ECLI:NL:RBDHA:2026:30881

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.55378 en NL26.55389
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Grensdetentie. Omzetting van de vrijheidsontnemende maatregelen, maximale termijn van grensdetentie op grond van de Terugkeergrensprocedureverordening. Ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.55378 en NL26.55389

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaken tussen

[eiser] , v-nummer [x] , eiser

[eiseres] , v-nummer [x] , eiseres

samen: eisers

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 september 2026 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft de ambtenaar aan eisers de toegang tot Nederland geweigerd. Op diezelfde dag is aan eisers op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd (bestreden besluiten 3 en 4).

De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de besluiten tot oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregelen in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door eisers ingestelde beroepen. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over de toegangsweigering (bestreden besluiten 1 en 2)

1. Eisers hebben geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de toegangsweigeringen onrechtmatig te achten. De beroepen tegen de toegangsweigering zijn daarom ongegrond.

Over de vrijheidsontnemende maatregel (bestreden besluiten 3 en 4)

2. De ambtenaar heeft eisers in bewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto artikel 6, zesde lid, van de Vw 2000, nadat aan eisers de besluiten tot toegangsweigering zijn uitgereikt.

De omzetting van de vrijheidsontnemende maatregelen

3. Eisers voeren aan dat de huidige vrijheidsontnemende maatregelen (bestreden besluiten 3 en 4) zijn ingegaan op 15 september 2026, de dag dat hun beroepen tegen de afwijzing van hun asielaanvragen ongegrond zijn verklaard. Daarom moet worden beoordeeld of deze maatregelen met ingang van 15 september 2026 voldoen aan de (procedurele) voorwaarden. Eisers merken in dat kader op dat zij op 15 september 2026 niet zijn gehoord over deze vrijheidsontnemende maatregelen, maar pas op 17 september 2026. Eisers betogen dat het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel die niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust in strijd is met Unierecht. Uit de Terugkeerrichtlijn en de (oude) Opvangrichtlijn volgt dat het vereiste van voortvarend handelen niet meer relevant is indien niet meer wordt voldaan aan voorwaarden voor een vrijheidsontnemende maatregel. Uit deze richtlijnen volgt dat een vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk moet worden opgeheven indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor die vrijheidsontnemende maatregel. Eisers wijzen er op dat in arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura1 uitdrukkelijk is vermeld dat het Hof niet is gevraagd of de omzettingstermijn van 48 uur verenigbaar is met het Unierecht en met de verplichting van artikel 9, derde lid, van de (oude) Opvangrichtlijn 2013/33.

3.1.

Uit de door eisers genoemde vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de omzetting van een bewaringsmaatregel binnen twee dagen plaats dient te vinden. In dat geval wordt de voortzetting van de vreemdelingenbewaring rechtsgeldig gerechtvaardigd op basis van een andere autonome rechtsgrondslag.2 De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat de in deze rechtspraak al vele jaren aanvaarde omzettingstermijn in strijd is met het Unierecht. Omzetting van de bewaringsgrondslag binnen deze termijn wordt al zeer geruime tijd door de Afdeling aanvaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar een ander oordeel over in te nemen. Gesteld noch gebleken is daarbij dat met de invoering van het Asiel- en migratiepact nieuwe Unierechtelijke regels zijn ingevoerd, waarmee deze praktijk zich niet zou verdragen.

De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen van eisers zijn met de uitspraak van 15 september 2026 ongegrond verklaard.3 Op 17 september 2026 is aan eisers de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vw 2000 opgelegd. Eisers zijn voorafgaand aan het opleggen van de maatregelen gehoord. De ambtenaar heeft de maatregelen binnen twee dagen, en dus tijdig omgezet. Vanaf dat moment (17 september 2026) moet worden beoordeeld of deze maatregelen aan de (procedurele) voorwaarden voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.

De maximale termijn van grensdetentie op grond van de Terugkeergrensprocedureverordening

4. Eisers voeren aan dat grensdetentie op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw 2000 in strijd is met het Unierecht. De maximale termijn van grensdetentie op grond van dit artikel is zes maanden en kan hierna met nogmaals twaalf maanden worden verlengd.4 Uit artikel 4, tweede lid, in samenhang met artikel 5, vierde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening volgt echter dat de maximale termijn van grensdetentie twaalf weken is. Uit de Memorie van Toelichting bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 volgt dat de Nederlandse wetgever de toepasselijkheid van de Terugkeergrensprocedureverordening heeft uitgesloten.5 Volgens eisers biedt de Terugkeergrensprocedureverordening echter geen grondslag hiervoor.

4.1.

De rechtbank bespreekt dit betoog niet, omdat de door eisers genoemde termijn van twaalf weken op het moment van deze uitspraak nog niet is verstreken. Eisers bevinden zich sinds 23 juli 2026 in grensdetentie. Deze uitspraak wordt gedaan voordat de termijn van twaalf weken is verstreken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen tegen de grensweigering (bestreden besluiten 1 en 2) zijn ongegrond. Ook de beroepen tegen de vrijheidsontnemende maatregelen (bestreden besluiten 3 en 4) zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »