RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.13835 (beroep eiser)
NL24.13836 (beroep eiseres)
V-nummers: [V nummer 1]
[V nummer 2]
[V nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1991, eiser
en
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1994, eiseres
mede namens hun minderjarige kind:
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2014
allen van Colombiaanse nationaliteit
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de minister van Asiel en Migratie 1, de minister
(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen.
De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 4 maart 2024 afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten apart beroep ingesteld, maar gezamenlijk gronden ingediend.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, J.W. de Man als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzingen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser en eiseres zijn partners. Zij zijn samen met hun minderjarige zoon op 13 juni 2022 vertrokken uit Colombia. Zij zijn op 14 juni 2022 met het vliegtuig via Mexico in Nederland aangekomen. Op 15 juni 2022 hebben zij vervolgens asiel aangevraagd.
Asielrelaas
5. Eisers hebben het volgende aan hun asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is in 2018 door de FARC2 vastgehouden, terwijl zijn vriend [persoon] ontvoerd werd. Eiser heeft zichzelf weten te bevrijden en [persoon] heeft aangifte hiervan gedaan. Eiser is politiek actief geweest voor de partij Colombia Renaciente. Hij heeft zich in 2019 verkiesbaar gesteld, maar heeft te weinig stemmen gekregen om verkozen te worden. Ook zette eiser zich in voor de stichting [naam 1] en werd hij daar gezien als sociaal leider. Het dorp [plaats 1] waar eisers woonden had een watertekort dat veroorzaakt werd door de guerrilla’s/FARC. Eiser demonstreerde tegen het waterbedrijf. Vervolgens is hij in 2022 door de FARC ontvoerd. Hij werd weer vrijgelaten nadat hij verklaard had dat hij niet meer zou demonstreren en/of politiek actief zou zijn. Eisers zijn naar aanleiding van deze ontvoering verhuisd. Eerst naar [plaats 2] . Hier kregen zij te horen dat een oom van eiser vermoord was door de guerrilla/FARC. Vervolgens zijn zij verhuisd naar [plaats 3] . Zij hebben naar aanleiding van de ontvoering besloten Colombia te verlaten. Na het verlaten van Colombia is eiser nog steeds bedreigd door de FARC. Zij hebben pamfletten verspreid waarop sociale leiders ervan beschuldigd worden publiekelijk te beweren dat de FARC verantwoordelijk is voor de tekorten aan drinkwater. Eiser wordt op het pamflet bij naam genoemd en gezien als militair doelwit. Eiseres vreest vanwege de problemen van eiser.
Besluitvorming
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Politieke en maatschappelijke activiteiten;
3. Incident met de FARC in 2018;
4. Ontvoering door de FARC in 2022;
5. Dreigementen door de FARC na vertrek uit Colombia.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn politieke en maatschappelijke activiteiten geloofwaardig. Alle andere elementen acht de minister niet geloofwaardig. De minister acht de verklaringen omtrent het incident met de FARC in 2018 ongeloofwaardig omdat eiser niet weet waarom [persoon] is ontvoerd, omdat hij niet weet hoe hij vastgebonden is, omdat hij enkel een kopie van de aangifte heeft overgelegd waar beperkte waarde aan toegekend kan worden en omdat hij niet weet wat er na de aangifte met de ontvoerders is gebeurd. Ook komen de verklaringen van eiseres en eiser niet overeen met wat hij op de dag van de ontvoering bij [persoon] aan het doen was. Verder acht de minister de verklaringen over de ontvoering door de FARC in 2022 ongeloofwaardig. Eiser kan namelijk niet duidelijk verklaren waarom hij door de FARC is ontvoerd, de aangifte die eiser heeft overgelegd bevat een tegenstrijdigheid met zijn eigen verklaring, niet valt in te zien waarom zijn ontvoerders hem los zouden maken om met hem te praten en zijn weggereden en eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over de demonstraties tegen het water afpakken. Daarnaast acht de minister de verklaringen over de dreigementen vanuit de FARC na eisers vertrek uit Colombia ongeloofwaardig. Eisers politieke en maatschappelijk positie was namelijk niet prominent. Ook verklaart eiser vaag en tegenstrijdig over hoe het de FARC duidelijk zou zijn geworden dat hij zich bezighield met acties tegen het afpakken van water door de FARC. Verder kan niet beoordeeld worden of het pamflet daadwerkelijk door de FARC is opgemaakt. Eiser is daarom geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag3. Dat eiser Afro-Amerikaans (de rechtbank leest dit als Afro-Colombiaans) is, is hiervoor onvoldoende. Ook loopt hij bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico op ernstige schade. Eiser dient Nederland binnen vier weken te verlaten.
