstige redenen zoals bedoeld in dit artikellid aanwezig zijn. Vanwege de ernst van de betreffende misdrijven en het verstrekkende karakter van de vaststelling dat dit artikellid van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en motivering strenge eisen gesteld.7 Volgens onderdeel C2/7.10.7.4 van de Vc8 onderzoekt verweerder in het kader van het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de misdrijven (knowing participation), en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).
6. Tussen partijen is niet in geschil dat (grensoverschrijdende) handel en smokkel in verdovende middelen gekwalificeerd kan worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin is in geschil dat eiser op enig moment weet heeft gekregen van het feit dat hij leverde aan de ELN en de FARC en dat hij wist dat sommige van zijn machines gebruikt werden bij de productie van cocaïne. Dat eiser van deze feiten bij de eerste contacten of de eerste leveringen mogelijk niet op de hoogte was, is daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Wel belangrijk is dat, toen eiser op zeker moment wel wist met wie hij handelde, niet is gebleken dat hij stopte of probeerde te stoppen met deze activiteiten. In het bestreden besluit is terecht overwogen dat uit het nader gehoor (p.22 en 23) blijkt dat eiser de ELN en de FARC als goede klanten beschouwde, die goed betaalden en ook nieuwe klanten aandroegen. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat die nieuwe klanten gewone boeren waren, die de machines van eiser gebruikten voor de productie van koffie, is niet aannemelijk geworden. De verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor spreken dit namelijk tegen. Zo heeft eiser de groei van zijn klantenkring nadrukkelijk in verband gebracht met zijn ontdekking dat zijn machines werden gebruikt voor de productie van cocaïne (p.22 van het nader gehoor). Ook heeft eiser verklaard dat hij één à anderhalf jaar heeft geleverd aan de FARC en zes à zeven maanden aan de ELN. Hij wilde pas stoppen met de samenwerking met deze illegale gewapende groeperingen, toen zijn vrouw dreigde te ontdekken dat hij betrokken was bij illegale activiteiten, en toen hij problemen kreeg met de Dagoberto Ramos groepering. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eiser kennis had, of tenminste had moeten hebben, van de misdrijven waaraan hij meewerkte (‘knowing participation’).
7. Ten aanzien van de ‘personal participation’ overweegt de rechtbank dat hier niet alleen sprake van kan zijn als het misdrijf door de vreemdeling zelf is gepleegd, maar ook als hij een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd.9 Verweerder concludeert terecht dat eiser in dit geval het misdrijf heeft gefaciliteerd omdat zijn handelen in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De combinatie met de kennis die eiser had van de manier waarop sommige van zijn machines werden gebruikt voor de productie van cocaïne, zoals in overweging 6 is vastgesteld, maakt dat aan de voorwaarde voor de persoonlijke deelname is voldaan. Het bestreden besluit is op dit punt voldoende gemotiveerd.
8. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser terecht artikel 1F, onder b, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Of eiser daarbij wel of geen strafrechtelijke verwijten kunnen worden gemaakt hoeft in dit verband niet verder te worden besproken.
Reële vrees voor ernstige schade bij terugkeer / binnenlands beschermingsalternatief
9. Verweerder heeft ambtshalve getoetst of eiser bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij heeft hiertoe allereerst overwogen dat in Colombia geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.10 Uit het landgebonden beleid Colombia (onderdeel C9/10 van de Vc) blijkt wel dat verweerder een relatief lager niveau van willekeurig geweld aanneemt in sommige departementen, waaronder [plaats] , waar eiser vandaan komt. Verweerder heeft daarom beoordeeld of eiser op basis van zijn individuele situatie in aanmerking moet komen voor subsidiaire bescherming. Hij overweegt in dit verband dat hij eisers verklaringen over afpersing en bedreigingen van leden van Dagoberto Ramos in grote lijnen geloofwaardig acht. Ook acht verweerder het geloofwaardig dat de politie voor dit soort problemen geen bescherming kan bieden (p.10 van het voornemen). Hij overweegt echter dat er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen. Hij wijst er in dit verband op dat eiser geen vrees heeft voor de centrale overheid en dat Dagoberto Ramos en de dissidente FARC niet landelijk opereren. Daarom wordt aangenomen dat eiser en zijn gezin elders in Colombia veilig kunnen wonen.
10. In het landgebonden beleid ten aanzien van Colombia is onder meer bepaald dat er geen binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen voor personen die een reëel risico lopen op ernstige schade door (gewapende) groeperingen die landelijk opereren.11 De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn conclusies over de verspreiding van de illegale gewapende groeperingen waar eiser voor zegt te vrezen, heeft gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Colombia uit 2022.12 In het AAB Colombia uit 2024 lijkt echter een ander beeld naar voren te komen. Daarin wordt beschreven dat onder meer de ELN en facties van de dissidente FARC als de grootste en machtigste illegale gewapende organisaties worden gezien, met een interdepartementaal bereik.13 De EMC, die wordt omschreven als één van de twee onderdelen van de dissidente FARC, heeft een nationaal bereik met een interregionaal coördinatiesysteem.14 Dissidente groeperingen als Dagoberto Ramos, die eerder als enigszins autonoom werden beschouwd zijn onderdeel geworden van de commandostructuur van het EMC; de EMC heeft zich de laatste jaren uitgebreid en heeft een nationaal bereik.15
11. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe de onder overweging 9 opgenomen informatie zich verhoudt tot het standpunt van verweerder dat eiser zich elders in Colombia veilig kan vestigen omdat de door hem gevreesde organisaties geen nationaal bereik hebben. Vanwege deze onduidelijkheid is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De toelichting door verweerder ter zitting, dat de ELN en Dagoberto Ramos niet in alle delen van Colombia actief zijn en dat het feit dat zij in het hele land invloed kunnen hebben nog niet betekent dat ze ook landelijk opereren zoals bedoeld in het landenbeleid, acht de rechtbank ontoereikend.
Bestuurlijke lus
12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het in overweging 10 geconstateerde gebrek te herstellen met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het herstel kan bestaan uit een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met (gedeeltelijke) intrekking van het nu bestreden besluit. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank hiermee een tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen een dan te stellen termijn te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
14. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013.16
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
-
heropent het onderzoek;
-
draagt verweerder op om de rechtbank binnen twee weken mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
-
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan op 20 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzitter, en mr. M.L. Weerkamp en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.