7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege de werkzaamheden van haar partner.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar acht de problemen vanwege de problemen van eiser ongeloofwaardig. Voor een motivering hiervan verwijst de minister naar het besluit van eiser. Ook eiseres en haar minderjarige zoon dienen Nederland binnen vier weken te verlaten.
Toetsingskader
8. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. In dat kader is de Vw4, het Vb5 en de Vc6 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw en het Vb die betrekking hebben op specifieke procedurele voorschriften, zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvragen van toepassing omdat deze aanvragen zijn ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn7 is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening8. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.9 Omdat de rechtbank naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 202610 een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht voor wat betreft het asielrelaas zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting.
In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal11 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europees recht. Uit deze arresten volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.12 De rechtbank heeft in dit kader de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst en over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.13 In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.
Sociaal leider
9. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte niet ziet als sociaal leider. Eiser heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Leden van de consejos comunitario’s worden in het algemeen erkend als sociale leiders. Bovendien heeft de minister in het bestreden besluit erkend dat eiser actief is geweest binnen de lokale politiek en op maatschappelijk vlak. Dit is niet te rijmen met dat eiser niet als sociaal leider gezien wordt. Eiser heeft namelijk documenten ingebracht waaruit blijkt dat hij wordt erkend als sociaal leider. Eiser heeft ook aangevoerd dat de minister dit samen dient te bezien met de problemen met de FARC en de geloofwaardigheid hiervan.
De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser binnen zijn gemeenschap in Colombia als sociaal leider werd gezien. Op de zitting is dit toegelicht. Uit eisers relaas blijkt niet dat hij sociaal leider is. Eiser heeft in het nader gehoor gesteld dat hij zichzelf geen belangrijke rol toeschreef binnen de gemeenschap. Ook blijkt niet dat eiser prominent op de voorgrond is getreden, nu hij bijvoorbeeld geen voorzitter was van een organisatie. Verder volgt uit het algemeen ambtsbericht Colombia uit 2022 dat erkenning als sociaal leider volgt uit de gemeenschap en bij eiser is hier geen sprake van. Bovendien stelt de minister dat als eiser wel als sociaal leider gezien zou moeten worden de geloofwaardigheid van zijn problemen met de FARC alsnog betwist worden.
De rechtbank stelt eerst vast dat er geen eenduidige definitie van het begrip ‘sociaal leider’ bestaat.14 Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister een te beperkte definitie hanteert voor het zijn van sociaal leider. Dat eiser heeft aangegeven zichzelf geen belangrijke rol toe te schrijven en het feit dat hij niet een voorzitter is van een organisatie, leidt er niet toe dat eiser niet aan te merken is als sociaal leider. In het ambtsbericht uit 2022 staat namelijk: ‘Een sociaal leider is een mensenrechtenverdediger inzake de activiteiten die hij of zij uitvoert, d.w.z. de acties die hij of zij onderneemt zijn gericht op de bevordering en de verdediging van mensenrechten. De Ombudsman stelt dat ongeacht of zij zichzelf al dan niet erkennen als verdedigers van de mensenrechten de Colombiaanse staat de rechten van deze personen moet garanderen. De erkenning als sociaal leider komt van de naaste omgeving en is niet uitsluitend afhankelijk van de accreditatie die een overheidsorgaan of een sociale organisatie geeft.’15In het ambtsbericht staat dus ook benoemd ‘ongeacht of zij zichzelf al dan niet erkennen als verdedigers van de mensenrechten’, hieruit volgt dat niet elk sociaal leider zichzelf als zodanig zal herkennen. De verklaringen van eiser in het nader gehoor dienen ook in dit licht beoordeeld te worden. Ook ziet de rechtbank hierin niet dat eiser daadwerkelijk voorzitter moet zijn van een organisatie om aangemerkt te kunnen worden als sociaal leider. De minister kan dit dus niet zonder nadere motivering tegenwerpen.
Uit hetzelfde ambtsbericht volgt juist dat de erkenning als sociaal leider van de naaste omgeving komt. De minister stelt dat eiser niet erkend is als sociaal leider door zijn naaste omgeving. Dit kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft namelijk documenten ingebracht die het zijn van sociaal leider onderbouwen. Zo heeft eiser een document16, zijnde een certificaat, van [document]17 overgelegd waarin wordt bevestigd dat eiser actief lid is van de gemeenschapsraad [naam 2] . Daarnaast wordt in dit document door de gemeenschapsraad bevestigd dat eiser nauw betrokken is geweest bij de ontwikkeling van gemeenschapsprojecten en -activiteiten, waarbij hij fungeert als sociaal leider binnen de gemeenschap [naam 2] . Verder heeft eiser ook een document van [naam 1] ingebracht, waar door de tolk op zitting is bevestigd dat eiser daarin benoemd staat als sociaal leider. Bovendien heeft eiser ook nieuwsberichten ingebracht waarin hij wordt aangemerkt als civiel leider en heeft hij filmpjes overgelegd waarin hij mensen op straat toespreekt. De minister dient deze documenten te betrekken in de beoordeling of het geloofwaardig geacht moet worden dat eiser aangemerkt dient te worden als sociaal leider. Verder is het de rechtbank onduidelijk wat de minister nog meer van eiser verwacht om het zijn van sociaal leider te onderbouwen. De minister heeft dit ook op zitting niet duidelijk kunnen maken. Bovendien heeft de minister ook onvoldoende de geloofwaardig geachte politieke en maatschappelijk activiteiten betrokken bij het vaststellen of eiser aangemerkt dient te worden als sociaal leider. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser bezig was met demonstreren tegen het waterbedrijf, omdat de FARC het water afpakt. Dit is mogelijk aan te merken als het beschermen van mensenrechten.
De beroepsgrond slaagt. De minister heeft bovengenoemde documenten en verklaringen onvoldoende bij de beoordeling betrokken. De minister zal alle overgelegde documenten en filmpjes in een nieuw te nemen besluit mee moeten nemen.
Heroverwegen geloofwaardigheidsoordeel elementen 4 en 5
10. Nadat de minister nader heeft onderzocht en gemotiveerd of eiser een sociaal leider is, dient de minister ook nogmaals naar de elementen ontvoering door de FARC in 2022 en de dreigementen door de FARC na het vertrek uit Colombia te kijken. De minister heeft op de zitting namelijk bevestigd dat één van de redenen waarom deze elementen als ongeloofwaardig zijn beoordeeld, is omdat niet geloofd wordt dat eiser als sociaal leider gezien moet worden of dat niet geloofd wordt dat hij een prominente rol had. De rechtbank is verder van oordeel dat de overige punten die de minister ten grondslag legt aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van deze elementen, moeilijk anders kunnen worden geduid dan kleine inconsistenties. De minister dient te motiveren waarom deze kleine inconsistenties zo zwaar wegen dat zij de ongeloofwaardigheid van de asielelementen kunnen dragen.
Hierbij is de rechtbank ook van oordeel dat niet elke tegenwerping stand kan houden. Zoals de tegenwerping ten aanzien van het niet geloofwaardig achten van de ontvoering door de FARC in 2022. De minister werpt tegen dat eisers verklaring in de correcties en aanvullingen dat hij in de auto met de megafoon mensen opriep om naar de bijeenkomsten te gaan tegenstrijdig zou zijn met de verklaring in het nader gehoor dat hij niet de straat op was gegaan. Deze tegenstrijdigheid ziet de rechtbank niet zozeer. Eiser heeft in de zienswijze hiervoor een uitleg gegeven. Eiser heeft niet bedoeld te zeggen dat hij in de letterlijke zin niet de straat op is gegaan, maar geprobeerd te zeggen dat hij nooit direct tegen de FARC heeft geprotesteerd. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven dat het water wel werd afgepakt door de FARC, maar dat de demonstratie tegen het waterbedrijf was.18 Ook heeft eiser in de zienswijze aangegeven dat vanuit de auto met een megafoon boodschappen overbrengen de gebruikelijke manier was voor hem en daardoor was het voor hem niet noodzakelijk om het op deze manier te verklaren. Bovendien heeft eiser ook filmpjes overgelegd, waaruit blijkt – wat de minister niet heeft betwist – dat hij wel mensen heeft toegesproken over het waterprobleem. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze tegenwerping nog stand kan houden en is onvoldoende ingegaan op de zienswijze.
Ook heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom de handelswijze van de FARC bij de ontvoering leidt tot het ongeloofwaardig achten van dit element. De minister acht het niet geloofwaardig dat een terreurorganisatie na het ontvoeren van een persoon, diegene vervolgens zonder enige aanleiding zou losmaken en vrijlaten. Of dat die persoon zonder enige belemmering hun terrein kon aflopen. Ook volgt uit bronnen die eiser aanhaalt juist dat de FARC het motief voor een ontvoering doorgaans duidelijk kenbaar maakt en dat de ontvoerde personen niet zonder meer worden vrijgelaten. Met name als het doel van de ontvoering losgeld was, maakt dit het niet geloofwaardig volgens de minister. De rechtbank kan deze tegenwerping ook niet volgen. Uit openbare bronnen blijkt wel dat ontvoeringen door de FARC vaak met een financieel doel zijn, dit heeft eiser ook niet betwist, maar soms zijn er ook andere doelen voor de ontvoeringen. Eiser heeft naar bronnen in de gronden van beroep gewezen waaruit blijkt dat die doelen ook kunnen zijn sociale of territoriale controle.19 De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval de ontvoering niet zou kunnen zijn gegaan zoals eiser heeft verklaard en dat het dus niet enkel ging om geld, maar mogelijk ook om intimidatie of sociale controle.
Ontvoering van [persoon] in 2018
11. Eiser stelt dat de ontvoering in 2018 van [persoon] , waarbij eiser door leden van de FARQ is vastgebonden, ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Eiser heeft hiertoe samengevat het volgende aangevoerd. Eiser heeft een aangifte van [persoon] overgelegd waarin eiser ook wordt genoemd als slachtoffer en deze aangifte kan door de minister worden geverifieerd. Eiser gaat er vanuit dat de minister niet betwist dat de aangifte echt is. Bovendien klopt de stelling van de minister dat een aangifte niet betekent dat de inhoud van die aangifte de waarheid is, maar is dat onvoldoende om te concluderen dat het daarom ongeloofwaardig is of afbreuk doet aan de waarde van het document. Dat bij de ontvoering van [persoon] ook andere personen zijn vastgebonden, wordt bevestigd door een artikel in El Pais20 over vrijlating van [persoon] .
De minister stelt dat niet wordt tegengeworpen dat de aangifte valselijk is opgesteld. Wel wordt eiser tegengeworpen dat de door hem overgelegde aangifte slechts een kopie betreft en geen origineel document. Om die reden kan aan dit stuk niet de bewijswaarde worden toegekend die eiser daaraan wenst te verbinden. Daar komt bij dat uit de overgelegde aangifte niet automatisch volgt dat het verklaarde daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voorts blijkt uit de overlegde nieuwsartikelen uitsluitend dat [persoon] is ontvoerd. Uit deze bronnen kan niet worden afgeleid dat eiser bij dit incident aanwezig is geweest. Ook worden andere tegenwerpingen gedaan, onder andere dat eiser niet weet waarom [persoon] was ontvoerd.
De rechtbank kan de tegenwerping van de minister niet volgen dat aan de aangifte van [persoon] niet de bewijswaarde kan worden verbonden die eiser wenst. De minister betwist niet dat [persoon] is ontvoerd en de rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de aangifte bestaat, met name met de statusupdate die eiser heeft overgelegd over de aangifte van [persoon] . Dat een aangifte niet de waarheid over de aangegeven gebeurtenissen weergeeft omdat het om verklaringen gaat van de aangever, maakt niet dat een aangifte geen onderbouwing kan zijn van het gestelde element.
De rechtbank kan de minister ook niet volgen in de tegenwerping dat uit de overgelegde nieuwsartikelen niet kan worden afgeleid dat eiser bij de ontvoering is geweest. Eiser wordt in de aangifte genoemd als een van de slachtoffers bij de ontvoering van [persoon] , dit is ook geverifieerd door de tolk in het nader gehoor. Daarnaast staat in het door eiser in beroep overgelegde nieuwsbericht van El Pais dat tijdens het incident verschillende werknemers op de boerderij van [persoon] door de daders zijn vastgebonden en dat die personen na verloop van tijd zichzelf wisten te bevrijden en de autoriteiten te waarschuwen. De minister heeft geen onderbouwing gegeven waarom, ondanks de publieke informatie over de ontvoering van [persoon] en het vastbinden van andere personen, het noemen in de aangifte van eiser als slachtoffer niet wordt geloofd. De tegenwerping dat eiser daarover niet meteen eenduidig heeft verklaard is onvoldoende afgezet tegen de overgelegde aangifte in combinatie met het genoemde nieuwsbericht.
De overige tegenwerpingen, zoals dat eiser niet weet hoe hij is vastgebonden of dat de verklaringen van zijn partner en hemzelf over wat eiser aan het doen was toen de ontvoering plaatsvond, maken niet dat dit element ongeloofwaardig is. Deze tegenwerpingen zijn van onvoldoende gewicht. Bovendien heeft eiser ook in de zienswijze hiervoor een verklaring gegeven waar de minister ten onrechte niet op in is gegaan. Normaliter ging eiser elke acht dagen de dieren voeren, zoals eiseres heeft verklaard, maar deze dag hielp hij met wat anders. Dit acht de rechtbank geloofwaardig. Op basis van de verklaringen van eiser en informatie in het dossier acht de rechtbank voldoende onderbouwd met de aangifte van [persoon] dat eiser bij de ontvoering van [persoon] is geweest en daar ook slachtoffer van is geweest.
Conclusie ten aanzien van de ontvoering van [persoon] in 2018
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister dit element ten onrechte als ongeloofwaardig heeft beschouwd. De minister dient dit element als geloofwaardig te beschouwen en dit mee te nemen in een nieuw te nemen besluit. De minister dient dit vervolgens op zwaarwegendheid te beoordelen.
Afro-Colombiaans
12. Eisers stellen dat zij dienen te vallen onder het risicoprofiel van sociale leiders van de Afro-Colombiaanse gemeenschap in een gevaarlijke zone. Eiser heeft in zijn nader gehoor en de zienswijze aangevoerd dat het feit dat hij Afro-Colombiaans is risico verhogend is binnen het risicoprofiel van gemeenschapsleiders en/of sociale leiders waar hij onder valt, zeker in [plaats 1] waar de gehele gemeenschapsraad al sinds decennia erkend is als collectief slachtoffer en er slachtoffers blijven vallen. Naast dat dit een risicoprofiel is, is er ook sprake van groepsvervolging van Afro-Colombiaanse gemeenschappen en gemeenschapsleiders in [plaats 1] .
De minister stelt dat eiser niet valt onder het oude of huidige beleid van risicogroepen in paragraaf C7/10.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000. De minister merkt voorts op dat hoewel eiser in beroep nadrukkelijk stelt dat hij als Afro-Colombiaan tot een risicogroep, dan wel risicoprofiel behoort, hij hierover tijdens het nader gehoor niets heeft verklaard. Tegen deze achtergrond acht de minister het opmerkelijk dat eiser in deze fase van de procedure stelt dat hij enkel op grond van zijn etniciteit asiel zou moeten krijgen. Eiser heeft dit niet individueel gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op dat eiser Afro-Colombiaans is. De tegenwerping van de minister dat hij hierover in het nader gehoor niets heeft verklaard kan de rechtbank niet volgen. Op de vraag of eiser ooit vanwege zijn etnische afkomst problemen heeft ondervonden heeft eiser aangegeven dat hij die wel heeft ervaren vanwege zijn Afro-Colombiaanse afkomst. Ook heeft eiser bij beide gehoren documenten overgelegd die zien op de erkenning door de autoriteiten van de Afro-Colombiaanse gemeenschap in [plaats 1] als slachtoffer van geweld. Dat eiser niet een duidelijke link heeft gelegd in het nader gehoor ten opzichte van zijn afkomst en zijn gestelde problemen doet hier niet aan af. De minister heeft namelijk nagelaten om eisers gestelde problemen samen te zien met het zijn van Afro-Colombiaans. Bovendien blijkt uit landeninformatie dat Afro-Colombianen extra frequent het slachtoffer zijn van gewapende (straat)bendes en gedwongen ontheemding. Ook staat het implementeren van maatregelen ter bevordering van de bescherming van deze groep personen door de Colombiaanse autoriteiten laag op de politieke agenda.21 De minister dient dit te betrekken bij een nieuwe beoordeling ten aanzien van de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen, maar ook ten aanzien van de zwaarwegendheid van zijn asielrelaas. Hier dient de minister ook de documenten te betrekken waarin de Afro-Colombiaanse gemeenschap in [plaats 1] wordt erkend als slachtoffer van het conflict in de gemeenschap. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
Betrekken zienswijze en correcties en aanvullingen
13. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij een algemene tegenwerping van de minister niet kan volgen. De minister stelt meermaals in het bestreden besluit dat eiser zijn verklaringen uit de zienswijze al had dienen op te nemen in de correcties en aanvullingen. Omdat eiser dit niet heeft gedaan, neemt de minister de zienswijze op sommige aspecten niet mee. Ook stelt de minister dat bij de correcties en aanvullingen wordt verwacht dat wordt vermeld waarom deze aanvullingen niet in het gehoor naar voren zijn gebracht. De rechtbank kan eiser in het standpunt volgen dat dit niet van hem verwacht kan worden. De correcties en aanvullingen hebben onder andere als doel om kennelijke verschrijvingen en mogelijke onjuiste vertalingen te corrigeren en verklaringen aan te vullen waar nodig. Het kan echter niet van eiser verwacht worden te anticiperen op elk mogelijk interpretatieverschil en daar ook in de correcties en aanvullingen op in te gaan. Bovendien is het ook geen vereiste dat in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze wordt aangegeven waarom een nadere duiding van een verklaring, anticiperend op een mogelijk interpretatieverschil, niet in het gehoor respectievelijk de correcties en aanvullingen naar voren is gebracht.
In dit licht kan de rechtbank de volgende tegenwerpingen niet volgen. In het voornemen is aan eiser tegengeworpen dat er ten aanzien van de ontvoering in 2022 een tegenstrijdigheid is tussen de aangifte van eiser en het nader gehoor. Namelijk dat eiser in de aangifte verklaart binnen te zijn geweest en zijn ontvoerders binnendrongen, terwijl hij in het nader gehoor stelt dat hij buiten op het land werkte en de pick-up truck aan zag komen rijden. Eiser heeft hier in de zienswijze een verklaring voor gegeven, namelijk dat het gaat om een ommuurde boerderij waar de ontvoerders binnendrongen. Het gaat volgens eiser dus niet om een tegenstrijdigheid, maar enkel om verwarring. De minister gaat hier niet verder op in dan enkel te zeggen dat eiser bovenstaande had dienen op te nemen in de correcties en aanvullingen en het daarom niet gevolgd kan worden. Dit kan de rechtbank niet volgen. Zoals hierboven al is geoordeeld kan van eiser niet verwacht worden dat hij anticipeert op een mogelijk interpretatieverschil waardoor verwarring zou kunnen ontstaan. Verder is het ook aan de minister om inhoudelijk op dit punt in te gaan als het wordt aangevoerd in de zienswijze. De minister dient dit dus ook in een nieuw te nemen besluit te doen. Dit geldt ook voor de verklaring in de zienswijze waarom de FARC eiser in beeld zouden hebben gekregen. De minister kan daar de correcties en aanvullingen niet terzijde schuiven omdat volgens hem bij aanvullingen moet worden vermeld waarom deze aanvullingen niet in het gehoor naar voren zijn gebracht. De minister dient dus in het nieuw te nemen besluit ook inhoudelijk in te gaan op de correcties en aanvullingen en de zienswijze voor zover hij dat nog niet heeft gedaan.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als ongegrond. Nu het ongeloofwaardig geachte relevante element van eiseres ziet op de problemen van eiser en die problemen nader door de minister onderzocht dienen te worden, slaagt ook het beroep van eiseres. De beroepen zijn dus gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen naar de gestelde problemen van eiser en hierbij de overgelegde documenten dient te betrekken. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
16. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister de proceskosten vergoeden. De minister moet deze vergoeding betalen. In de beroepen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu deze beroepen gelijktijdig zijn behandeld, de gemachtigde in beide zaken als gemachtigde heeft opgetreden en dezelfde gronden zijn ingediend. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen
kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank, in de zaaknummers NL24.13835 en NL24.13836:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 4 maart 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze
uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.